← België

Arrest 141090 - - 23/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.090 Rolnummer: A. 103351/VII-23462 Zaak: Arrest 141090 - - 23/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-08 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 08:01 Fiche Arrest nr 141.090 van 23 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 141.090 van 23 februari 2005 in de zaak A. 103.351/VII-23.462 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat Y. TYTGAT, kantoor houdende te 9000 GENT, Gouvernementstraat 20 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door

  1. de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  2. de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Angolese nationaliteit, op 13 april 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 20 maart 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 5 april 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 10 mei 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-23.462-1/6 Gelet op de beschikking van 6 januari 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 9 februari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat Y. TYTGAT, die verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
  3. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verzoekende partij kwam België binnen op 24 februari 2000 en verklaarde zich op 25 februari 2000 vluchteling. 1.
  5. Op 5 april 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op 20 maart 2001 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : ""Betrokkene werd verhoord op 14 februari 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Portugese taal machtig is. Betrokkene, die beweerde de Angolese nationaliteit te bezitten, tot de bakongo-etnie te behoren en uit Kinzingo (Provincie Uige) afkomstig te zijn, verklaarde op vijfjarige leeftijd door de rebellen van de "UNITA" (waarvan betrokkene de betekenis niet kent) uit zijn dorp te zijn meegenomen naar hun militaire basis te Quibanda (Provincie Uige). Hij diende allerlei karweitjes op te knappen voor de militairen en deel te nemen aan de feestdagen van de UNITA (dansen en zingen). Einde 1996 was betrokkene op weg met de militairen van de UNITA naar de grote militaire basis in Sanza Pombo VII-23.462-2/6 (Provincie Uige) om deel te nemen aan een samenkomst van verantwoordelijken. Onderweg werden ze aangevallen door de militairen van de "MPLA" (Movimento Popular de Libertação de Angola). Betrokkene werd met een aantal andere kinderen gevangen genomen door de militairen van de MPLA, waarbij hij werd mishandeld. Hij slaagde erin te ontsnappen in de nabijheid van Negase met de hulp van een militair uit zijn zone (Kinzingo) en vluchtte met een meisje, XXX, naar Luanda, alwaar hij in januari 1997 aankwam en op straat leefde. In februari 1997 ontmoette hij een vriend van zijn ouders, Domingos Alfons, die hem vertelde dat zijn ouders, Paiva Bondo en Helena Teca, door de MPLA waren omgebracht, omdat zijn moeder activiste was binnen de UNITA. Hij vernam eveneens dat hij een zus, XXX, in Europa had. Betrokkene verbleef bij D, ging naar school en knapte allerlei karweitjes op. Betrokkene was op zijn hoede voor de gedwongen inlijving door de militairen van de MPLA in hun leger. Hij voelde zich onveilig. Hij besloot zijn land te verlaten en zijn zus in Europa te zoeken. Op 18 februari 2000 reisde hij vanuit Luanda, onder begeleiding van een heer, A D S, per vliegtuig naar Bulgarije (met tussenlanding in Zimbabwe), alwaar hij op 19 februari 2000 aankwam. Hij spoorde verder naar Berlijn, alwaar hij op 23 februari 2000 aankwam. Vervolgens nam hij de auto naar België, alwaar hij ‘s anderendaags aankwam. Betrokkene vroeg er op 25 februari 2000 asiel aan. Hij vond zijn zus, XXX, in België terug. Op 14 september 1999 bevestigde de Commissaris-generaal de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken voor betrokkenes zus en bij arrest van 20 juli 2000 (met nummer 89.055) ging de Raad van State over tot verwerping van het door betrokkenes zus (en haar echtgenoot, XXX) ingestelde verzoek tot schorsing. Vooreerst dient te worden benadrukt dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat de ingeroepen feiten ter staving van zijn asielaanvraag een uiting zouden zijn van een “vrees voor vervolging” in de zin van de Vluchtelingenconventie van Genève. Betrokkene baseert zijn “vrees voor vervolging” immers op de algemene situatie van burgeroorlog in Angola (p.14, verhoorverslag Commissariaat-generaal). De door betrokkene ingeroepen motieven (onveilige situatie, oorlog) zijn geen criteria die onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève vallen (pp.13 en 14, verhoorverslag Commissariaat-generaal). Met betrekking tot de door betrokkene ingeroepen vrees om door de Angolese autoriteiten te worden ingelijfd in het leger, dient te worden opgemerkt dat betrokkene stelt op geen enkel moment het slachtoffer te zijn geweest van (een poging tot) de gedwongen inlijving door de Angolese autoriteiten (p.12, verhoorverslag Commissariaat-generaal), zodat betrokkenes “vrees voor vervolging” wat betreft dit motief eveneens kan worden gerelativeerd. Overigens verbleef betrokkene sedert januari 1997 zonder enig noemenswaardig probleem in Luanda en wachtte hij nog tot 18 februari 2000 om zonder enige concrete aanleiding het land te verlaten. In dit verband dient eveneens te worden opgemerkt dat betrokkene het gezin van D, alwaar hij werd opgevangen en voorzien van onderwijs, verliet zonder evenwel Dorningos in te lichten (p.13, verhoorverslag Commissariaat-generaal). Bovendien bestaan er enige twijfels met betrekking tot betrokkenes vermeende gedwongen inlijving door de rebellen van de UNITA van ongeveer 1990 tot en met einde
  7. Niettegenstaande zijn jeugdige leeftijd is het enigszins merkwaardig dat betrokkene voor het Commissariaat-generaal niet in staat is de betekenis van het letterwoord "UNITA" te verklaren (p.9, verhoorverslag Commissariaat-generaal). Verder stelt hij voor het Commissariaatgeneraal dat hij diende te dansen en te zingen op het feest van de JURA, maar kan hij de betekenis van het letterwoord 'JURA" niet geven, noch de datum waarop het feest van de JURA binnen de UNITA wordt gevierd (p.6, verhoorverslag Commissariaat-generaal). Betrokkene kent voor het Commissariaat-generaal -buiten Kaparanda, Ndenga, Panzu en João- geen andere namen van militairen. van de UNITA (p.7, verhoorverslag Commissariaat-generaal). Betrokkene blijkt niet in het bezit te zijn van enig document dat een controle van zijn reisweg en identiteit mogelijk zou kunnen maken. Tot slot brengt het verzoekschrift van betrokkene tot instelling van een dringend beroep geen ander element naar voor dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, VII-23.462-3/6 ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 5 april
  8. De Commissaris-generaal meent evenwel dat. gezien de toestand in diens land van oorsprong, het in de huidige omstandigheden niet aangewezen is, dat betrokkene naar Angola zou worden teruggeleid.". Dit is de bestreden beslissing.
  9. Overwegende dat in een enig middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van artikel 1, (A), 2 van het verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni 1953, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het recht van verdediging en van het zorgvuldigheidsbeginsel; Overwegende dat de Conventie van Genève niet verbiedt dat de verdragsluitende staten een regeling uitwerken waarin de criteria worden vastgelegd voor het in aanmerking nemen van een vluchtelingenverklaring; dat de Belgische Staat dit heeft gedaan in artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat niet wordt aangetoond, zelfs niet aangevoerd, dat deze wetsbepaling strijdig zou zijn met voornoemde verdragsbepaling; dat het recht van verdediging niet van toepassing is in een administratieve procedure; dat artikel 52 van de Vreemdelingenwet aan de overheid, bevoegd om uitspraak te doen over een asielaanvraag, een discretionaire beoordelingsbevoegdheid laat, die de redelijkheid tot grens heeft; dat deze wetsbepaling niet geschonden is louter en alleen omdat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen onvoldoende geloof heeft gehecht aan de niet door concrete elementen gestaafde beweringen van de verzoekende partij; dat niet wordt aangetoond dat de bevindingen waartoe de commissaris-generaal is gekomen na analyse van het asielrelaas van de verzoekende partij, feitelijk onjuist of kennelijk onredelijk zouden zijn; Overwegende dat de formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan VII-23.462-4/6 een inhoudelijk onderzoek onderwerpt; dat de verzoekende partij dan ook geen belang heeft bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht; dat de toetsing van de formele motivering in beginsel niet de beoordeling van de inhoud van de motieven met zich brengt; Overwegende dat, zo het middel dusdanig geïnterpreteerd wordt dat de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht, zij, zoals reeds gezegd, er niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal niet correct zouden zijn noch dat de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten de feitelijke toedracht van de asielaanvraag te appreciëren, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid; dat de Raad van State, wanneer hij een administratieve beslissing aan de wet toetst, niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen; dat hij enkel onderzoekt of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn welke met die vaststelling onverenigbaar zijn; dat in het kader van een marginale toetsing de aangeklaagde onwettigheid slechts dan wordt gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is; dat evenmin wordt aangetoond dat de feiten niet op behoorlijke wijze werden vastgesteld; dat de verzoekende partij niet aanvoert, en bijgevolg evenmin aantoont, dat de motieven onredelijk zouden zijn; dat het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met de appreciatie van de commissaris- generaal op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uitmaakt; dat de verzoekende partij ten onrechte de commissaris-generaal een gebrek aan zorgvuldigheid verwijt; dat deze de bestreden beslissing pas heeft uitgesproken na te hebben kennis genomen van het relaas van de verzoekende partij en na dit verhaal nauwkeurig te hebben geanalyseerd;
  10. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, VII-23.462-5/6 BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig februari tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-23.462-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.090 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.