← België

Arrest 141074 - - 23/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.074 Rolnummer: A. 147716/VII-31670 Zaak: Arrest 141074 - - 23/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-07 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 08:01 Fiche Arrest nr 141.074 van 23 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 141.074 van 23 februari 2005 in de zaak A. 147.716/VII-31.670 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J. HELSEN, kantoor houdende te 2640 MORTSEL, Pieter Reypenslei 25 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van XXX nationaliteit, op 17 februari 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 14 januari 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 24 november 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht per aangetekend schrijven verzonden op 19 januari 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 23 februari 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 16 december 2004 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 26 januari 2005; VII-31.670-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. LAMOOT, die, loco advocaat J. HELSEN, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij kwam België binnen op 27 oktober 2003 en verklaarde zich op 28 oktober 2003 vluchteling. 1.2. Op 24 november 2003 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 14 januari 2004 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : "A. Vluchtrelaas U, die beweert van P. origine te zijn en afkomstig van R. in de bezette P. gebieden, zou niet politiek actief zijn geweest. Op 22 juni 2003 zou er een inval bij u thuis zijn geweest van de XXX politie. Ze zouden uw broer R. zoeken die vermoedelijk politiek actief zou zijn bij de islamitische verzetsbeweging "H.". R. zou sinds 10 mei 2003 niet meer naar huis zijn gekomen. De XXX politie zou u en uw andere broer T. hebben gearresteerd en gedetineerd in de gevangenis van E. in de G. U zou op 25 september 2003 voorwaardelijk zijn vrijgelaten nadat u zou hebben ingestemd met de verzamelen en doorspelen van informatie over R. schuilplaats en politieke activiteiten aan de XXX autoriteiten. Uw vader zou u hebben bevolen het land te verlaten. Uit vrees voor arrestatie en detentie door de XXX autoriteiten zou u op 29 september 2003 op clandestiene wijze via een ondergrondse tunnel in R. zijn binnengereisd. Vervolgens zou VII-31.670-2/7 u vanuit de luchthaven van C. met een vals E. paspoort naar Europees land zijn gevlogen en verder per trein naar België zijn afgereisd voor asiel. B. Motivering Er dient opgemerkt dat er getwijfeld kan worden aan uw beweerde P. origine en afkomst uit R. in de bezette P. gebieden. Zo blijkt uit het verslag van de Federale Politie van 19 december 2003 toegevoegd aan het administratief dossier dat uw voorgelegde P. identiteitskaart een manifeste vervalsing is. Bovengaande vaststelling stelt uw beweerde identiteit in een bedrieglijk daglicht. Dient verder aangestipt dat u verklaarde dat de J. kolonies N. en K. in R. gelegen zijn (zie gehoorverslag CGVS, p. 3). Uit informatie waarover het CGVS beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier is gevoegd blijkt dat N. in het district G. en K. in het district D. zijn gesitueerd. Verder verklaarde u dat er sinds de uitbraak van de laatste "intifadah" (P. volksopstand) in 28 september 2000 geen sprake is van aanwezigheid van XXX checkpoints in R. en dat P. zonder problemen in en en uit R. kunnen reizen (zie gehoorverslag CGVS, p.5, p. 6). Uit informatie waarover het CGVS beschikt en waarvan een kopie in het administratief dossier is gevoegd blijkt dat er in R. drie belangrijke XXX checkpoints zijn, nl. grenspost R. aan de internationale grens met E., grenspost a. voor vrachtvervoer en de checkpoint aan het strand op de kustweg van A. naar D. Sinds de uitbraak van de laatste "intifadah" was de grenspost R. tussen januari 2001 en september 2001 voor 67 procent van de tijd volledig afgesloten voor personenverkeer. Voor goederen en commerciële transporten was dit voor 72,4 procent van de tijd afgesloten. Daarnaast zijn er geregeld verscheidene tijdelijke checkpoints of roadblocks, meestal op invalswegen van joodse kolonies alsook op de belangrijkste weg tussen het noorden en zuiden van de G. die de bewegingsvrijheid van P. ernstig beperkt. Verder verklaarde u dat de S. ook na de laatste "intifadah" zonder problemen gebruikt wordt door P. om van de G. naar de W. in en uit te reizen (zie gehoorverslag CGVS, p. 6, p. 6 bis). Uit diezelfde informatie van het CGVS blijkt dat de S. sinds de uitbraak van de laatste "intifadah" zo goed als volledig afgesloten is voor P. voor in- en uitreis van de G. naar de W. Tot slot verklaarde u dat de P. autoriteiten de grenscontrolebevoegdheid hebben aan de E. grens (zie gehoorverslag CGVS, p. 8, p. 8 bis). Uit diezelfde informatie van het CGVS waarvan een kopie in het administratief dossier is gevoegd blijkt dat er geen sprake is van P. grensautoriteiten aan de E. grens. De XXX autoriteiten hebben er de volledige grenscontrolebevoegdheid. Bovengaande bedrieglijke verklaringen zijn zo flagrant dat er geen verder geloof meer kan gehecht worden aan uw beweerde P. origine en afkomst uit de bezette P. gebieden. Hierdoor kan er evenmin geloof worden gehecht aan uw asielrelaas. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2).". Dit is de bestreden beslissing. 2.1. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel uiteenzet als volgt: VII-31.670-3/7 "Aangezien artikel 52, 2/

  1. a)stelt dat de minister of diens gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die het rijk probeert binnen te komen zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en die aan de grens vraagt om als dusdanig erkend te worden, de toegang tot 's lands grondgebied wordt geweigerd en dat die vreemdeling dientengevolge door de met de grenscontrole belaste overheden zal worden teruggedreven wanneer de aanvraag klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is; Dat de bedrieglijkheid van de aanvraag van verzoeker wordt afgeleid uit enkele tegenstrijdigheden die zouden zijn opgedoken tussen de informatie die het Commissariaat-generaal heeft verzameld en de informatie die verzoeker gaf, Dat daarenboven zou blijken dat zijn paspoort vals is; Dat verzoeker slechts kan bevestigen dat zijn paspoort niet vals is, doch dat bij geen kennis had, noch heeft kunnen nemen van het onderzoek dat door de politie is gebeurd. Dat uiteindelijk blijkt dat de gemachtigde verzoeker misbegrepen heeft; Dat hij verklaarde dat de J. kolonies in de bezette gebieden waren gelegen, zonder te specificeren waar. Dat verzoeker bovendien verklaarde dat voor de intifada er geen roadblocks waren, doch niet daarna. Dat dit zelfs kennis is die ook door iemand gekend is die geen P. is. Dat dit zelfs zo evident is dat het onmogelijk is dat verzoeker hierover zou liegen. Dat verzoeker ook verklaarde dat de P. autoriteit grensbevoegdheid heeft; Dat tegelijkertijd, enkele honderden meter verder XXX grenspolitie staat opgesteld; Dat de gemachtigde van de Commissaris-generaal echter hier niet achter vroeg; Dat het voor verzoeker duidelijk was dat er twee grensposten waren, doch dat dit niet door de gemachtigde zo werd geïnterpreteerd; Dat aldus duidelijk blijkt dat verzoeker niet kan afgewezen worden omwille van de beweerde bedrieglijkheid en de Commissaris-generaal zich niet kan baseren op artikel 52 van de vreemdelingenwet om verzoeker asiel te weigeren; Dat duidelijk is dat het motiveringsbeginsel werd geschonden;"; Overwegende dat artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) aan de overheid, bevoegd om uitspraak te doen over een asielaanvraag, een discretionaire beoordelingsbevoegdheid laat, die de redelijkheid tot grens heeft; dat deze wetsbepaling niet geschonden is louter en alleen omdat de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onvoldoende geloof heeft gehecht aan de niet door concrete elementen gestaafde beweringen van de verzoekende partij en niet wordt aangetoond dat de bevindingen waartoe commissaris-generaal is gekomen na analyse van het asielrelaas van de verzoekende partij feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zouden zijn; dat de verzoekende partij dit te dezen niet aantoont; Overwegende dat de commissaris-generaal wanneer hij in dringend beroep uitspraak doet over een asielaanvraag, op basis van artikel 52, §1, 2/,
  2. a)en
  3. b)van de Vreemdelingenwet kan oordelen dat een vreemdeling die het Rijk is binnengekomen zonder te voldoen aan de in artikel 2 van die wet gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt om als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten zal worden in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven wanneer de aanvraag klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk zijn en omdat ze geen verband houden met de criteria bepaald bij artikel 1, (A), 2, van het Internationaal Verdrag betreffende VII-31.670-4/7 de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat de commissaris-generaal te dezen het dringend beroep vanuit deze bevoegdheid heeft onderzocht en de asielaanvraag als bedrieglijk heeft afgewezen; dat de overheid, bevoegd om over een asielaanvraag te beslissen, in de eerste plaats moet nagaan of degene die zich vluchteling verklaart werkelijk afkomstig is uit het land dat hij beweert te zijn ontvlucht; dat het niet onredelijk is dat die overheid, waanneer de asielzoeker geen documenten kan overleggen waaruit zijn herkomst blijkt, tracht de kennis van betrokkene over de streek te toetsen; dat het te dezen niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aan de verzoekende partij, ongeacht haar opleiding, terzake, de gegevens heeft gevraagd die in de bestreden beslissing zijn aangehaald; dat de commissaris-generaal uit het aldus aangetoonde gebrek aan kennis van die streek in redelijkheid mocht afleiden dat de verzoekende partij niet het bewijs leverde van haar beweerde afkomst; dat de verzoekende partij deze vaststellingen ontkent, maar niet weerlegt; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: "Schending van artikel 4 e.v. van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur Aangezien artikel 4 van de wet op de openbaarheid van bestuur luidt als volgt: "... Het recht op het raadplegen van een bestuurdocument van een federale administratieve overheid en op het ontvangen van een afschrift van het document bestaat erin dat eenieder, volgens de voorwaarde bepaald in deze wet, elk bestuursdocument ter plaatse kan inzien, dienomtrent uitleg kan krijgen en mededeling in afschrift kan ontvangen. Voor documenten van persoonlijke aard is vereist dat de verzoeker van een belang doet blijken..." Dat naar aanleiding van een verzoek tot inzage bij het Commissariaat-generaal de gemachtigde van de Commissaris-generaal, weigerde inzage te verlenen in het dossier van verzoeker en bijaldien ook weigerde afschrift mee te delen van de stukken die door de Dienst Vreemdelingenzaken werden opgesteld en ook deze door de federale politie; Dat het geen betoog hoeft om te besluiten dat de wet geschonden werd; Dat de markante miskenning van de wet, waarbij het belang dat verzoeker kan laten gelden uiteraard als een paal boven water staat, tevens de rechten van verdediging van verzoeker schendt; Dat ook het belang dat verzoeker kan laten gelden evident is, daar indien verzoeker inzage had gekregen, de misverstanden waarvan sprake in het eerste middel, hadden rechtgezet kunnen worden en daarenboven vooraleer de beslissing viel, de vraag had kunnen gesteld worden het valsheidsonderzoek naar het paspoort van verzoeker over te doen;"; Overwegende dat artikel 8 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur als volgt is opgesteld: VII-31.670-5/7 "Artikel 8 §§ 1. Er wordt een Commissie voor de toegang tot bestuursdocumenten opgericht. De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit de samenstelling en de werkwijze van de Commissie. §§ 2. Wanneer de verzoeker moeilijkheden ondervindt om de raadpleging of de verbetering van een bestuursdocument te verkrijgen op grond van deze wet, (...) kan hij een verzoek tot heroverweging richten tot de betrokken federale administratieve overheid. Terzelfdertijd verzoekt hij de Commissie een advies uit te brengen. (...) (...) Tegen deze beslissing kan de verzoeker beroep instellen overeenkomstig de wetten op de Raad van State, gecoördineerd bij koninklijk besluit van 12 januari 1973. Het beroep bij de Raad van State is in voorkomend geval vergezeld van het advies van de Commissie. (...)"; dat het recht van verdediging niet van toepassing is in de administratieve asielprocedure van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij niet aantoont dat zij de hierboven beschreven procedure van heroverweging heeft gevoerd; dat uit het bestaan van de geëigende procedure blijkt dat de verzoekende partij in beginsel de schending van artikel 4 van de wet van 11 april 1994 niet op zichzelf en rechtstreeks bij de Raad van State kan inroepen; 2.3. Overwegende dat de verzoekende partij tenslotte een derde middel inroept waarin zij de schending van artikel 6 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (E.V.R.M.), meer bepaald van het recht van verdediging aanvoert, doordat zij niet alle dienstige stukken waarop de bestreden beslissing gegrond is heeft kunnen inkijken; Overwegende dat artikel 6, § 1 van het E.V.R.M. stelt dat bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, eenieder het recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld; dat deze bepaling enkel betrekking heeft op jurisdictionele procedures en niet op administratieve procedures waarbij uitspraak wordt gedaan over een administratief beroep ingesteld tegen een beslissing over een asielaanvraag; dat het derde middel niet gegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: VII-31.670-6/7 Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig februari tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-31.670-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.074 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.