id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.167 Rolnummer: A. 104337/XIV-4302 Zaak: Arrest 141167 - - 24/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-07 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 08:03 Fiche Arrest nr 141.167 van 24 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.167 van 24 februari 2005 in de zaak A. 104.337/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat A. KONINCKX, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Belarussische nationaliteit, op 7 mei 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 6 april 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 2 augustus 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 1 juni 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 26 februari 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 april 2003; XIV-4302-1/8 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. KONINCKX, die verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché F. DE NEVE, die verschijnt voor de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 12 december 1999 en zich vluchteling verklaart op 13 december 1999; dat de minister van Binnenlandse Zaken op 2 augustus 2000 beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 6 april 2001 deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Betrokkene werd verhoord op 6 maart 2001 op de zetel van het commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Russische taal machtig is, en in aanwezigheid van zijn advocaat, mr. Koninckx. Betrokkene, staatsburger van Belarus van Joods/Russische origine, verklaarde dat hij problemen zou gehad hebben omwille van zijn politieke activiteiten, zijn protestantse geloofsovertuiging en zijn joodse origine. Betrokkene zou in 1994 door drie onbekenden aangevallen zijn omwille van zijn joodse origine. Op 20 juni 1997 zou betrokkene op zijn werk door zijn collega’s aangevallen zijn omwille van zijn joodse origine. Betrokkene zou in 1998 lid geworden zijn van het Belarus Narodni Front (BNF). Betrokkene zou drie keer door de politie gearresteerd zijn naar aanleiding van zijn deelname aan demonstraties georganiseerd door de oppositie, namelijk op 25 april 1999, op 30 september 1999 en op 17 oktober
- Tijdens de arrestatie op 17 oktober 1999 zou betrokkene door de politie geslagen zijn. Hij zou pas op 18 oktober 1999 vrijgelaten zijn. Op 26 oktober 1999 zou betrokkene op zijn werk ontslagen zijn omwille van zijn politieke activiteiten. Na zijn ontslag zou betrokkene om de drie à vier dagen, dit tot aan zijn vertrek, dreigtelefoons ontvangen hebben. Betrokkene zou telefonisch bedreigd geweest zijn opdat hij geen klacht zou indienen tegen zijn ontslag. Hij zou ook beledigd zijn als ‘vuile jood’. Begin december 1999 zou betrokkene door drie onbekenden, vermoedelijk politieagenten, aangevallen en geslagen zijn naast zijn huis. Betrokkene verklaarde daarnaast dat hij zijn baptistisch geloof niet vrij zou kunnen beleiden in Belarus. Op 5 december 1999 zou betrokkene Belarus verlaten hebben. Op 12 december 1999 vroeg hij asiel aan. Er dient te worden opgemerkt dat betrokkene voor het commissariaat-generaal verklaarde dat hij problemen kende omwille van zijn joodse origine, zijn politieke activiteiten en zijn geloofsovertuiging (CGVS, p 3-4). Betrokkene verklaarde voor het commissariaat-generaal dat hij grote problemen kreeg omwille van zijn politieke activiteiten (CGVS, p 25). Betrokkene zou drie keer gearresteerd zijn ten gevolge van zijn deelname aan een door de oppositie georganiseerde demonstratie. Wat de arrestaties op 25 april 1999 en 30 september 1999 betreft kan opgemerkt worden dat betrokkene deze arrestaties niet aanhaalde voor de dienst Vreemdelingenzaken waardoor er in ernstige mate aan getwijfeld kan worden of deze arrestaties zich ook daadwerkelijk hebben voorgedaan. Wat de arrestatie en opsluiting op 17 oktober 1999 naar aanleiding van betrokkenes deelname aan een betoging in Minsk betreft kan opgemerkt worden dat betrokkene voor het commissariaat-generaal verklaarde dat de demonstranten van het Jakob Kolas plein richting het Bangalor plein liepen en dat hij op deze route gearresteerd werd (CGVS, p 19, p 17). Uit de op het commissariaat-generaal aanwezige informatie blijkt daarentegen dat de demonstratie volgens deze route zonder problemen XIV-4302-2/8 verlopen is, maar dat er pas later op de dag arrestaties werden verricht toen kleine groepen demonstranten na de aankomst op het Bangalorplein pogingen ondernamen om zich naar het centrum van Minsk te begeven (Amnesty International, 21 juni 2000, p 6). Daarnaast kan hieromtrent opgemerkt worden dat betrokkene voor het commissariaat-generaal verklaarde dat hij op 17 oktober 1999 om 14 uur werd gearresteerd en pas op 18 oktober 1999 in de namiddag werd vrijgelaten (CGVS, p 19). In een door betrokkene neergelegd document dat door de politie werd afgeleverd staat daarentegen vermeld dat betrokkene zich op 17 oktober 1999 van 16 u tot 20 u op het politiekantoor bevond. Bovendien legde betrokkene nog een convocatie neer waarin vermeld staat dat hij zich op 18 oktober 1999 om 10u30 voor de rechter moet aanbieden. Het is echter zeer merkwaardig dat betrokkene zou geconvoceerd zijn door de rechter van de Frunzenski-wijk op 18 oktober 1999 om 10u30 terwijl hij, volgens zijn verklaringen voor het commissariaat-generaal, op dit ogenblik opgesloten zat in het politiekantoor van diezelfde wijk. Nog wat zijn politiek engagement betreft dient verder opgemerkt te worden dat betrokkene twee documenten neerlegde tot staving van zijn lidmaatschap van het BNF. In één van deze documenten (afgeleverd door het BNF) staat vermeld dat betrokkene voor de presidentsverkiezingen van 16 mei 1999 werd aangeduid om handtekeningen te verzamelen ten voordele van de presidentskandidaat Pazniak, de toenmalige voorzitter van het BNF (CGVS, p 5). Betrokkene verklaarde voor het commissariaat-generaal dat Lukachenko de door de Opperste Sovjet van de 13e legislatuur (het door de president in 1996 ontbonden parlement) geplande presidentsverkiezingen enkele dagen vóór 16 mei 1999 onwettig verklaarde en er voor had gezorgd dat alle stembureaus op die datum dicht waren (CGVS, p 13, 14, 16). Betrokkene verklaarde voor het commissariaat-generaal dat er bijgevolg op 16 mei 1999 niemand kon stemmen (CGVS, p 16). Uit de op het commissariaat-generaal aanwezige informatie blijkt daarentegen dat er wel degelijk een door de oppositie georganiseerde presidentsverkiezing plaatsvond van 6 mei 1999 tot 16 mei 1999 en dat 4,8 miljoen mensen hun stem hebben uitgebracht (SWB, 6 mei 1999 en SWB, 21 mei 1999). Aangezien betrokkene voor het commissariaat-generaal stelt dat hij actief lid was van het BNF en zich persoonlijk engageerde met betrekking tot deze verkiezingen door zoveel mogelijk mensen te overtuigen voor Pazniak te stemmen (CGVS, p 11-12), kan van betrokkene toch verwacht worden dat hij dan ook wist dat deze door de oppositie georganiseerde verkiezingen wel degelijk plaatsgevonden hebben van 6 mei tot 16 mei
- Bijgevolg kan in ernstige mate getwijfeld worden aan betrokkenes engagement voor het BNF tijdens deze verkiezingen. Gelet op bovenstaande kan bijgevolg geen enkel geloof meer gehecht worden aan de door betrokkene aangehaalde problemen ten gevolge van zijn politieke activiteiten in het kader van het BNF. Met betrekking tot de problemen die betrokkene aanhaalde omwille van zijn joodse origine, meer bepaald de aanval in 1994 en de aanval in 1997, dient opgemerkt te worden dat deze problemen betrokkene er duidelijk niet toe aangezet hebben zijn land onmiddellijk te verlaten. Integendeel, betrokkene werd in 1998 lid van het BNF en uit betrokkenes verklaringen blijkt duidelijk dat de problemen omwille van zijn politiek engagement het hoofdmotief uitmaken voor het ontvluchten van zijn land. Zo verklaarde betrokkene voor het commissariaat-generaal dat hij drie maal gearresteerd werd, ontslagen werd op zijn werk, aangevallen werd in december 1999 en dreigtelefoons kreeg tot aan zijn vertrek omwille van zijn politiek engagement (CGVS, p 17 en p 20). Betrokkene haalde voor het commissariaat- generaal aan dat hij tijdens de dreigtelefoons ook beledigd werd als ‘vuile jood’. Aangezien hierboven reeds werd vastgesteld dat er geen geloof meer gehecht kan worden aan de door betrokkene aangehaalde politieke activiteiten in het kader van het BNF kan bijgevolg evenmin geloof gehecht worden aan betrokkenes verklaringen als zou hij om dezelfde redenen dreigtelefoons gekregen hebben, waarna hij omwille van zijn origine zou beledigd zijn. Met betrekking tot de problemen die betrokkene zou gekend hebben omwille van zijn geloofsovertuiging dient opgemerkt te worden dat deze problemen onvoldoende zwaarwichtig zijn om te kunnen spreken van een daadwerkelijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Zo verklaarde betrokkene dat hij zijn baptistisch geloof openlijk zou willen beleiden, doch dat dit in Belarus niet mogelijk is (CGVS, p 28). Betrokkene haalde echter, noch voor de dienst Vreemdelingenzaken noch voor het commissariaat-generaal, concrete en persoonlijke problemen aan ten gevolge zijn geloofsovertuiging en stelde bovendien dat het eerder een interesse in plaats van een geloofsovertuiging betrof. (commissariaat-generaal, p 27 en p 28). Concluderend kan gesteld worden dat alle bovenstaande vaststellingen niet toe laten in hoofde van betrokkene te besluiten tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. De overige door betrokkene neergelegde documenten (geboorteakte, oud Sovjet-paspoort, een uittreksel uit zijn werkboekje, verschillende documenten betreffende betrokkenes werk in Belarus, verschillende medische attesten, een convocatie van de politie om te verschijnen op 6 december 1999 en kopies van verscheidene krantenartikels) zijn niet van die aard dat zij bovengaande vaststellingen kunnen wijzigen. XIV-4302-3/8 Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en antoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op 2 augustus
- De commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in het enige middel de schending opwerpt van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 1, A, 2) van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat zij aanvoert dat in de bestreden beslissing ten onrechte wordt aangenomen dat er geen enkel geloof kan worden gehecht aan haar problemen ingevolge haar politieke activiteiten in verband met het BNF, waarbij wordt voorbijgegaan aan de door de verzoekende partij aangehaalde feiten en documenten, dat uit het niet vermelden bij de dienst Vreemdelingenzaken van de arrestaties van 25 en 30 september 1999 niet kan worden afgeleid dat het bestaan van die arrestaties ernstig kan worden betwijfeld, dat de verhoren bij de dienst Vreemdelingenzaken in ijltempo verlopen en dat men de verzoekende partij er heeft gevraagd zich te beperken tot de laatste gebeurtenissen, meer bepaald deze van 17 oktober 1999, dat alleszins niet aan het bestaan van de arrestatie op 17 oktober 1999 kan worden getwijfeld, dat deze laatste arrestatie blijkt uit een officieel document van de politie, dat de commissaris-generaal niet betwist dat die dag in Minsk een vrijheidsmars werd gehouden op de door de verzoekende partij beschreven route, dat derhalve niet kan worden getwijfeld aan de arrestatie van de verzoekende partij naar aanleiding van haar deelname aan die mars, al stelt de commissaris- generaal dat volgens een rapport van Amnesty International geen arrestaties zouden zijn verricht op de door de verzoekende partij beschreven route, dat de commissaris-generaal een tegenstrijdigheid vaststelt omdat in het door de verzoekende partij bijgebrachte document wordt vermeld dat zij op 17 oktober 1999 om 16u werd gearresteerd en om 20u werd vrijgelaten, terwijl de verzoekende partij zelf verklaart dat zij om 14u werd aangehouden en pas daags nadien vrijgelaten, dat de politie vermoedelijk een beperkte duur heeft vermeld om aan de wettelijke vereisten inzake vasthouding te voldoen, dat de commissaris-generaal ten onrechte meent dat het onmogelijk is dat de verzoekende partij op 18 oktober 1999 nog werd vastgehouden en toch al voor een rechter moest verschijnen, dat het arrestatiebewijs en de oproeping voor de rechter echter één document uitmaken en dat de zittingzaal zich in het politiegebouw bevindt, dat de commissaris-generaal ten onrechte twijfelt aan de actieve deelname van de verzoekende partij aan het BNF omdat XIV-4302-4/8 zij niet zou hebben geweten dat op 16 mei 1999 de presidentsverkiezingen wel degelijk hebben plaatsgevonden, dat dit een verkeerde interpretatie is daar de verzoekende partij heeft bedoeld dat haar stembureau en een aantal andere gesloten waren en dat de verkiezingen uiteindelijk onwettig werden verklaard, al zijn een heel aantal mensen kunnen gaan stemmen, dat zij op de dienst Vreemdelingenzaken immers heeft verklaard dat de verkiezingen niet werden erkend door Lukaschenko en dat de resultaten nietig werden verklaard, dat dergelijk misverstand niet ten nadele van de verzoekende partij mag worden gebruikt en dat de argumenten van de commissaris-generaal voorbijgaan aan de feiten en stukken van het dossier, waaronder het arrestatiebewijs van 17 oktober 1999, de convocaties voor 18 oktober en 6 december, het attest van lidmaatschap van het BNF en het attest van het BNF dat de verzoekende partij omwille van haar politieke activiteiten wordt vervolgd; Overwegende dat de verzoekende partij er ter terechtzitting aan toevoegt dat voormelde stukken wel degelijk werden neergelegd op 6 maart 2001, vooraleer de bestreden beslissing werd genomen; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij verwijst naar artikel 62 van de Vreemdelingenwet en naar de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de uitdrukkelijke motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid een beslissing heeft genomen, zodat de bestuurde kan beoordelen of er aanleiding toe bestaat om de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit de uiteenzetting in het middel blijkt dat de verzoekende partij deze redenen kent, doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat de verzoekende partij de schending van de formele motiveringsplicht derhalve niet dienstig kan aanvoeren; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt; dat het bij de beoordeling daarvan niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij vooreerst stelt dat zij op de dienst Vreemdelingenzaken de kans niet zou hebben gekregen om de arrestaties van 25 en 30 september 1999 te vermelden; dat uit de lezing van het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken echter niet blijkt dat de verzoekende partij zich tot de gebeurtenissen van 17 oktober 1999 zou hebben moeten beperken; dat zij in deel 1 van dat verhoor verwijst naar haar lidmaatschap van het BNF sedert 1998 en gebeurtenissen in mei 1999, in deel 2 naar gebeurtenissen in 1997 en zelfs 1994 en dat zij in deel 3 uitweidt over haar XIV-4302-5/8 geloofsopvattingen; dat zij het verhoorverslag op ieder blad zonder enig voorbehoud heeft ondertekend; dat zij aldus niet aannemelijk maakt dat het verhoor in “ijltempo” zou zijn verlopen zonder dat zij zou hebben kunnen verwijzen naar de arrestaties van 25 en 30 september 1999; Overwegende dat de verzoekende partij de twijfel van de commissaris- generaal aan haar lidmaatschap van het BNF, die is gesteund op het feit dat zij zou hebben gezegd dat op 16 mei 1999 geen presidentsverkiezingen hebben plaatsgevonden, betwist; dat de verzoekende partij zulks nooit zou hebben verklaard en dat het om een “interpretatieprobleem” zou gaan; dat de verzoekende partij blijkens het verhoorverslag van de commissaris-generaal op de vraag of op 16.05.99 verkiezingen hebben plaatsgevonden, heeft geantwoord dat “op die datum hebben zeker geen verkiezingen plaatsgevonden” en op de vraag of de BNF-leden toen zijn gaan stemmen dat “het kan zijn dat ze gegaan zijn maar alle stemplaatsen waren gesloten”; dat zij op de vraag wie ervoor verantwoordelijk was dat alle stemplaatsen gesloten werden heeft geantwoord dat de opdracht van Lukaschenko kwam en dat zij nogmaals heeft bevestigd: “Er heeft niemand kunnen stemmen op 16/5/99; ja, klopt”; dat de verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat bij de beantwoording van de vragen of het noteren van de antwoorden een misverstand zou zijn gerezen, vermits de gestelde vragen ondubbelzinnig waren en de antwoorden ook categoriek waren; Overwegende dat de verzoekende partij de twijfels van de commissaris- generaal over de plaats en de duur van de aanhouding betwist; dat de commissaris-generaal inderdaad niet betwist dat op 17 oktober 1999 een demonstratie plaatsvond in Minsk, doch dat op de door de verzoekende partij aangegeven route blijkens een verslag van Amnesty International geen arrestaties zijn verricht; dat de verzoekende partij enkel haar eigen relaas herhaalt doch verder niet aannemelijk maakt dat deze vaststelling onjuist is; dat de verzoekende partij betreffende het arrestatiebewijs enkel stelt dat zij langer zou zijn aangehouden dan op dat stuk staat vermeld, doch dat zij daarmee niet de vaststelling door de commissaris-generaal van een tegenstrijdigheid tussen de verklaringen van de verzoekende partij en het door haar bijgebrachte stuk weerlegt; dat de verzoekende partij met een bepaalde uitleg in het middel aannemelijk tracht te maken dat zij wel degelijk voor een rechtbank kon worden opgeroepen op het ogenblik dat zij nog door de politie werd vastgehouden, doch dat zij met die verklaring post factum niet aantoont dat de commissaris-generaal in de bestreden beslissing met de elementen waarover hij op dat ogenblik beschikte, niet in redelijkheid tot de vaststelling van die tegenstrijdigheid zou kunnen zijn gekomen; dat de verzoekende partij er aan voorbijgaat dat de motivering van de bestreden beslissing, in het bijzonder betreffende de ongeloofwaardigheid van het politieke engagement en de daaruit voortvloeiende problemen, als een geheel moet worden gelezen zonder dat ieder afzonderlijk motief of iedere afzonderlijke vaststelling die beslissing moet kunnen dragen; XIV-4302-6/8 Overwegende dat de verzoekende partij niet ingaat op de beoordeling van de voorgehouden problemen ingevolge haar joodse afkomst en haar geloofsovertuiging; Overwegende dat de verzoekende partij derhalve niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid waarover de commissaris-generaal krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet beschikt; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig februari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, XIV-4302-7/8 M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-4302-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.167 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.