id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.100 Rolnummer: A. 118029/VII-26032 Zaak: Arrest 141100 - - 23/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-08 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 08:02 Fiche Arrest nr 141.100 van 23 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 141.100 van 23 februari 2005 in de zaak A. 118.029/VII-26.032 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. MATTHIJS, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Vlaamse Kaai 54-57 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 12 maart 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 februari 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 28 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 26 maart 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 6 januari 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 9 februari 2005; VII-26.032-1/6 Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. SROKA, die, loco advocaat A. MATTHIJS, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché V. HOEFNAGELS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de auditeur in zijn verslag de toepassing voorstelt van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij kwam België binnen op 8 november 2000 en verklaarde zich op 10 november 2000 vluchteling. 1.
- Op 28 december 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 12 februari 2002 oordeelde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat de asielaanvraag bedrieglijk en kennelijk ongegrond was en bevestigde hij de beslissing van de minister letterlijk als volgt: "(...) Volgens uw verklaringen bent u afkomstig uit Iran, meerbepaald uit Teheran. U zou op 10/8/1379 (in de Gregoriaanse kalender: 1 november 2000) Iran verlaten hebben en vroeg op 10 november 2000 asiel aan bij de Belgische autoriteiten. U verklaarde op het Commissariaat-generaal Iran te hebben verlaten als gevolg van problemen met de Iraanse ordediensten omwille van het verspreiden van een video-tape met beelden van de Conferentie van Berlijn. Uw vrouw, eveneens afkomstig uit Teheran, zou op 7/8/1380 (in de Gregoriaanse kalender: 29 oktober 2001) Iran hebben verlaten samen met uw dochter en vroeg op 5 december 2001 asiel aan bij de Belgische autoriteiten. U zou een eerste keer in contact zijn gekomen met de ordediensten in de zomer van 1365 (in de Gregoriaanse kalender: 1987). U zou toen tien dagen zijn vastgehouden nadat u was opgepakt tijdens een manifestatie die was losgebarsten bij het doden van een kind door de Ettelaat. In 1369 (in de Gregoriaanse kalender: 1390) zou u, ondanks VII-26.032-2/6 uw dossier in de Evin-gevangenis, een paspoort hebben verkregen en maakte u een reis naar Japan. Daartoe had u iemand dienen om te kopen. U zou later echter nooit uw paspoort hebben verlengd. U zou verder "een vriend" zijn van Akbar Ganji, een journalist die als gevolg van zijn deelname aan de Conferentie van Berlijn in 1378 (in de Gregoriaanse kalender: 1999) zou zijn gearresteerd en nu in de gevangenis zit. U zou daarna één van de collega's van Ganji hebben ontmoet, namelijk Mohammad Kheyri die eveneens voor een aantal kranten schreef. Deze man zou u gevraagd hebben om te helpen bij het verspreiden van een video-tape met de ongecensureerde versie van de opname van de Conferentie van Berlijn. U zou op dat voorstel zijn ingegaan en zou tien kopies van de video-tape hebben verkregen die u verspreidde onder uw familie en vrienden. Op 3 of 4/5/1379 (in de Gregoriaanse kalender: 26 of 27 juli 2000) zou de Ettelaat bij u thuis naar u zijn komen vragen. U was op het werk, maar uw vrouw zou dat verzwegen hebben voor de Ettelaat. Uw vrouw zou u dan op uw werk hebben gebeld en u zou dan bij een vriend Ali zijn gaan logeren. Op 7/8/1379 (in de Gregoriaanse kalender: 29 juli 2000) zou u 's avonds bij u thuis zijn meegenomen door twee personen. Ze zouden u één nacht hebben vastgehouden en vroegen u naar de video. U zou echter niets hebben verteld daarover. De volgende ochtend werd u weer vrijgelaten. Toen u weer thuiskwam, zou uw vrouw u hebben verteld dat enkele dagen daarvóór haar neef op bezoek was geweest en dat die vertelde over de video. Daarop zou u besloten hebben te verhuizen en op 15/5/1379 (in de Gregoriaanse kalender: 6 augustus 2000) bent u verhuisd naar een andere wijk in Teheran. Op 3/6/1379 (in de Gregoriaanse kalender: 25 augustus 2000) zou u gecontacteerd zijn, via uw schoonouders, door uw nieuwe huisbaas. U was toen bij uw oom en op dat moment zouden de ordediensten uw nieuwe woonst hebben doorzocht. Er zouden zich op dat ogenblik geen bezwarende elementen in uw huis hebben bevonden. Daarop zou u Teheran hebben verlaten en naar de provincie Zenjan zijn gegaan, waar u tot 8/8/1379 (in de Gregoriaanse kalender : 30 oktober 2000) zou zijn gebleven bij een oom. Van daaruit zou u zowel uw oom in Teheran als Mohammad Kheyri hebben gecontacteerd. Omdat er volgens uw oom en Mohammad Kheyri nog een risico was bij terugkeer naar uw woning, zou u toen besloten hebben Iran te verlaten. U legde de identiteitskaarten van uw vrouw en uw kind voor. Eveneens bent u hier in het bezit van uw rijbewijs. Er dient te worden opgemerkt dat een aantal door u aangehaalde feiten en elementen van uw asielaanvraag niet als geloofwaardig en coherent voorkomen. Ten eerste hebt u tijdens uw verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken (dd. 10 november 2000) geen enkele melding gemaakt van een video met beeldmateriaal van de Conferentie van Berlijn (zie verhoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken nr.42). Dit ondanks het feit dat u op het Commissariaatgeneraal beweerde dat de verdeling van die video aan de basis lag van uw problemen met de Iraanse ordediensten. U zou door de Iraanse ordediensten tijdens uw arrestatie op 7/5/1379 (in de Gregoriaanse kalender: 29 juli 2000) zelfs ondervraagd zijn aangaande die bewuste video (zie verhoorverslag CGVS p.11). Uw vrouw, die een jaar later pas naar België kwam, legde op de Dienst Vreemdelingenzaken echter wel verklaringen af over een video met beeldmateriaal van de Conferentie van Berlijn. Volgens haar verklaringen zou u deze video gekregen hebben van vrienden, hem niet hebben bekeken en de video uiteindelijk hebben terug gegeven aan die vrienden. Aldus kan geen geloof worden gehecht aan de door u afgelegde verklaringen als zou u een ongecensureerde video over de Conferentie van Berlijn hebben verdeeld. Ten tweede kan uit uw verklaringen op het Commissariaat-generaal niet worden opgemaakt dat u een dermate nauwe band had met Ganji en dat u enkel op basis daarvan al problemen zou krijgen. U stelde weliswaar dat u beide in dezelfde wijk zou zijn opgegroeid, dat Ganji de laatste jaren soms naar de wijk zou zijn teruggekeerd om zijn moeder te bezoeken en dat hij onderwijl met de mensen van de wijk zou hebben gesproken, waaronder ook met u. De laatste keer dat u hem zag was echter enkele maanden vóór de Conferentie van Berlijn. Later zou u nooit meer iets van hem persoonlijk hebben vernomen (zie verhoorverslag CGVS p. 8). Bovendien weet u niet of Ganji eventueel lid was van een politieke partij, noch hebt u de film die u distribueerde zelf bekeken, al was het maar uit interesse. Aldus komt uw vrees voor de Iraanse ordediensten op basis van uw vriendschap met Ganji, zoals u verklaarde op de Dienst Vreemdelingenzaken, niet geloofwaardig over. VII-26.032-3/6 Er dient verder te worden opgemerkt dat de andere door u aangehaald feiten en elementen in het kader van uw asielaanvraag niet ernstig genoeg zijn om gewag te maken van een gegronde vrees voor een persoonlijke en systematische vervolging in de zin van de Conventie van Genève ais basis waarop u besloot uw land van herkomst, zijnde Iran, te verlaten. Evenmin kan worden gesteld dat u bij een eventuele terugkeer naar Iran zulke vrees dient te hebben. Betreffende uw problemen in 1365 (in de Gregoriaanse kalender : 1987) dient te worden opgemerkt dat u van dan af tot in 1379 (in de Gregoriaanse kalender: 2000) geen specifieke problemen kende als gevolg van uw toenmalige arrestatie. Bovendien zou u er zelfs in geslaagd zijn om in 1369 (in de Gregoriaanse kalender: 1990) een paspoort te bekomen en daarmee naar Japan te reizen. Aldus kan niet worden gesteld dat u als gevolg van uw toenmalige arrestatie zou zijn blootgesteld aan een persoonlijke en systematische vervolging zoals bedoeld in de Conventie van Genève. Betreffende uw problemen met de Iraanse ordediensten in 1379 (in de Gregoriaanse kalender: 2000), dient te worden opgemerkt dat deze evenmin zwaarwichtig genoeg zijn om te spreken van een gegronde vrees voor een persoonlijke en systematische vervolging zoals bedoeld in de Conventie van Genève. Uit uw verklaringen blijkt dat u slechts éénmaal bent meegenomen door de Iraanse ordediensten in de vijfde maand van het jaar 1379 waarbij u de volgende dag weer vrijkwam. Aan die aanhouding was geen enkel gerechtelijk gevolg verbonden. De ordediensten zouden later op uw nieuw adres zijn binnengevallen, doch zouden ze volgens uw verklaringen geen bezwarend materiaal hebben gevonden. Wat er ook van zij, op basis van informatie bekomen van de Belgische documentatiedienst voor de asielinstanties (gebaseerd op een telefonisch onderhoud met een Iraans journalist en researcher bij het "Center for Arab & Iranian studies" op 10 januari 2002) blijkt dat de bewuste video-tape geen beelden of tekst bevat die de Islamitische staat in vraag stellen. Er zouden enkel hervormingen in worden voorgesteld. Daarom kan ook gesteld worden dat er geen risico bestaat op het krijgen van een disproportionele straf (eventueel een boete of een inbeslagname van de video-tape) bij een eventuele aanhouding in verband met de videotapes. Aldus kan niet worden gesteld dat u op basis van het verdelen van deze video-tape het slachtoffer zou worden van een persoonlijke en systematische vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Tot slot dient te worden verwezen naar de documenten die u neerlegde ter ondersteuning van uw asielaanvraag. Deze betreffen uw identiteit, die van uw vrouw en kind, waar echter nooit aan werd getwijfeld. Toch zijn ze niet van die aard dat ze bovenstaande vaststellingen kunnen weerleggen.". Dit is de bestreden beslissing.
- Overwegende dat in een enig middel de schending wordt ingeroepen van de motiveringsplicht doordat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de feitelijke gegevens van de zaak miskent en ten onrechte besluit dat er geen gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève bestaat in hoofde van de verzoekende partij; dat de verzoekende partij stelt dat "de tegenstrijdigheden in de verklaring tussen beide echtgenoten verschillen zijn betreffende het opdoen van verschillende indrukken en geenszins verschillen in feitelijke toestanden" en dat het recht van verdediging geschonden is omdat zij geen verweer heeft kunnen voeren betreffende de informatie die de commissaris-generaal heeft ingewonnen; Overwegende dat de verzoekende partij wil aantonen dat de commissaris-generaal de feitelijke gegevens van de zaak verkeerd heeft beoordeeld; dat de VII-26.032-4/6 appreciatie van de feitelijke gegevens in de eerste plaats zaak is van de overheid; dat het de Raad van State niet toekomt zich bij het beoordelen van die feitelijke gegevens in de plaats te stellen van de overheid; dat de Raad van State, belast met de wettigheidscontrole, moet nagaan of de overheid deze beoordeling op in rechte en in feite aanneembare redenen heeft gesteund en of zij daarbij de grenzen van de redelijkheid niet heeft overschreden; dat niet wordt aangetoond dat de conclusies die de commissaris-generaal uit de door hem gedane feitelijke vaststellingen -die steun vinden in de verklaringen van de verzoekende partij- kennelijk onredelijk zouden zijn; Overwegende dat, wat de materiële motiveringsplicht betreft, de verzoekende partij er -zoals gezegd- niet in slaagt aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de commissaris-generaal en de gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt, kennelijk onredelijk zouden zijn; dat een verder onderzoek van het middel de Raad van State zou verplichten kennis te nemen van de feitelijke toedracht van de zaak en deze feiten te beoordelen; Overwegende dat, daargelaten de vraag of het beginsel van het recht van verdediging te dezen toepasselijk is, de stukken waarover sprake zich in het administratief dossier bevinden; dat de verzoekende partij van deze stukken kennis heeft kunnen nemen, maar nalaat ze aan kritiek te onderwerpen of te stellen dat de commissaris-generaal er verkeerde of kennelijk onredelijke conclusies zou hebben uit afgeleid;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- VII-26.032-5/6 De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig februari tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. V. VERTONGEN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, V. VERTONGEN. E. BREWAEYS. VII-26.032-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.100 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div