id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.180 Rolnummer: A. 105090/XIV-4746 Zaak: Arrest 141180 - - 24/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-07 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 08:04 Fiche Arrest nr 141.180 van 24 februari 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 141.180 van 24 februari 2005 in de zaak A. 105.090/XIV-
- In zake : XXX, die woont te 3500 HASSELT, Constant de Rouxstraat 37 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de minister van Binnenlandse Zaken. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Oezbeekse nationaliteit, op 23 mei 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 9 mei 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 10 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 2 juli 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 16 september 2003 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 5 november 2003; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-4746-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat V. ANTYCHIN, verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 25 oktober 2000 en zich vluchteling verklaart op 26 oktober 2000; dat op 10 november 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 9 mei 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Betrokkene werd verhoord op 17 april 2001 op de zetel van het commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Russische taal machtig is, en in aanwezigheid van haar advocaat, mr. Antychin. Betrokkene, Oezbeeks staatsburger van Russische origine, verklaarde dat zij problemen zou gehad hebben omwille van haar Russische origine. In 1994 zou betrokkenes man aangevallen zijn door Oezbeken omwille van zijn Russische origine. In 1994 zou betrokkene seksueel geïntimideerd zijn en klappen gekregen hebben op haar werk. In de periode 1995- 1997 zou betrokkene herhaaldelijk aangevallen zijn door fanatieke jongeren. Zij zou ook een aantal keren naar de politie gegaan zijn doch deze zouden niets gedaan hebben. In 1995 zou betrokkene één keer aangevallen zijn in de lift waardoor haar bril gebroken zou zijn. In juli 1995 zou zij aangevallen zijn met een scherp voorwerp en zou er een kruis op haar been gekerfd zijn. Nog in 1995 zou betrokkene aangevallen zijn en met glas zou in har wenkbrauw gesneden zijn. Er zouden ook geregeld stenen gegooid zijn naar betrokkene. In juni 1999 zou betrokkene, die toen negen maand zwanger zou zijn geweest, aangevallen zijn door drie Oezbeken in de metro. Als gevolg van het incident zou betrokkene gedurende twee weken in het ziekenhuis gelegen hebben. Op 18 juni 1999 zou haar kind geboren zijn. In juli 1999 zou betrokkene klacht ingediend hebben bij de politie. Deze zouden niets gedaan hebben. In augustus 1999 zou betrokkenes man niet teruggekeerd zijn van zijn werk. Hij zou verdwenen zijn met een onbekende bestemming. Betrokkene zou melding gemaakt hebben van zijn verdwijning bij de politie, maar deze zouden haar niet ernstig genomen hebben. In oktober 2000 zouden betrokkenes buren, een Russische familie, bezoek gekregen hebben van politieagenten. Betrokkene zou toen veel lawaai gehoord hebben en de volgende dag vernomen hebben dat de buren hoogstwaarschijnlijk vermoord waren. Betrokkene verklaarde ook nog dat zij voortdurend gediscrimineerd werd omwille van haar Russische origine en dat zij onder druk werd gezet om zich te bekeren tot de islam. In oktober 2000 zou betrokkene, samen met haar twee minderjarige kinderen, Oezbekistan verlaten hebben. Op 26 oktober 2000 vroeg zij asiel aan. Er dient te worden opgemerkt dat betrokkene voor het commissariaat-generaal verklaarde dat zij omwille van haar Russische origine en haar geloof ernstige problemen zou hebben gekend. Betrokkene verklaarde ook in een aanvullende brief die op het commissariaat-generaal werd neergelegd dat zij om deze reden op systematische wijze vernederd, aangevallen en vervolgd werd door de Oezbeekse bevolking en de Oezbeekse overheid. Er dient echter te worden opgemerkt dat betrokkenes verklaringen niet stroken met de op het commissariaat- generaal aanwezige informatie, waaruit blijkt dat er geen sprake is van een systematische vervolging van de Russische bevolkingsgroep in Oezbekistan. Hoewel er sprake is van geïsoleerde gevallen van discriminatie en/of geweld zou dit eerder het geval zijn tussen individuen dat tussen etnische groepen, en is de link tussen deze problemen en de etnische origine van het slachtoffer(s) vaak verre van duidelijk. Vanuit de overheid is er overigens XIV-4746-2/5 steeds meer de neiging om de emigratie van Russen, met name de braindrain, tegen te gaan. Overigens blijkt dat als er geen bescherming is vanuit de overheid dat deze niet het resultaat is van etnische redenen en dat deze slaat op alle bevolkingsgroepen van Oezbekistan (verslag Missierapport Oezbekistan en informatie Cedoca/februari 2001). Gelet op het bovenstaande kan in hoofde van betrokkene niet besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. De door betrokkene neergelegde documenten (een diploma en een attest van opleiding, de geboorteaktes van haar twee kinderen, de doopakte van haar kind, haar militair boekje en twee documenten betreffende betrokkenes werk) zijn niet van die aard dat zij bovenstaande vaststellingen kunnen wijzigen, aangezien deze documenten geen relevante informatie bevatten betreffende de door betrokkene aangehaalde problemen. Het door betrokkene neergelegde medisch attest wijzigt evenmin de bovenstaande vaststellingen aangezien het een opsomming betreft van betrokkenes bezoeken aan het ziekenhuis maar geen informatie verschaft over de redenen van deze bezoeken. Tot slot kan nog opgemerkt worden dat er in hoofde van betrokkenes grootmoeder XXX eveneens een bevestigende beslissing tot weigering van verblijf werd genomen wegens het niet stroken met de op het commissariaat-generaal aanwezige informatie. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en antoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op 10 november
- De commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending opwerpt van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partij aanvoert dat de motivering van de bestreden beslissing geen steun vindt in het dossier doch dat de asielaanvraag slechts op basis van algemene informatie bedrieglijk wordt verklaard, dat de commissaris-generaal erkent dat er geïsoleerde gevallen van discriminatie en/of geweld tegen Russen in Oezbekistan voorkomen doch stelt dat dit eerder het geval is tussen individuen dan tussen etnische groepen, dat de aanwezigheid van discriminatie en vervolgingen wegens ras of geloof blijkt uit het jaarverslag 2000 van Human Rights Watch, dat het Missierapport waarnaar de commissaris-generaal verwijst, nergens is bekendgemaakt en dat de bestreden beslissing is gesteund op niet-objectief verkregen gegevens die niet overeenstemmen met de werkelijke toestand; 2.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord stelt dat in de bestreden beslissing uitvoerig wordt gemotiveerd waarom de asielaanvraag bedrieglijk is, dat de problemen uit het door de verzoekende partij geciteerde verslag van Human Rights Watch betrekking hebben op moeilijkheden van christelijke missionarissen en twee daden van agressie jegens christenen, dat uit het geciteerde verslag blijkt dat de Russische minderheid Oezbekistan vooral om sociaal-economische redenen XIV-4746-3/5 verlaat, dat niet valt in te zien waarom de publicatie van het Missierapport de waarde van dit rapport zou vergroten, dat de verzoekende partij kennis van het Missierapport heeft en dat bij het opstellen van het Missierapport met de mening van tal van binnen- en buitenlandse observatoren en van geïdentificeerde Oezbeekse burgers is rekening gehouden; 2.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord verwijst naar het verweer van de eerste verwerende partij; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij er in de memorie van wederantwoord in essentie aan toevoegt dat de eerste verwerende partij blijft volharden in de geheimhouding van de informatie die aan de basis van de bestreden beslissing ligt, dat de motivering niet beantwoordt aan de werkelijkheid en, betreffende de moeilijkheden voor christelijke missionarissen en christenen en dat de verzoekende partij betreffende haar vervolging steeds heeft verwezen naar haar Russische origine en christelijk geloof; 2.
- Overwegende dat de uitdrukkelijke motiveringsplicht als vastgelegd in artikel 62 van de Vreemdelingenwet en artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid een beslissing heeft genomen, zodat de bestuurde kan beoordelen of er aanleiding toe bestaat om de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat uit de uiteenzetting in het middel blijkt dat de verzoekende partij deze redenen kent, doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat de verzoekende partij de schending van de formele motiveringsplicht derhalve niet dienstig kan aanvoeren; dat de verzoekende partij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt; dat het bij de beoordeling daarvan niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat in de bestreden beslissing wordt vastgesteld dat de verzoekende partij verklaart omwille van haar Russische afkomst en haar christelijk geloof te worden vervolgd; dat de commissaris-generaal dienaangaande in de bestreden beslissing overweegt dat deze verklaringen niet stroken met zijn informatie over de toestand van de Russische bevolkingsgroep in Oezbekistan, dat hij vervolgens overweegt dat er wel geïsoleerde gevallen van discriminatie en geweld voorkomen die eerder tussen individuen plaatsvinden om vervolgens te stellen dat, indien er geen bescherming van de overheid is, dit voor alle bevolkingsgroepen geldt; dat aldus minstens impliciet de mogelijkheid van XIV-4746-4/5 vervolging om etnische redenen wordt toegegeven en dat niet wordt ingegaan op de mogelijkheid van vervolging om redenen van godsdienst; dat het in de omstandigheden eigen aan de zaak kennelijk onredelijk is om op grond van die motieven reeds in de ontvankelijkheidsfase tot de bedrieglijkheid of de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag te besluiten; dat het eerste middel in die mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 9 mei 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 10 november 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de eerste verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig februari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-4746-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.180 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.