← België

Arrest 141071 - - 23/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.071 Rolnummer: A. 148763/XIV-18944 Zaak: Arrest 141071 - - 23/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-17 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 08:01 Fiche Arrest nr 141.071 van 23 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.071 van 23 februari 2005 in de zaak A. 148.763/XIV-18.

  1. In zake : XXX, wonende te 3800 SINT-TRUIDEN, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Indische nationaliteit, op 12 maart 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 februari 2004 tot weigering van regularisatie; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 3 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 februari 2005; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-18.944-1/6 Gehoord de opmerkingen van Advocaat K. VANBINST die, loco Advocaat M. SAMPERMANS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Indische nationaliteit, heeft op 21 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2,4/. 1.
  4. De nota van het secretariaat van de Commissie voor regularisatie dateert van 17 juli
  5. 1.
  6. Verzoekers regularisatiedossier wordt blijkbaar in 2001 voor onderzoek ter beschikking gesteld van de Gerechtelijke Dienst Arrondissement Hasselt van de Federale Politie. Het dossier van verzoeker wordt op 14 maart 2003 terug ter beschikking gesteld van de Commissie voor regularisatie. 1.
  7. Verzoeker is door de Commissie voor regularisatie op 12 juni 2003, bijgestaan door een raadsman, gehoord. 1.
  8. De Kamer van de Commissie voor regularisatie heeft op 2 juli 2003 een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag van verzoeker. Dit advies bevat de volgende overwegingen: “Gelet op de beschikking van de Vice-Eerste Voorzitter van de Commissie voor Regularisatie d.d. 21 mei 2003 waarbij het dossier voor de aanvraag tot regularisatie ingediend door de verzoeker werd toegewezen aan deze kamer voor de zitting van 12 juni
  9. De regularisatie werd aangevraagd op grond van humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen (artikel 2.4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk). XIV-18.944-2/6 De verzoeker, die tijdig en behoorlijk werd opgeroepen, verscheen in persoon, bijgestaan door zijn raadsman, Mter. M. Samperman, advocaat te Hasselt, en Mw. M. Shakti, tolk, die de wettelijk voorgeschreven eed heeft afgelegd, ter zitting van 13 juni
  10. Gelet op het dossier van het secretariaat van de griffie en de stukken van de verzoeker. Het D.V.Z.-dossier van de aanvrager was niet voorradig de dag van de zitting van de commissie, noch kon het voordien ingekeken worden. Uit de stukken blijkt dat de verzoeker op 1 oktober 1999 op het Belgisch grondgebied verbleef. Het dossier toont aan dat bij de aanvraag de bij de wet voorziene stukken werden bijgevoegd. De aanvraag is echter onvolledig. Zo blijkt uit het onderhoud ter zitting dat de aanvrager drie kinderen heeft die hij echter niet heeft vermeld op zijn aanvraag. Naar de correcte reden (bedrog of andere) hiervan heeft de Commissie het raden. De aanvraag werd echter niet voor het sluiten van de zitting van 13 juni 2003 vervolledigd. De verzoeker kon geen juiste geboortedatum van zijn kinderen opgeven, enkel het jaartal. Ook de naam en geboortedatum, geboorteplaats en nationaliteit van zijn echtgenote werd niet ingevuld. Er wordt vastgesteld dat de verzoeker enkel sinds 1997 tot op heden onafgebroken in België verbleef. Hij toont geen humanitaire redenen aan en evenmin dat hij voldoende duurzame sociale bindingen heeft ontwikkeld in ons land. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de verzoeker: - niet langdurig in het Rijk verbleef en dat dit verblijf evenmin "relevant" is in de zin van artikel 9.9/ van de wet van 22 december 1999; - behoorlijk Nederlands verstaat en spreekt; - pas op 20 december 2001 een aanvraag voor een voorlopige arbeidsvergunning heeft aangevraagd, waar dit reeds kon vanaf april 2000; - zijn tewerkstelling en plukkaart dateert van 2001; het betrof geen volledige tewerkstelling (zie loonbrieven Timpak BVBA); in 1999 werkte hij 23 dagen, in 2000 31 dagen volgens de individuele rekeningen van de BVBA Difructa; - zich niet bij de V.D.A.B. liet inschrijven en geen bewijzen voorlegt van werk zoeken in een andere bedrijfstak dan de fruitsector en de verpakking ervan; - naar België kwam maar hier geen familie heeft, terwijl zijn gezin en kinderen verder in India verblijven; - 10 zittingen van 3 uren bromfie(r)tsmechaniek volgde, doch hiermee blijkbaar niets aanvangt. - geen deel uitmaakt van een vereniging (uitgezonderd de Sikh tempel) of groepering, wat zijn wil tot integratie in het gemeenschapsleven zou aantonen; alleen bezocht hij de Gurdwara Sangat Sahib Belgium van wie de voorzitter trouwens een verklaring aflegt. Hierbij valt op dat de datum van verblijf (vanaf 1996) werd overschreven. De woordvoerder van de V.Z.W. Gurdwara, Peter Van Lindt, verklaart echter dat hij sedert 1995 onafgebroken in België heeft verbleven; van een onafgebroken verblijf in België is er echter geen sprake (zie verder); - een beslissing tot weigering van verblijf werd betekend met bevel om het grondgebied te verlaten op 3 juni 1997 en 18 augustus 1999; De verklaringen van onafgebroken verblijf sinds 1995 of 1996 zijn duidelijk vals daar de aanvrager zelf verklaarde dat hij in 1995, 1996 en 1997 nog in India verbleef en pas in België is toegekomen op 21 mei 1997 (bijlage bij stuk 02: bijlage 26 bis; stuk 1 nieuwe inventaris is zelfde stuk). De aanvrager heeft dus bedrog gepleegd door het aanwenden en gebruik van duidelijk valse verklaringen die hij gevoegd heeft bij zijn regularisatieaanvraag. Ook de andere verklaringen die aanhalen dat de verzoeker hier was voor 1997 stroken derhalve niet met de eigen verklaringen van de verzoeker. In elk geval wordt geen ononderbroken verblijf aangetoond vanaf 1995 of
  11. Hij kan niet sinds 1995 ononderbroken in België verbleven hebben gezien hij in het jaar 1996 in India hulp heeft verleend aan Jarnail Singh die gezocht werd door de Indiase Politie. Uit stuk 23 van het dossier volgt dat de verzoeker pas vanaf 23 mei 1997 in België gekend is. Alleen deze datum kan in aanmerking genomen worden. Al de attesten betreffende de tewerkstelling en het volgen van lessen dateren van na 21 januari
  12. De eerste controleerbare bewijsstukken en officiële gegevens (beslissingen i.v.m. verblijf, huur, bankgegevens ...) dateren vanaf
  13. XIV-18.944-3/6 De termijn van zes jaar is niet bereikt. De Commissie kan niet vaststellen dat de verzoeker zich echt in de Belgische samenleving heeft willen inschakelen en daartoe echt de nodige bereidheid aan de dag legde en dit ook aantoonde. Voor het bestaan van in dit land opgebouwde duurzame sociale bindingen of de aanwezigheid van humanitaire redenen in zijn hoofde en reeds bestaande voorafgaand aan het indienen van zijn verzoek tot regularisatie kan door de Commissie geen overtuigende elementen worden teruggevonden. De elementen ingediend van na einde januari 2000 overtuigen de Commissie evenmin hoewel er infeite enkel rekening kan gehouden worden met de situatie zoals deze bestond eind januari 2000 teneinde te vermijden dat de regularisatieaanvragers die hun aanvraag onmiddellijk behandeld zagen ongelijk zouden behandeld worden in vergelijking met diegenen zoals de huidige verzoeker die door omstandigheden een bijkomende termijn kregen en pas medio 2003 voor de Commissie dienden te verschijnen. Aldus werden zij immers in de gelegenheid gesteld zich verder te bekwamen in het Nederlands en bijkomende argumenten in te roepen. Overwegende dat nu de sociale bindingen en humanitaire redenen niet of onvoldoende worden bewezen, de aanvraag op grond van artikel 2.4/ van de wet van 22 december 1999 niet tot een gunstig advies aanleiding kan geven.”. 1.
  14. De raadsman van verzoeker heeft op 28 november 2003 een schrijven met bijkomende stukken gericht aan de Minister van Binnenlandse Zaken waarin hij zijn bezwaren op het advies van de Commissie voor regularisatie uiteenzet. 1.
  15. Op 9 februari 2002 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Commissie voor regularisatie. Dit is de bestreden beslissing: “(...) De Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft mij, overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, gevat met een ongunstig advies voor beslissing inzake uw aanvraag tot regularisatie, door U ingediend bij de Burgemeester te SINT-TRUIDEN, op 21/01/2000 en dat het nummer 38002000012100117 draagt. Ik heb beslist dit advies, waarvan ik de overwegingen onderschrijf en als de mijne overneem, en waarvan U in bijlage een kopie vindt, te volgen. (...).”.
  16. Over de gegrondheid van het beroep. 2.
  17. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Het annulatieberoep is gegrondvest op een schending van de Regularisatiewet, de motiveringsplicht en een schending van het algemene principe “le criminel tient le civil en état”. De bestreden beslissing motiveert als volgt: “De verklaringen van onafgebroken verblijf sinds 1995 of 1996 zijn duidelijk vals daar de aanvrager zelf verklaarde dat hij in 1995, 1996 en 1997 nog in India verbleef en pas in België is toegekomen op 21 mei 1997...”. En even voordien: “De woordvoerder van XIV-18.944-4/6 de VZW Gurdwara, Peter Van Lindt, verklaart echter dat hij sedert 1995 onafgebroken in België heeft verbleven; ...”. Luidens de bewoordingen van de bestreden beslissing blijkt terdege dat wordt aangenomen dat er valse stukken werden gebruikt. Dat ten andere eveneens het beslag gedurende een tweetal jaar in beslag werd genomen, juist m.o.o. gerechtelijk onderzoek. Dat in het desbetreffende gerechtelijk onderzoek nog geen (eind)beslissing werd genomen, zijnde de veroordeling of vrijspraak voor gebruik van valse stukken. Dat desalniettemin de Kamer meent te kunnen oordelen over de intrinsieke waarde hiervan. Dat echter de Kamer niet de bevoegdheid heeft dewelke de wetgever exclusief heeft toegekend aan de strafgerechten. Dat de Kamer eveneens niet beschikt over een vereiste onderzoeksmacht en beslissingsbevoegdheid en zich dient te schikken naar het oordeel van de strafrechter. Dat in tegenstrijd hiermee de Kamer reeds een beslissing heeft getroffen over de waarde van welbepaalde stukken, hierbij afbreuk doend aan het algemeen principe “le criminel tient le civil en état”. Dat eveneens de Minister van Binnenlandse Zaken afbreuk doet aan dit algemene rechtsprinciep door in zijn beslissing te verwijzen naar de motivering van de Kamer. Dat eveneens de motiveringsplicht in het gedrang komt aangezien de motivering van de bestreden beslissing steunt op een onjuiste toepassing van de Regularisatiewet en steunt op een bevoegdheidsoverschrijding door de Kamer van de Commissie. Dat de Commissie voor Regularisatie bevoegd is en conform de wet verplicht is de duurzame bindingen en humanitaire redenen te onderzoeken; Dat zij op dat punt o.a. wel vaststelt dat betrokkene behoorlijk Nederlands verstaat en spreekt. Dat zodoende de bestreden beslissing dient vernietigd te worden en verzoeker zijn situatie werkelijk opnieuw dient bekeken te worden;”; 2.2.
  18. Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van “de Regularisatiewet, de motiveringsplicht” en van het algemeen principe “le criminel tient le civil en état”; 2.2.
  19. Overwegende dat uit de stukken van het administratief dossier inderdaad blijkt dat het regularisatiedossier van verzoeker door de Gerechtelijke Dienst van de Federale Politie van het Arrondissement Hasselt in 2001 in beslag werd genomen voor onderzoek naar de “VZW GURDWARA en of Peter VAN LINDT” en aan de Commissie voor regularisatie werd terugbezorgd op 14 maart 2003; dat verder uit de stukken van het administratief dossier niet blijkt dat aan dit onderzoek al enig gevolg is verbonden; dat de regularisatieprocedure, gevolgd in het kader van de Regularisatiewet, een administratieve procedure is en niet kan worden gelijkgesteld met de procedure gevolgd voor de burgerlijke rechter; dat de aanvraag tot regularisatie ingediend door verzoeker op basis van de Regularisatiewet geen burgerlijke rechtsvordering is in de zin van artikel 4 van de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering; dat derhalve de Commissie voor regularisatie en de Minister van Binnenlandse Zaken niet het onderzoek van de beslissing over de regularisatieaanvraag te dienen schorsen zolang geen definitieve beslissing door het strafgerecht is genomen naar aanleiding van het voormeld strafrechtelijk onderzoek; dat de Commissie voor regularisatie over de bevoegdheid beschikt om de door verzoeker bij zijn regularisatieaanvraag gevoegde stukken te beoordelen op hun waarheidsgehalte en zij in dit verband deze stukken kan toetsen aan de door verzoeker afgelegde verklaringen; dat verzoeker in zijn uiteenzetting niet XIV-18.944-5/6 aantoont dat de overwegingen van het advies waarbij de door hem aangebrachte stukken en zijn verklaringen worden beoordeeld, onjuist zijn; dat het enig middel niet gegrond is;
  20. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  21. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  22. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig februari tweeduizend en vijf, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-18.944-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.071 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.