← België

Arrest 141057 - - 22/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.057 Rolnummer: A. 129720/XIV-12725 Zaak: Arrest 141057 - - 22/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-07 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 08:01 Fiche Arrest nr 141.057 van 22 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.057 van 22 februari 2005 in de zaak A. 129.720/XIV-12.725 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. VERSTREPEN, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Rotterdamstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Joegoslavische nationaliteit, op 25 november 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 25 oktober 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 31 oktober 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 14 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 december 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat K. VERSTREPEN verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché XIV-12.725-1/5 B. DIERICKX, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 29 augustus 2000 en zich vluchteling verklaart op 19 september 2000; dat op 31 oktober 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 25 oktober 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Volgens uw verklaringen zou u een etnische Albanees zijn en afkomstig zijn uit Kosovo, meer bepaald uit Ferizaj. In 1991 zou u tijdens uw militaire dienstplicht - u was toen gestationeerd in Kroatië - gedeserteerd zijn. U zou er niet willen sterven hebben in een oorlog die u niet als de uwe beschouwde. Bovendien was het Joegoslavische leger er in uw ogen een bezettingsmacht. Op 27 december 1993 diende u zich omiwlle van uw desertie aan te bieden bij de militaire rechtbank van Nis. U zou hier toen niet op ingegaan zijn en zou tot vandaag geen weet hebben van een veroordeling voor deze feiten. Voor een periode van iets meer dan één jaar, gesitueerd rond 1994, zou de politie meer dan 7 keer (ongeveer één keer per maand) bij u thuis langsgekomen zijn. U zou evenwel nooit thuis zijn geweest. Gedurende een periode van meer dan twee jaar, in 1994 en 1995, zou u niet langer in uw eigen woning gewoond hebben. Aldus hoopte u problemen met de autoriteiten te vermijden. In 1996 en 1997, voor een periode van ongeveer één jaar, zou u een relatie hebben gehad met een zekere J, van etnisch Bosniak-afkomst. Het feit dat zowel zij als haar familie een haat koesterden tegen de Albanezen als volk, leidde tot een definitieve breuk in jullie relatie. Gedurende de oorlog in Kosovo kende u geen persoonlijke problemen. Tijdens de gevechten zou u het merendeel van de tijd in Macedonië verbleven hebben. Na de oorlog zou u nar Kosovo teruggekeerd zijn, waar u tot mei 2000 geen noemenswaardige problemen kende. In de periode mei 2000 tot begin augustus 2000 zou u bij u thuis vier keer bezoek hebben gekregen van onbekende gewapende personen die telkens naar u vroegen. U zou nooit aanwezig geweest zijn. Na de twee eerste bezoeken zou u UNMIK gecontacteerd hebben. Ze zouden u onder meer gevraagd hebben of u deze personen kende, wat er was gebeurd en of er iemand mishandeld was. U zou van hen tevens toen de raad hebben gekregen hen bij een volgend bezoek onmiddellijk te contacteren. Het was na deze bezoeken dat u besliste te vertrekken. Sinds u desertie uit het leger zou u geen rust meer gekend hebben. Tot op vandaag weet u nog steeds niet waarom deze personen bij u thuis langskwamen. Volgens u zijn er mogelijks twee verklaringen. Een eerste zou zijn dat men u viseerde omdat u niet meegevochten had tijdens de oorlog in Kosovo, terwijl het wel geweten was dat u aan de gevechten in Kroatië deelgenomen had. Een tweede hypothese is dat het Serviërs waren die u viseerden. Mogelijks zouden zij wraak hebben willen nemen omwille van uw relatie met voornoemde J en/of uw toenmalige desertie uit het Joegoslavisch leger. Uiteindelijk zou u op 24 augustus 2000 Kosovo verlaten hebben om op 29 augustus 2000 in België aan te komen en hier op 19 september 2000 asiel aan te vragen. Opgemerkt dient te worden dat u geen feiten of elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat u vandaag bij terugkeer naar uw land van herkomst dient te vrezen voor een persoonsgerichte en systematische vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. De door u geciteerde problemen die geleid hebben tot uw vertrek uit Kosovo, met name de bezoeken van onbekende gewapende personen aan uw woning, ressorteren niet onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie. U haalde geen elementen aan waaruit zou blijken dat deze problemen het toepassingsgebied van het gemeenrecht zouden overstijgen, aangezien u in uw verklaringen enkel gewag maakte van onbekende daders en geen concrete aanwijzingen kon geven wie hierachter zou zitten. Over de mogelijke achtergrond van deze bezoeken aan uw woning hebt u slechts uiteenlopende vermoedens. U heeft evenmin kunnen XIV-12.725-2/5 aantonen geen beroep te kunnen doen op de bescherming van de huidige autoriteiten in Kosovo. Zowel na het eerste als het tweede bezoek kon u probleemloos terecht bij UNMIK, waar u ondervraagd werd over deze bezoeken en u tevens de raad kreeg bij toekomstige problemen hen direct te contacteren. U liet evenwel na hierna nogmaals beroep te doen op hulp van deze autoriteiten. Men kan aldus niet gewagen van een onwil tot of gebrek aan bescherming van deze autoriteiten. Uit niks blijkt bovendien dat u bij concrete problemen in de toekomst niet bij hen terecht kan.”; 2.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Enig middel: schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, evenals van artikel 57/6 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. De bestreden beslissing van het commissariaat-generaal stelt dat de asielaanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond is. Het commissariaat-generaal baseert zich daarvoor op twee argumenten, welke echter geenszins gemotiveerd worden. Het eerste argument dat door het commissariaat-generaal wordt aangehaald is dat verzoeker problemen aanhaalt welke van louter private aard zijn. Verder stelt het commissariaat-generaal dat verzoeker niet aantoont dat hij geen beroep kon doen op de bescherming van de huidige autoriteiten in Kosovo. Verzoeker is het met deze stelling volledig oneens. Uit het relaas van verzoeker blijkt duidelijk dat zijn situatie het private overstijgt. Verzoeker werd geviseerd door onbekenden omwille van zijn origine, doch werd niet beschermd of geholpen door de overheid juist ook omwille van zijn origine. Het feit dat verzoeker zich diende te wenden tot de UNMIK, wijst er duidelijk op dat er door de overheid geen enkele poging wordt gedaan om in dergelijke gevallen van discriminatie omwille van origine op te treden. Het feit dat verzoeker beroep zou kunnen doen op de tussenkomst van de UNMIK wijst er niet op dat de problemen die verzoeker aanhaalt van louter private aard zouden zijn of dat hij op bescherming zou kunnen rekenen van de huidige autoriteiten in Kosovo. Dat de bestreden beslissing ook dient vernietigd te worden omwille van de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van administratieve bestuurshandelingen. ‘B.S. 12 september 1991; alsmede van artikel 57/11 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.”; 2.
  3. Overwegende dat de in artikel 57/6 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) opgelegde formele motiveringsplicht, betrekking heeft op de beslissingen tot weigering van de erkenning of van de bevestiging van de hoedanigheid van vluchteling en de intrekking van die hoedanigheid; dat de in artikel 57/6 van voornoemde wet opgelegde verplichting bijgevolg slechts van toepassing is op beslissingen genomen in de gegrondheidsfase van de asielprocedure; dat met de bestreden beslissing echter in de ontvankelijkheidsfase een beslissing tot weigering van verblijf is genomen op basis van artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet; dat de schending van artikel 57/6 van voormelde wet om die reden niet op ontvankelijke wijze kan worden opgeworpen; Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vereist dat de rechtsonderhorige in de hem aanbelangende beslissing kan lezen op welke gronden die beslissing is gesteund, zodat hij met kennis van zaken kan oordelen of het zinvol is gebruik te maken van de rechtsmiddelen waarover hij in rechte beschikt; dat die gronden op eenvoudige wijze in de bestreden XIV-12.725-3/5 beslissing kunnen worden gelezen, namelijk het feit dat de verzoekende partij geen elementen heeft aangehaald waaruit zou blijken dat haar problemen het toepassingsgebied van het gemeenrecht overstijgen en dat zij niet heeft aangetoond dat zij geen beroep zou kunnen doen op de bescherming van de huidige autoriteiten in Kosovo; dat daarmee aan de voornaamste vereiste van de formele motiveringsplicht is voldaan en dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, dat het bij de beoordeling van de materiële motivering niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende, wat betreft de vaststelling van de commissaris-generaal dat zij geen elementen heeft aangehaald waaruit blijkt dat haar problemen het toepassingsgebied van het gemeenrecht overstijgen, dat de verzoekende partij zich beperkt tot louter algemene beweringen, zonder deze evenwel te staven aan de hand van concrete elementen; dat haar betoog dat bij de overheid geen enkele poging wordt ondernomen om op te treden in geval van discriminatie, niet kan worden bijgetreden nu uit het verhoorverslag van het commissariaat-generaal blijkt dat zij heeft verklaard dat zij terecht kon bij UNMIK, waar zij werd ondervraagd en de raad kreeg hen bij toekomstige problemen direct te contacteren; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid die door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet aan de commissaris- generaal is gegeven; dat het enige middel ongegrond is;
  4. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-12.725-4/5 BESLUIT: Artikel
  5. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig februari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-12.725-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.057 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.