← België

Arrest 141064 - - 22/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.064 Rolnummer: A. 148282/XIV-18830 Zaak: Arrest 141064 - - 22/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-07 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 08:01 Fiche Arrest nr 141.064 van 22 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 141.064 van 22 februari 2005 in de zaak A. 148.282/XIV-18.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. BOGAERTS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Brouwersstraat 2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nepalese nationaliteit, op 2 maart 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 2 februari 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 11 december 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 8 maart 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 24 september 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 24 november 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-18.830-1/9 Gehoord de opmerkingen van advocaat R. BOGAERTS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van adjunct-adviseur B. DIERICKX, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 26 november 2003 en zich vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat op 11 december 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 2 februari 2004 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U verklaart de Nepalese nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn van Parbat. U woonde samen met uw familie, soms in het district Parbat, Mallaj maar meestal in het district Myagdi, Beni. U leefde van een hotel dat u openhield, een familiezaak gelegen naast het huis in Parbat. Maobadi-leden dwongen u ertoe een kamer voor hen in het hotel te voorzien. Op 27/08/2055 (Nepalese kalender, komt overeen met 13 december 1998) werd uw schoonvader namelijk verwond door Maobadi-leden daar hij weigerde zijn zoon aan hen af te staan. De persoon die hiervoor verantwoordelijk was namelijk Nanda Bahadur Khatka, een lokale leider van Maobadi, kwam van die dag af geregeld met nog andere Maobadi-leden in uw hotel overnachten. Op 31/04/2059 (16 augustus 2002) vertrok Nanda Bahadur Khatka gezond en wel uit uw hotel. Op 2/05/2059 (18 augustus 2002) werd hij echter gedood door militairen die de dag voordien in uw hotel een drankje hadden genuttigd. Maobadi-leden verdachten u er dan ook van informatie aan de militairen te hebben doorgegeven. Ze kwamen namelijk 10 à 12 dagen later naar uw hotel en bedreigden uw echtgenote. U verbleef op dat moment echter in Beni. Sindsdien verbleef u meestal in Beni uit angst voor Maobadi. Op 20/05/2060 (6 september 2003) werd een bomaanslag gepleegd op het huis van Rudra Bahadur gelegen in Ghatan. Deze persoon was voorzitter van de ‘National Democratic Party’ in het district Myagdi en zetelde in het parlement. Op 21/05/2060 (7 september 2003) kwamen een 40 à 50-tal militairen naar het hotel en hielden een huiszoeking. In de kamer voorzien voor Maobadi-leden vonden ze een tas, papieren, bommen, ... Vervolgens werd u meegenomen naar het politiekantoor van Beni. U werd er beledigd en ondervraagd over Maobadi-leden. Na 15 dagen werd u vrijgelaten na een document te hebben ondertekend waarin u beloofde verdere informatie over Maobadi te verstrekken in de toekomst. Op 12/06/2060 (29 september 2003) werd er opnieuw een bomaanslag gepleegd op het huis van Rudra Bahadur maar dit keer op zijn huis gelegen in Beni, wat dichtbij uw huis was gelegen. De volgende dag ging u op bezoek bij uw vriend Naresh eveneens woonachtig in Beni. U zag hoe militairen uw huis doorzochten. U vermoedt dat u werd gezocht omwille van die bomaanslag. Diezelfde dag namelijk op 13/06/2060 (30 september 2003) bracht de politie van Myagdi bij u thuis een arrestatiebevel. Uw vriend vernam dit. U bleef bij hem tot 20/06/2060 (7 oktober 2003). Vervolgens reisde u door naar Birgans om er bij uw vriend Hari Bhital te verblijven. Op 11/07/2060 (28 oktober 2003) verliet u vervolgens Nepal om via Sri Lanka richting België te reizen. U vroeg hier asiel aan op 26 november
  3. B. Motivering Er dient te worden vastgesteld dat u in de loop van uw asielprocedure tegenstrijdige en ongerijmde verklaringen heeft afgelegd, waardoor de geloofwaardigheid van uw beweringen en de oprechtheid van uw asielrelaas volledig wordt ondermijnd. Zo zijn uw verklaringen met betrekking tot de bomaanslagen en uw persoonlijke gevolgen (gezocht door de Nepalese autoriteiten) tegenstrijdig. Gezien deze gebeurtenissen de directe aanleiding van uw vertrek vormden, kan verwacht worden dat u daarover consistente verklaringen aflegt. XIV-18.830-2/9 Zo vertelde u op de dienst Vreemdelingenzaken dat u na de eerste bomaanslag (20/1/2060) door de Nepalese politie werd gearresteerd in uw huis in Beni (zie gehoorverslag DVZ, vraag 42). U verklaarde daarbij uitdrukkelijk dat u niet in uw hotel was toen de politie de dag dat de eerste bomaanslag plaatsvond (20/05/2060) naar uw hotel in Mallaj kwam. U verklaarde wel dat de dag nadat de bomaanslag plaatsvond, de politie in uw huis in Beni kwam, waar u wel aanwezig was met uw arrestatie tot gevolg (zie gehoorverslag DVZ, vraag 42). Op het commissariaat-generaal beweerde u daarentegen na deze eerste bomaanslag door de Nepalese politie gearresteerd te zijn in uw hotel in Mallaj (zie gehoorverslag CGVS, p 10, 18). In tegenstelling tot op de dienst Vreemdelingenzaken vermeldde u niet dat de politie ook uw huis in Beni had opgezocht. Voorts zei u op de dienst Vreemdelingenzaken dat de politie tijdens een huiszoeking een Maobadi-document in het hotel vond (zie gehoorverslag DVZ, vraag 42), terwijl u op het commissariaat-generaal aanhaalde dat ze naast meer dan één document ook tassen en bommen vonden (zie gehoorverslag CGVS, p 11). Verder beweerde u op de dienst Vreemdelingenzaken dat de politie bij u thuis in Beni binnenviel op dezelfde dag dat de tweede bomaanslag plaatsvond (12/06/2060) (zie gehoorverslag DVZ, vraag 42). Op het commissariaat-generaal zei u echter dat ze pas nadat de bomaanslag plaatsvond waren langs geweest (zie gehoorverslag CGVS, p 16). Bovenstaande inconsistente verklaringen brengen uw relaas dan ook in een bedrieglijk daglicht. Tijdens het gehoor op het commissariaat-generaal werd u gewezen op deze tegenstrijdige verklaringen (zie gehoorverslag CGVS, p 18). Hierop verklaarde u dat u dergelijke verklaringen op de dienst Vreemdelingenzaken niet afgelegd hebt en dat u nog fouten hebt vastgesteld. Die verklaring kan niet als een afdoende uitleg worden beschouwd, omdat blijkt dat u de door u op de dienst Vreemdelingenzaken afgelegde verklaringen voor akkoord ondertekend heeft en omdat u geen enkel element aanbrengt waaruit blijkt dat de door u op de dienst Vreemdelingenzaken afgelegde verklaringen in het verslag verkeerd weergegeven zijn. Tot slot bent u in het bezit van een kopie van uw citizenshipkaart en een origineel document dat aantoont dat u en uw echtgenote het hotel runnen.. Deze documenten wijzigen echter bovenstaande appreciatie niet daar zij enkel uw identiteit en beroep aantekenen wat hier niet ter discussie staat. Verder bent u nog in het bezit van een kopie van een arrestatiebevel. Dit document wijzigt evenmin bovenstaande appreciatie. U vermeldde namelijk niet op de dienst Vreemdelingenzaken dat een arrestatiebevel werd uitgevaardigd. Nochtans was u toen reeds op de hoogte ervan. Wanneer u werd gevraagd op het commissariaat-generaal waarom u dit niet vermeldde zei u dat het u niet werd gevraagd wat echter geen afdoende verklaring is om dit belangrijke aspect van uw relaas niet te vermelden op de dienst Vreemdelingenzaken (zie gehoorverslag CGVS, p 17). Dit ondermijnt aldus andermaal de geloofwaardigheid van uw relaas. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993; artikel 17, par. 2, al. 2).”; 2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Enig middel tot nietigverklaring Schending van artikel 49 en 52 van de wet van 15.12.1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, artikel 2 en 3 van de wet van 29.07.1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel dat elke overheidsbeslissing op juiste en pertinente motieven moet zijn gesteund. Schending van de Conventie van Genève van 28/7/1951 in samenhang met de schending van artikel 3 EVRM. Algemeen De bestreden beslissing verwerpt het dringend beroep van verzoeker en bevestigt de weigering van verblijf. XIV-18.830-3/9 Diverse motieven worden aangehaald om de beslissing te verantwoorden. Overeenkomstig de aangehaalde bepalingen kan het verblijf op het Belgisch grondgebied van de vreemdelingen die zich vluchteling verklaart, geweigerd worden wanneer de aanvraag bedrieglijk is, of wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen. De beslissing tot weigering van verblijf moet uitdrukkelijk worden gemotiveerd en de motivering moet steunen op afdoende juridische en feitelijke overwegingen. De overwegingen op zich moeten tevens steunen op juiste feiten en op een zorgvuldige analyse van de verklaringen. Minstens moeten de verklaringen van de betrokkene op een redelijke wijze aan elkaar worden getoetst. Zoals hierna nader zal worden toegelicht, is de bestreden beslissing gesteund op een onredelijke beoordeling van hun verklaringen. Het besluit dat uit hun verklaringen dient te worden afgeleid dat hun verklaring kennelijk ongegrond is, is niet op juiste gegevens of op pertinente motieven gesteund. Dit geldt a fortiori voor het besluit dat verzoekers geen gegevens aanbrengt dat er, wat hun betreft, ernstige aanwijzingen zouden bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Toepassing in casu Op basis van de elementen van het dossier bevestigt de commissaris-generaal de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij aan verzoeker het verblijf op het grondgebied wordt geweigerd. Steunend op art. 52 van de vreemdelingenwet stelt de commissaris-generaal dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is. Verzoeker dient dit echter ten stelligste te betwisten. Volgens de commissaris-generaal dient er te worden vastgesteld dat verzoeker in de loop van de asielprocedure tegenstrijdige en ongerijmde verklaringen heeft afgelegd, waardoor de geloofwaardigheid van zijn beweringen en de oprechtheid van zijn asielrelaas volledig wordt ondermijnd. De commissaris-generaal haalt vervolgens enkele zogenaamde tegenstrijdigheden aan die het Vluchtelingenrelaas van verzoeker in een bedrieglijk daglicht brengen. Deze tegenstrijdigheden zijn echter totaal niet van die aard om aan de geloofwaardigheid en de oprechtheid van het vluchtelingenrelaas van verzoeker te twijfelen. Bovendien is het zo dat verzoeker aan de commissaris-generaal reeds meedeelde dat de tegenstrijdige verklaringen te wijten zijn aan misverstanden en een slechte communicatie bij de dienst Vreemdelingenzaken. Het staat vast dat verzoeker na de eerste bomaanslag gearresteerd is geworden, en dat ze in zijn hotel bezwarend materiaal van Maobadi gevonden hebben. Ten bewijze hiervan brengt verzoeker overigens een arrestatiebevel bij. Dit bevel bewijst duidelijk dat de autoriteiten verzoeker zochten in verband met de bomaanslagen op Rudra Bahadur. De commissaris-generaal verwijt verzoeker dat hij dit arrestatiebevel niet bijbracht bij de dienst vreemdelingenzaken. Verzoeker had dit niet gedaan om de eenvoudige reden dat er hem niets was gevraagd en hij niet op de hoogte was van het feit dat hij documenten kon afgeven, omdat hij in een voor hem totaal onbekende procedure was terechtgekomen. Bovendien brengt verzoeker eveneens een citizenshipkaart en een document dat aantoont dat hij en zijn echtgenote een hotel runnen bij. Met al deze elementen houdt de commissaris-generaal geen rekening. Hij beperkt zich enkel tot het vaststellen van enkele tegenstrijdigheden, en tot het vaststellen van de niet relevantie van de door verzoeker bijgebrachte bewijsmiddelen. Nochtans toont het arrestatiebevel, waarvan de echtheid door de commissaris-generaal niet betwist wordt, aan dat verzoeker werkelijk door de autoriteiten gezocht wordt. De commissaris-generaal houdt volledig ten onrechte geen rekening met dit overweldigend bewijsmateriaal. De beslissing van de commissaris-generaal is dan ook niet afdoende gemotiveerd. Verzoeker meent tenslotte dat de bestreden beslissing in strijd is met de Conventie van Genève van 28.07.1951 en dit in samenhang met artikel 3 van het EVRM. Verzoeker voldoet immers aan alle voorwaarden van art. 1, A, 2 van de Conventie van Genève van
  5. A. Verzoeker bevindt zich buiten het land van herkomst. Verzoeker heeft zijn land van herkomst verlaten en is naar België gekomen. Verzoeker heeft in België asiel aangevraagd. Over deze eerste toepassingsvoorwaarde kan er dan ook geen enkele betwisting bestaan. B. Ernstige vrees voor vervolging. Verzoeker wordt gezocht door de autoriteiten. Verzoeker brengt hiervan bewijs bij door middel van een arrestatiebevel dat tegen hem is uitgevaardigd. XIV-18.830-4/9 Verzoeker wordt gezocht door de autoriteiten, omdat hij ervan verdacht wordt deel uit te maken van de Maobadi. Dit omdat de Maobadi een kamer opeisen in zijn hotel en er daar na de bomaanslag bezwarend materiaal werd gevonden. Verder moet verzoeker eveneens vervolging vrezen vanwege Maobadi leden. Deze verdenken hem er nu immers van hen verraden te hebben en met de autoriteiten meegewerkt te hebben. Verzoeker zit als het ware tussen twee vuren. C. Omwille van ras, religie, nationaliteit, behorend tot een sociale groep of politieke overtuiging. Verzoeker wordt gezocht door de autoriteiten omdat ze hem ervan verdenken met Maobadi rebellen mee te werken. Verzoeker wordt heeft bijgevolg ernstige vrees voor vervolging omwille van politieke overtuiging. D. De bescherming van het land van herkomst niet kunnen of willen inroepen. Het is nogal evident dat verzoeker de bescherming van zijn land van herkomst niet kan inroepen, aangezien hij precies door de autoriteiten aldaar gezocht wordt. Uit al het voorgaande moge dan ook duidelijk zijn dat ingeval van een gedwongen terugkeer naar Nepal, de schending van artikel 3 EVRM in hoofde van verzoeker een feit zal zijn. Uit al het voorgaande blijkt immers dat de veiligheid van verzoeker bij een terugkeer naar Nepal niet kan worden gewaarborgd. Op basis van alle voorgaande gegevens is verzoeker dan ook van oordeel dat hij wel degelijk in aanmerking komt om als politiek vluchteling te worden erkend, en dit omdat hij voldoet aan de toepassingsvoorwaarde van art. 1, A, 2 van de Conventie van Genève van 1951; daar komt nog bij dat ingeval van een gedwongen terugkeer naar Nepal, een schending van artikel 3 EVRM in hoofde van verzoeker zeer reëel is. Conclusie De bestreden beslissingen tonen niet aan de hand van pertinente en in feite juiste overwegingen aan dat verzoeker een verklaring hebben afgelegd waaruit kan worden afgeleid dat zijn aanvraag ongegrond zou zijn. In casu heeft verzoeker van bij het verhoor op de Vreemdelingendienst een precies, gedetailleerd en omstandig verhaal gedaan aangaande de gebeurtenissen die hem ertoe hebben gebracht zijn land te ontvluchten. Hij heeft dergelijk verhaal herhaald in beroep. Er is gebleken dat hun verhaal samenhangend is en dat hun verklaringen standvastig zijn gebleven. Eventuele tegenstrijdigheden zijn zeer miniem en enkel te wijten aan communicatiestoornissen op de dienst Vreemdelingenzaken. De aangevochten beslissingen beantwoorden dan ook niet aan de vereiste van de uitdrukkelijke motivering zoals opgelegd door de wet. Het enige middel is bijgevolg gegrond.”; 2.
  6. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord het volgende stelt: “Enig middel: schending van artikel 49 en 52 van de Vreemdelingenwet, artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het zorgvuldigheidsbeginsel, het beginsel dat elke overheidsbeslissing op juiste en pertinente motieven moet zijn gesteund en een schending van de Conventie van Genève in samenhang met een schending van artikel 3 van het EVRM. Verzoeker meent dat de tegenstrijdigheden niet van die aard zijn om aan de geloofwaardigheid en de oprechtheid van het asielrelaas te twijfelen. Verzoeker meent dat de tegenstrijdigheden te wijten zijn aan misverstanden en slechte communicatie bij de dienst Vreemdelingenzaken. Verweerder merkt vooreerst op dat de Conventie van Genève aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag. Van deze bevoegdheid werd door de Belgische wetgever gebruik gemaakt via artikel 52 van de Vreemdelingenwet. Artikel 52 van de Vreemdelingenwet biedt de commissaris-generaal de mogelijkheid een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de minister te bevestigen. Eén van de onontvankelijkheidsgronden is de ‘bedrieglijkheid’ (artikel 52, paragraaf 1, 2de a van de Vreemdelingenwet, waarnaar artikel 52, paragraaf 2, 2de van de Vreemdelingenwet verwijst). Zo kan het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag afgeleid worden uit de tegenstrijdigheid van diverse verklaringen afgelegd door de kandidaat-vluchteling (zie arr. nr. 85.078 van 3 februari 2000). Alle in de aangevochten beslissing opgesomde tegenstrijdigheden vinden hun grondslag in het administratief dossier en hebben geen betrekking op details, maar op feiten die rechtstreeks aanleiding hebben gegeven tot het vertrek uit het land van herkomst. Voorts XIV-18.830-5/9 antwoordt verweerder dat de commissaris-generaal in zijn beslissing terecht stelde dat deze verklaring niet kan weerhouden worden gezien verzoeker op de dienst Vreemdelingenzaken zijn verklaringen ondertekende voor akkoord, nadat deze aan hem voorgelezen werden. Verzoeker werpt op dat geen rekening werd gehouden met het arrestatiebevel, zijn citizenshipkaart en het document dat aantoont dat hij en zijn echtgenote een hotel runnen. Aangaande het feit dat verzoeker het arrestatiebevel niet neerlegde op de dienst Vreemdelingenzaken, merkt hij op dat dit hem niet werd gevraagd. Verweerder stelt vast dat wel degelijk rekening gehouden werd met deze documenten in de bestreden beslissing. Omtrent de citizenshipkaart en het document betreffende het hotel werd gemotiveerd dat deze documenten de beslissing niet in positieve zin kunnen wijzigen, gezien deze documenten enkel gegevens aanbrengen omtrent de identiteit en het beroep van verzoeker. Deze documenten herstellen de geloofwaardigheid van verzoekers asielrelaas geenszins. Ook het arrestatiebevel wijzigt de appreciatie van de commissaris-generaal niet. Vooreerst werden verschillende ernstige tegenstrijdigheden vastgesteld tussen de opeenvolgende verklaringen van verzoeker. Daarnaast ondermijnt het feit dat verzoeker op de dienst Vreemdelingenzaken zelf niet vertelde dat er een arrestatiebevel tegen hem werd uitgevaardigd verder de geloofwaardigheid van het asielrelaas van verzoeker. De Raad van State aanvaardde bovendien reeds vroeger dat het niet vermelden van bepaalde gebeurtenissen tijdens het voorgaand interview als motief wordt gebruikt in de bevestigende beslissing van weigering van verblijf op voorwaarde dat de feiten dewelke tijdens een voorgaand interview niet werden gemeld, ernstig zijn (R.v.St. nr. 98.792 van 25 september 2000). Van een kandidaat-vluchteling mag immers worden verwacht dat hij van in het begin van zijn asielprocedure de essentiële elementen van zijn asielrelaas op een correcte en coherente wijze aanbrengt, in het bijzonder de elementen die de directe aanleiding van zijn vlucht zijn geweest. Verzoeker meent dat de beslissing in strijd is met de Conventie van Genève van 28 juli 1951, gezien verzoeker wel degelijk voldoet aan de voorwaarden van dit verdrag. Verweerder werpt op dat in de bevestigende beslissing van weigering van verblijf omstandig werd gemotiveerd waarom de asielaanvraag van verzoeker niet voldoet aan de criteria van de Vluchtelingenconventie. Zijn asielmotieven werden immers bedrieglijk bevonden waardoor er geen enkel geloof kan worden gehecht aan zijn beweerde problemen. Verzoeker brengt in zijn verzoekschrift geen nieuwe elementen aan die zijn asielaanvraag in een ander daglicht plaatsen. Verweerder ziet verder niet in hoe de bestreden beslissing artikel 49 van de vreemdelingenwet zou hebben kunnen schenden. Dit artikel bepaalt immers welke vreemdelingen als vluchteling worden beschouwd in de zin van de vreemdelingenwet en kent aan de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling bepaalde verblijfsrechtelijke gevolgen toe. Deze vraag was evenwel op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing nog niet aan de orde. Met betrekking tot de door verzoeker opgeworpen schending van artikel 3 EVRM merkt verweerder op dat de verantwoordelijkheid van de Belgische Staat voor verdragschendingen door een derde staat enkel in het gedrang kan komen indien met concrete elementen de waarschijnlijkheid van schendingen komt vast te staan. In de bestreden beslissingen werd duidelijk vastgesteld dat de asiemotieven van verzoeker bedrieglijk zijn. Er zijn bijgevolg geen ernstige aanwijzingen dat verzoeker een gegronde vrees voor vervolging koestert. Ook in de ontwikkeling van zijn middel brengt verzoeker geen objectieve elementen aan die wijzen op een reëel risico op foltering of onmenselijke en vernederende behandeling of de niet bescherming van het recht op leven. Verweerder merkt trouwens op dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens een hoge bewijslast oplegt ten aanzien van personen die zich willen beroepen op artikel 3 van het EVRM (arrest EHRM, Soering versus Verenigd Koninkrijk van 7 juli 1989, EHRM, 1989, 439, §91). Verzoekers stelling dat niet zorgvuldig te werk zou zijn gegaan, kan evenmin weerhouden worden. Verweerder wenst op te merken dat het zorgvuldigheidsbeginsel hem oplegt zijn beslissingen op een zorgvuldige wijze voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker werd geconvoceerd voor een interview op het commissariaat-generaal. Tijdens het interview kreeg hij de mogelijkheid zijn asielmotieven uiteen te zetten, kon hij nieuwe en/of aanvullende stukken neerleggen en werd hij bijgestaan door een raadsman, dit alles in aanwezigheid van een tolk die zijn taal machtig is. Verweerder steunde zich bij het nemen van de bestreden beslissing op alle stukken vervat in het administratief dossier en kwam tot de conclusie, om de redenen die duidelijk in de bestreden beslissing werden vermeld, dat verzoekers asielaanvraag onontvankelijk was. Verweerder besluit dat de bestreden beslissing wordt gedragen door in feite en in rechte aanvaardbare motieven en afdoende gemotiveerd is. Een schending van de motiveringsplicht kan niet worden vastgesteld. Het eerste en enige middel is niet gegrond.”; XIV-18.830-6/9 2.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord verwijst naar het inleidend verzoekschrift; 2.
  8. Overwegende dat de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vereist dat de rechtsonderhorige in de hem aanbelangende beslissing kan lezen op welke gronden die beslissing is gesteund, zodat hij met kennis van zaken kan oordelen of het zinvol is gebruik te maken van de rechtsmiddelen waarover hij in rechte beschikt; dat die gronden op eenvoudige wijze in de bestreden beslissing kunnen worden gelezen, namelijk het feit dat de verzoekende partij tegenstrijdige en ongerijmde verklaringen heeft afgelegd en dat zij het bestaan van een aan haar gericht arrestatiebevel onvermeld liet op de dienst Vreemdelingenzaken; dat daarmee aan de voornaamste vereiste van de formele motiveringsplicht is voldaan en dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de commissaris-generaal in de bestreden beslissing diverse tegenstrijdigheden en ongerijmdheden vaststelt in de opeenvolgende verklaringen van de verzoekende partij; dat de verzoekende partij de vastgestelde tegenstrijdigheden tracht te minimaliseren of toe te schrijven aan “misverstanden en slechte communicatie op de dienst Vreemdelingenzaken”, doch geen enkele poging onderneemt om op concrete wijze de tegenstrijdigheden te weerleggen, alhoewel deze de bestreden beslissing kunnen dragen; dat haar argument dat de ondervrager op de dienst Vreemdelingenzaken haar over het arrestatiebevel niets heeft gevraagd en dat zij in een haar “totaal onbekende procedure” was terechtgekomen, niet kan worden bijgetreden, gelet op het feit dat zij op de dienst Vreemdelingenzaken herhaaldelijk heeft verwezen naar haar arrestaties en dat deze klaarblijkelijk samenhangen met het zogenaamd “overweldigend bewijsmateriaal”; dat de verzoekende partij eraan voorbijgaat dat zij het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken, na voorlezing, zonder voorbehoud heeft ondertekend en dat op haar de plicht rust om zelf haar verhaal zo gedetailleerd mogelijk weer te geven; dat voorts de verzoekende partij de tegenstrijdigheid omtrent de tweede bomaanslag, die de directe aanleiding was voor het uitvaardigen van het kwestieuze arrestatiebevel, niet weerlegt, zodat haar verklaringen daaromtrent bedrieglijk blijven; dat zij derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke XIV-18.830-7/9 gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen is gegeven, heeft genomen; dat daarmee evenmin een schending van artikel 48 van de Vreemdelingenwet aannemelijk wordt gemaakt; dat het enige middel ook in die mate ongegrond is; Overwegende dat van een schending van artikel 3 van het E.V.R.M. slechts sprake kan zijn wanneer blijkt dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn waaruit kan worden afgeleid dat er bij het terugleiden naar het land van herkomst een ernstig en reëel risico bestaat op onmenselijke of vernederende bestraffing; dat de verzoekende partij met de algemene bevestiging van haar eigen standpunt dienaangaande in gebreke blijft bewijzen en concrete gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat de verwijdering van het grondgebied van het Rijk ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het bestreden bevel, een onmenselijke behandeling in de zin van artikel 3 van het E.V.R.M. zou uitmaken; dat dit des te meer klemt nu uit het voorgaande blijkt dat de motivering van de bestreden beslissing, waarbij het asielrelaas van de verzoekende partij volstrekt ongeloofwaardig is bevonden, niet onwettig is; dat het middel ook in die mate ongegrond is;
  9. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  10. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig februari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, XIV-18.830-8/9 M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-18.830-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.064 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.