← België

Arrest 141096 - - 23/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.096 Rolnummer: A. 119183/VII-33326 Zaak: Arrest 141096 - - 23/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-08 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 08:01 Fiche Arrest nr 141.096 van 23 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 141.096 van 23 februari 2005 in de zaak A. 119.183/VII-33.326 In zake : XXX, verblijvende te M., tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Somalische nationaliteit, op 3 april 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 6 maart 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 7 februari 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 11 april 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 6 januari 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 9 februari 2005; VII-33.326-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat C. LEKEU, die verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 31 augustus 1999 en verklaarde zich op dezelfde dag vluchteling. 1.
  3. Op 7 februari 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 6 maart 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) U verklaarde de Somalische nationaliteit te bezitten, afkomstig te zijn uit Beledweyne en te behoren tot de minderheidsclan Asharaf. U was landbouwer en veehandelaar en woonde in het dorp Buqda koosaar (provincie Hiiraan). In 1991 werd uw woning aangevallen door de militie van generaal Aidid. U werd gevangengenomen en opgesloten in een kamp buiten de stad waar u dwangarbeid diende te verrichten. In 1994 of 1995 kwamen VN-troepen naar Somalië en droop de militie af zodat u vrijkwam. Op een niet nader bepaald moment verlieten de VN-troepen Somalië en nam de militie opnieuw de controle over. In het bijzijn van uw zoon S. werd u in uw woning door militieleden gearresteerd en in hetzelfde kamp opgesloten. Na tussenkomst van een buurman en kolonel bij de militie, Osman, kwam u in juli 1999 vrij. U reisde onmiddellijk via Beledweyne naar Addis Abeba (Ethiopië) waar u op 29 augustus 1999 VII-33.326-2/5 een vliegtuig nam naar een Europees land, vermoedelijk Italië. Vandaaruit reisde u per trein verder naar België waar u op 31 augustus 1999 aankwam en asiel aanvroeg. Er dient te worden vastgesteld dat u een persoonlijke en actuele vrees voor vervolging volgens de criteria van de Geneefste Vluchtelingenconventie niet kan aannemelijk maken. Vooreerst maakt u het geenszins aannemelijk dat u de Somalische nationaliteit bezit, afkomstig bent uit Beledweyne en in Buqda Koosaar hebt gewoond. Zo verklaarde u tijdens het verhoor door het Commissariaat-generaal verkeerdelijk dat de Marehan-clan de meerderheid van de bevolking uitmaakt in uw streek (p. 3) (cf. kaart geografische spreiding van de clans, kopie in dossier). U beweerde verder verkeerdelijk dat de Rahanweyn-clan een subclan vormt van de Darod-clan, dat de Warsangeli-clan een subcaln is van de Dir-clan en u stelde niets te weten over de onderverdelingen of de plaats van de Hawiye-clan in het Somalische clansysteem (p. 3) (cf. Ambroso Guido. Somalis in the Horn of Africa, a short guide to society and history, UNHCR). Tevens kende u niet de Hawadle-clan die, volgens de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, de meerderheid van de bevolking vormt in de provincie Hiiraan (p. 8) (cf. kaart geografische spreiding van de clans, kopie in dossier; Ambroso Guido. Somalis in the Horn of Africa, a short guide to society and history, UNHCR). U situeerde de in de nabijheid van Buqda Koosaar gelegen plaatsen Ceel Cali en Maxaas verkeerd en de plaats Bugda Acable kende u niet (p. 8) (cf. kaart van Somalië, Bartholomew, 1995, kopie in dossier). Evenmin kende u de naam van de rivier die door Beledweyne stroomt (p. 3). Verder beweerde u tijdens het verhoor door het Commissariaat-generaal dat de VN in 1994 of 1995 in uw streek arriveerde en dat de soldaten Duitsers, Fransen en Pakistani waren (p. 4). Hun vertrek uit Somalië kon u geheel niet in de tijd situeren (p. 5). Volgens informatie in het bezit van het Commissariaat-generaal waren de VN- soldaten in uw streek van Duitse en Italiaanse nationaliteit en kwamen ze reeds in november 1993 aan. De laatste soldaat was tegen november 1994 vertrokken (cf. The United Nations and Somalia, 1992-1996, Department of Public Information, UN, New York, 1996). Voorts kende u enkel de voornaam van de president van de Somalische overgangsregering en wist u niet tot welke subclan van de Hawiye-clan hij behoort (p. 8). Uit bovenstaande vaststellingen blijkt dat u de Belgische autoriteiten trachtte te misleiden door uw ware afkomst te verhullen. Het feit dat u voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal uw verklaringen in de Somalische taal aflegde, doet hieraan geen afbreuk. De Somalische taal wordt immers niet enkel in Somalië gesproken, maar eveneens in de buurlanden van Somalië; Djibouti, Ethiopië en Kenia (cf. Grimes Barbara F. Etnologue, Languages of the World. Summer institute of Linguistics, 13de editie). Hoe dan ook legde u geen enkel document voor dat uw nationaliteit of identiteit kan staven. Overigens dient nog te worden opgemerkt dat wat uw eigenlijke asielrelaas betreft, uw verklaringen op bepaalde punten bijzonder vaag of tegenstrijdig zijn. Zo moest u het antwoord schuldig blijven op vragen van het Commissariaat-generaal naar namen van medegevangenen, bewakers of militieleiders tijdens uw detentie in de periode 1991-1994/1995 (p.5). Ook beweerde u voor het Commissariaat-generaal dat u na het vertrek van de VN in uw woning in het bijzijn van uw zoon werd opgepakt (p. 6) terwijl u voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat u ergens buiten het dorp werd gearresteerd (punt 42, verhoorverslag dd. 8 oktober 1999). Voorts verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat de buurman die u in 1999 hielp ontsnappen Said Ahmed heette (punt 42) terwijl u het voor het Commissariaat-generaal had over een zekere Osman (van wie u de volledige naam niet kende) (p. 6). U kende tijdens het verhoor door het Commissariaat-generaal niet de naam van uw begeleiders tijdens de reis; u wist niet welke luchtvaartmaatschappij u naar Europa bracht en u kon geen enkele informatie geven over het paspoort dat u gebruikte (p. 7). Hoe dan ook bent u niet in het bezit van enig document dat een controle van uw reisweg mogelijk maakt. De door u voorgelegde lidkaart van de Belgische organisatie Somabel (met nummer 0079) doet geen afbreuk aan wat voorafging gezien uw lidmaatschap van deze organisatie geen enkel verband houdt met uw asielrelaas en al evenmin een bewijs van nationaliteit vormt. VII-33.326-3/5 Tenslotte bevat noch het verzoeksschrift van Meester Hoet noch uw brief in bijlage enig ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen.". Dit is de bestreden beslissing.
  5. Overwegende dat in een enig middel de schending wordt ingeroepen van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen; dat de verzoekende partij stelt dat de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ten onrechte twijfelt aan haar nationaliteit en zich baseert op tegenstrijdigheden die er geen zijn; dat de verzoekende partij aanvoert dat zij wel een vrees voor vervolging heeft omdat zij verschillende keren gearresteerd is geweest en gevangen gehouden werd; Overwegende dat de overheid, bevoegd om over een asielaanvraag te beslissen, in de eerste plaats moet nagaan of degene die zich vluchteling verklaart werkelijk afkomstig is uit het land dat hij beweert te zijn ontvlucht; dat het niet onredelijk is dat die overheid, wanneer de asielzoeker geen documenten kan overleggen waaruit zijn herkomst blijkt, tracht de kennis van betrokkene over de streek te toetsen; dat het te dezen niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal aan de verzoekende partij terzake de gegevens heeft gevraagd die in de bestreden beslissing zijn aangehaald; dat de commissaris- generaal uit het aldus aangetoonde gebrek aan kennis van die streek in redelijkheid mocht afleiden dat de verzoekende partij niet het bewijs leverde van haar beweerde herkomst; Overwegende dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in deze in laatste aanleg uitspraak doet over de feitelijke elementen van de zaak; dat uit de bewoordingen van de bestreden beslissing blijkt dat de commissaris-generaal in het eerste deel van die beslissing op uitgebreide wijze én uiterst gedetailleerd de verklaringen die de verzoekende partij tijdens de diverse verhoren in het kader van de asielprocedure heeft afgelegd, uiteenzet; dat vervolgens de bevindingen worden weergegeven van het onderzoek van deze verklaringen; dat de commissaris-generaal aan de hand van deze vaststellingen ten slotte concludeert dat de asielaanvraag van betrokkene bedrieglijk is; dat van een kandidaat-vluchteling mag verwacht worden dat deze, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielaanvraag, de feiten die de oorzaak waren van zijn vlucht uit het land van herkomst nauwkeurig, zorgvuldig, op een coherente en geloofwaardige manier weergeeft aan de overheden, bevoegd om kennis te nemen van de asielaanvraag, zodat op grond van dit relaas kan worden nagegaan of er in hoofde van de kandidaat-vluchteling aanwijzingen bestaan om te besluiten tot het bestaan van een gevaar voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève; dat de commissaris-generaal in het VII-33.326-4/5 huidige geval op redelijke gronden vaststelt dat een aantal tegenstrijdigheden de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de verzoekende partij ondermijnen; dat deze tegenstrijdigheden, die geput werden uit de verklaringen van de verzoekende partij, in de bestreden beslissing werden weergegeven; dat de verzoekende partij er niet in slaagt een aannemelijke verklaring te geven voor deze incoherenties; dat de beslissing van de commissaris-generaal niet kennelijk onredelijk is;
  6. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  7. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig februari tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-33.326-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.096 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.