← België

Arrest 141098 - - 23/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.098 Rolnummer: A. 147773/VII-31682 Zaak: Arrest 141098 - - 23/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-08 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 08:01 Fiche Arrest nr 141.098 van 23 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 141.098 van 23 februari 2005 in de zaak A. 147.773/VII-31.682 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nigeriaanse nationaliteit, op 18 februari 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 januari 2004 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 25 november 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 23 februari 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 6 januari 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 9 februari 2005; VII-31.682-1/8 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. FLACHET, die, loco advocaat R. JESPERS, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;

  1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 20 oktober 2003 en verklaarde zich op 23 oktober 2003 vluchteling. 1.
  3. Op 25 november 2003 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  4. Op 27 januari 2004 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing letterlijk als volgt : "A. Vluchtrelaas U stelde de Nigeriaanse nationaliteit te bezitten, tot de ltsekiri-stam te behoren en afkomstig te zijn van Warri, Delta State. Op 29 mei 1999 werd het Kpessu-gebied in Warri, waar u woonde, aangevallen door de ljaw. Er ontstonden gevechten tussen ljaw en ltsekiri waaraan u en uw oudere broer, die hierbij om het leven kwam, deelnamen. Na deze aanval werd u jongerenleider van de ltsekiri. Op 20 augustus 2003 ging u 's morgens naar Kpessu Waterside waar uw boot gelegen was. U laadde uw boot met passagiers om hen over te brengen naar Madangho. Samen met zes andere boten vervoerde u passagiers naar Madangho. Tijdens deze reis werd u en de andere boten aangevallen door boten met ljaw. De ljaw beschoten uw boot en u vuurde terug. Toen u geen munitie meer had, sprong u in het water en zwom u naar de oever. U verborg zich in een bos tot u het geluid van een motor op het water hoorde. U zag boten met ltsekiri die van Madangho kwamen. Zij pikten u op en brachten u naar uw boot die op het water dreef. U keerde met de andere boten terug naar Madangho waar u passagiers oppikte om hen over te brengen naar Kpessu Waterside. Op 20 augustus 2003 's avonds VII-31.682-2/8 woonde u in de stadshal van het dorp Dawdoe een vergadering bij waarbij een groot aantal ltsekiri-jongeren aanwezig waren. Op de vergadering werd de aanval van de ljaw besproken en er werd eveneens gezegd dat iedereen in geval van een aanval moest weten naar waar hij zich moest begeven voor het halen van een wapen. In de nacht van 20 op 21 augustus 2003 vielen de ljaw het Kpessu-gebied aan. Ze kwamen eveneens naar uw straat. U rende naar de ontmoetingsplaats van de ltsekiri waar wapens te vinden waren en u en ltsekiri-jongeren trokken tegen de ljaw in de tegenaanval. Gezien de ljaw in de meerderheid waren u en de andere jongeren genoodzaakt om jullie terug te trekken. U vluchtte naar een huis in aanbouw waar u en andere ltsekiri-jongeren zich schuilhield. Op 25 augustus 2003 trok u met de ltsekiri naar Ogbi ljaw, ljaw-gebied om de ljaw aan te vallen. In de gevechten schoot één van de Itsekiri-jongeren een ljaw-leider dood. Op 26 augustus 2003 begaven de ljaw zich naar het Kpessu-gebied om het aan te vallen. U en de ltsekiri-jongeren hadden niet genoeg wapens en u vluchtte weg. U ging per auto naar Uvwian, een Uhrobo-dorp waar een vriend van uw vader, D, woonde. U verbleef gedurende één maand bij D. D meldde u vervolgens dat de ljaw een brief naar de Uvwian-gemeenschap had geschreven met de mededeling dat de ltsekiri die zich daar schuil hielden, moesten worden weggejaagd. Zoniet, zouden de ljaw het dorp aanvallen. U verliet Uvwian en ging naar Lagos. In Lagos nam u een taxi en u vroeg de chauffeur om u naar een nachtclub te brengen. De taxichauffeur bracht u naar een nachtclub waar u T, een vriend van uw broer ontmoette. Vervolgens kon u in het gastenhuis van T verblijven. Na twee dagen ging u met T te voet naar de haven. U zag een wagen met ljaw-jongeren. Zij zagen u en kwamen op u af. U rende terug naar het gastenhuis van T. De volgende dag bracht T u per auto naar Accra, Ghana. U verbleef daar 2 weken en enkele dagen bij F, een vriend van T. Op 19 oktober 2003 bracht F u naar de luchthaven waar u met hem een 'Lufthansa'-vliegtuig nam. U kwam aan in Duitsland waar u een ander vliegtuig naar België nam. Twee dagen daarna, volgens uw bijlage 26 op 23 oktober 2003, vroeg u asiel aan bij de Dienst Vreemdelingenzaken. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat u ten aanzien van het Commissariaat-generaal geenszins aannemelijk heeft gemaakt recentelijk in Warri, Delta State, verbleven te hebben. Vooreerst dient opgemerkt te worden dat u een aantal vage, incoherente en foutieve verklaringen heeft afgelegd betreffende de gevechten tussen ljaw en ltsekiri in de loop van
  5. Op de vraag van het Commissariaat-generaal of er vóór 20 augustus 2003, tussen de 15de en de 20ste augustus 2003 reeds gevechten plaatsvonden in Warri, antwoordde u dat de gevechten gestart zijn op 20 augustus 2003 (p. 14). Wanneer u door het Commissariaatgeneraal gevraagd werd of alles dus relatief kalm was in Warri tussen de 10de en de 20ste augustus 2003, antwoordde u bevestigend (p. 14). Wanneer u opnieuw werd gevraagd of er toen geen grote gevechten plaatsvonden in Warri, verklaarde u nogmaals dat er toen geen grote gevechten hebben plaatsgevonden in Warri (p. 14). Uit informatie waarover het Commissariaat beschikt, blijkt echter dat de gevechten tussen de ljaw en ltsekiri reeds van start gingen op 15 augustus 2003 (zie informatie in het administratief dossier). In deze informatie is sprake van zware vuur- en straatgevechten in Warri. Het is bijgevolg bijzonder opmerkelijk dat u, die woonachtig was in Warri en die bovendien beweerde leider te zijn van de ltsekiri-jongeren in Warri (p. 10-1 l), geen weet zou hebben gehad van de gevechten die reeds waren uitgebroken in Warri tussen ljaw en ltsekiri in de dagen voorafgaand aan 20 augustus
  6. Toen u door het Commissariaat-generaal gevraagd werd of er op 20 augustus 2003 niet zoiets was als een avondklok, antwoordde u dat er toen geen avondklok was (p. 15). Wanneer u opnieuw werd gevraagd of er toen in Warri en omgeving geen avondklok was ingesteld, verklaarde u opnieuw dat er toen geen avondklok was (p. 15). Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt echter dat er wel degelijk een avondklok werd ingesteld in de periode dat u beweerde in Warri te zijn (zie informatie in het administratief dossier) zodat het hoogstens twijfelachtig is dat u hier niet van op de hoogte bent. Een avondklok heeft immers zijn gevolgen voor het dag dagelijkse, sociale leven, zodat het weinig waarschijnlijk is dat deze u ontgaan zou zijn. Wanneer u door het Commissariaat-generaal gevraagd werd of u de dagen voorafgaand aan 20 augustus 2003, tussen de 15de en de 20ste augustus 2003 geen soldaten en politie in de straten VII-31.682-3/8 van Warri heeft gezien, antwoordde u dat er wel soldaten aanwezig waren in soldatenbarakken in Efferun (p. 16) maar dat u deze niet heeft gezien (p. 21). Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt blijkt echter dat wel degelijk troepen en een politiemacht aanwezig waren in Warri. Zowel mobiele eenheden, troepen van de marine als speciale eenheden werden toen in Warri ingezet om het vechten te stoppen (zie informatie in het administratief dossier), zodat het onwaarschijnlijk is dat de aanwezigheid van deze troepenmacht in Warri u ontgaan is. Toen u vervolgens door het Commisariaat-generaal gevraagd werd of u weet heeft van andere gevechten tussen ljaw en ltsekiri in Warri en omstreken in 2003, antwoordde u dat er zich geen gevechten hadden voorgedaan (p. 22). Op de vraag van het Commissariaat-generaal of er zich in januari, februari, maart 2003 geen gevechten hebben plaatsgevonden tussen ljaw en ltsekiri, antwoordde u opnieuw dat er zich toen geen gevechten hadden voorgedaan (p. 22). Het Commissariaat-generaal beschikt echter over informatie waaruit blijkt dat in maart 2003 zware gevechten uitgebraken tussen enerzijds ljaw en ltsekiri en ljaw en de militairen anderzijds in Warri Southwest Local Government Area waarbij onder andere de ltsekiri-dorpen Aruton en Madangho werden aangevallen door de ljaw. Een groot contingent van militairen en politie werd in de regio ontbonden om het vechten te doen stoppen. Ook eind januari, begin februari 2003 waren er onlusten in en rond Warri waarin zowel ltsekiri, Urobo en militairen betrokken waren (zie informatie in het administratief dossier). Zowel tijdens de gevechten van januari - februari en maart 2003 vielen veel slachtoffers onder de ltsekiri-bevolking (zie informatie in het administratief dossier). Bijgevolg is het bijzonder merkwaardig en hoogstens twijfelachtig dat u die in Warri woonde (p. 5) en er leider was van de Itsekiri-jongeren (p. 10-11) niet op de hoogte bent van deze gevechten waarin uw eigen etnie, de ltsekiri, betrokken was, hoewel u voor het Commissariaat-generaal stelde u hele leven lang in Warri gewoond te hebben (p. 23). Toen u tenslotte door het Commissariaat-generaal gevraagd werd welk groot sportevenement plaatsvond in Warri in december 2002, antwoordde u dit niet te weten (p. 6). Uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, blijkt nochtans dat naar aanleiding van dit evenement de stad Warri versierd werd met vlaggen en pamfletten (zie informatie in het administratief dossier), zodat het merkwaardig is dat de organisatie van dit evenement u zou ontgaan zijn. Tenslotte kan nog opgemerkt worden dat het merkwaardig is dat u, die beweerde leider van de ltsekiri-jongeren te zijn in Warri (p. 10-11), verkeerdelijk stelde dat INYC staat voor 'International Youth Services' (p. 7), terwijl de eigenlijke betekenis 'Itsekiri National Youth Council' is (zie informatie in het administratief dossier). Bovenstaande vaststellingen ondermijnen de geloofwaardigheid van uw verklaringen zodanig dat er verder geen geloof meer kan gehecht worden aan uw asielrelaas. Voor wat betreft de documenten die u ter staving van uw asielaanvraag tijdens uw gehoor in dringend beroep heeft voorgelegd, kunnen de volgende bemerkingen worden gemaakt. Met betrekking tot de 'Affidavit: statutory declaration of age' dd. 17 november 2003, kan opgemerkt worden dat de authenticiteit hiervan ten zeerste kan worden betwijfeld. In deze 'Affidavit' verklaart uw vader, XXX, op 17 november 2003 dat u zijn zoon bent, wat totaal onverenigbaar is met de vaststelling dat uw vader, volgens de gegevens op de door u voorgelegde overlijdensakte (dd. 3 december 2003) van XXX, reeds op 15 maart 1999 was overleden. Dezelfde opmerking geldt voor de aanvraag van XXX om voor u (XXX) een geboortecertificaat te verkrijgen, een aanvraag die dateert van 19 november 2003, toen uw vader -volgens voornoemde overlijdensakteniet meer in leven was. Uw verklaring voor het Commissariaat-generaal dat D M zich voor het opstellen van de [aanvraag van] een geboorteakte (en wellicht ook voor het opstellen van de 'Affidavit') voorgedaan heeft als uw vader (p. 24 en eerste brief van D M (dd. 3 december 2003», doet geen afbreuk aan het feit dat het hier om fraude gaat, die de betrouwbaarheid van de inhoud van beide documenten volkomen ondermijnt. In het licht van de vaststelling dat D M zich onterecht voor uw vader uitgaf, kan ook getwijfeld worden aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen over uw vervolging in een tweede brief (dd. 5 januari 2004). Bijgevolg kan deze brief bezwaarlijk in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van uw asielaanvraag. De overlijdensakte van uw moeder en uw broer , beiden dd. 3 december 2003 brengen geen verandering aan bovenstaande vaststellingen, gezien deze documenten geen VII-31.682-4/8 bewijs vormen van voor uw (recent) verblijf in Warri. Het document van Warri South Local Governement (dd. 4 december 2003) doet geen afbreuk aan bovenvermelde vaststellingen gezien dit document verwijst naar de algemene toestand in Warri en geenszins ingaat op uw persoonlijke problemen. De drie foto's die u tijdens uw verhoor in dringend beroep heeft voorgelegd doen evenmin afbreuk aan bovenstaande vaststellingen gezien deze afbeeldingen geen sluitend bewijs vormen dat het daadwerkelijk om het huis van uw ouders gaat, noch geven deze foto's het tijdstip aan waarop deze zijn genomen. Het document van de Esaba Community (dd. 26 september 2003) waarin wordt aangedrongen op de evacuatie van ltsekiri uit "your village" (zonder enige specificatie) houdt evenmin enig bewijs in voor uw (permanente) aanwezigheid in Warri, laat staan voor de door u aangehaalde vervolgingsfeiten. Verder brengt u geen documenten aan die een controle van uw reisweg mogelijk maken. Tot slot brengt uw verzoekschrift tot instelling van dringend beroep geen ander element naar voren dat vermag de weigeringsbeslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).". Dit is de bestreden beslissing. 2.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel aanvoert dat de bestreden beslissing gebaseerd is op onjuiste feitelijke gegevens doordat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ten onrechte betwijfelt of de verzoekende partij wel afkomstig is van het Warri district; Overwegende dat de overheid, bevoegd om over een asielaanvraag te beslissen, in de eerste plaats moet nagaan of degene die zich vluchteling verklaart werkelijk afkomstig is uit het land dat hij beweert te zijn ontvlucht; dat het niet onredelijk is dat die overheid, wanneer de asielzoeker geen documenten kan overleggen waaruit zijn herkomst blijkt, tracht de kennis van betrokkene over de streek te toetsen; dat het te dezen niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal aan de verzoekende partij terzake de gegevens heeft gevraagd die in de bestreden beslissing zijn aangehaald; dat de commissaris- generaal uit het aldus aangetoonde gebrek aan kennis van die streek en de valse vaderschapsverklaring in redelijkheid mocht afleiden dat de verzoekende partij niet het bewijs leverde van haar beweerde herkomst; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert waarin zij de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel inroept en van het Europees VII-31.682-5/8 Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 november 1950 (E.V.R.M.); dat zij stelt dat er in de bestreden beslissing geen passende belangenafweging werd gemaakt en dat geen enkele feitelijke omstandigheid in aanmerking werd genomen; Overwegende dat artikel 52, §1, 2/, a) en 7/ van de Vreemdelingenwet de commissaris-generaal toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer zij klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is en/of wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat, zoals uit de bespreking van het eerste middel blijkt, het niet kennelijk onredelijk is dat de commissaris-generaal tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag besloten heeft; dat deze vaststelling volstaat om de asielaanvraag af te wijzen; dat de overige feiten die de verzoekende partij heeft aangevoerd niet verder onderzocht dienden te worden; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.
  9. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel uiteenzet dat luidt als volgt: "Afgeleid uit artikel 62 van de Wet van 15 december 1980; Doordat de beslissing louter gesteund is op vermeende vage en foutieve verklaringen; Dat de bestreden beslissingen niet of althans onvoldoende met redenen zijn omkleed; Dat daaruit geenszins een afweging blijkt tussen de belangen van verzoeker enerzijds en van de Staat anderzijds; Terwijl het belang van de Staat bij de maatregel nihil is en dat integendeel de schade die aan verzoeker zou berokkend worden enorm is; Dat bijgevolg bovenvermelde bepaling is geschonden bij gebreke aan afdoende motivering, En terwijl - de middelen tegen de overwegingen in hun geheel genomen - en artikel 62 van voormelde Vreemdelingenwet - en de rechtspraak van de Raad van State (dd. 25 september 1986 nr. 26933) - en artikel 8 juncto artikel 14 van het Europees Verdrag van de Rechten van de mens; -en artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen stellen dat de motivering in feite en in rechte afdoende moet zijn, en dat uit alle motieven zelf moet blijken dat de Overheid heeft afgewogen of een evenredigheid bestaat tussen de motieven en de door de maatregel veroorzaakte gevolgen; Dat de Commissaris-generaal de aanvraag van verzoeker als bedrieglijk beschouwt louter en alleen omdat verzoeker een aantal gegevens niet kon weergegeven zonder op enige wijze te onderzoeken of verzoeker, rekening houdend met zijn stand en opleiding, deze gegevens moest kunnen weergeven; Dat op geen enkele wijze blijkt dat de verklaring van verzoeker niet met de waarheid zou overeenstemmen; Dat de bestreden beslissingen niet of althans onvoldoende met redenen zijn omkleed; VII-31.682-6/8 Zodat die motieven niet evenredig zijn en zelfs in wanverhouding met het gestelde doel, en op onevenredige wijze de ingeroepen rechten van verzoeker aantasten, en in verdere orde zijn leven en zijn vrijheid in gevaar kunnen brengen; En zodat hierdoor - al dan niet met overtreding van substantiële voorgeschreven vormen - de machtsafwending en/of machtsoverschrijding klaarblijkelijk voorkomen en bewezen zijn; En zodat de aangevochten beslissing strijdig is met artikel 6 en 6bis van de Grondwet en het daarin gestelde gelijkheids-en non-discriminatiebeginsel, en via deze artikelen 8 juncto artikel 14 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens;"; Overwegende dat de in artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) neergelegde formele motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit de bewoordingen van de bestreden beslissing blijkt dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in het eerste deel van die beslissing op uitgebreide wijze én uiterst gedetailleerd de verklaringen die de verzoekende partij tijdens de diverse verhoren in het kader van de asielprocedure heeft afgelegd, uiteenzet; dat vervolgens de bevindingen worden weergegeven van het onderzoek van deze verklaringen; dat de commissaris-generaal aan de hand van deze vaststellingen ten slotte concludeert dat de asielaanvraag van betrokkene bedrieglijk is; dat bijgevolg dient te worden besloten dat de bestreden beslissing blijkt te zijn genomen in overeenstemming met de wetsbepalingen betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat deze de bestreden beslissing blijken te kunnen dragen en derhalve afdoende en deugdelijk zijn; dat de verzoekende partij voor het overige niet aangeeft hoe de bestreden beslissing de artikelen 6 en 6 bis van de Grondwet en artikel 8 juncto artikel 14 van het E.V.R.M. zou schenden; dat het derde middel niet gegrond is;
  10. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, VII-31.682-7/8 BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig februari tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-31.682-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.098 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.