← België

Arrest 141182 - - 24/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.182 Rolnummer: A. 137674/XIV-15448 Zaak: Arrest 141182 - - 24/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-07 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 08:04 Fiche Arrest nr 141.182 van 24 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.182 van 24 februari 2005 in de zaak A. 137.674/XIV-15.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat L. BOELPAEPE, kantoor houdende te 6900 WAHA, Rue de Petit Bois 31 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 7 juni 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 6 mei 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 5 februari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 16 juni 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 9 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 maart 2004; XIV-15.448-1/8 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. DE LA COURT, die loco advocaat L. BOELPAEPE verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 26 november 2002 en zich op dezelfde dag vluchteling verklaart; dat op 5 februari 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 6 mei 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U verklaart de Iraanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Teheran. U zou een platonische relatie met een getrouwde vrouw, XXX, hebben gehad. Zij zou het nichtje van ex- president Rafsandjani zijn. U zou haar al kennen nog voor ze huwde en na haar huwelijk (zo’n acht jaar geleden) zou u telefonisch contact zijn blijven houden. U zou haar van tijd tot tijd bij haar moeder thuis gezien hebben toen u er electriciteitswerken uitvoerde. Op 20.08.1381 (volgens de Iraanse kalender, komt overeen in de Gregoriaanse kalender met 11 november 2002) zou XXX u opgebeld hebben om te vragen of u bij haar moeder kon komen omdat de electriciteit uitgevallen was. U zou naar het huis gegaan zijn om de panne te verhelpen. Nadien zou u nog even met XXX gepraat hebben. De conciërge, M, echter zou u er op gewezen hebben dat u het recht niet had om in het huis te zijn waarop u slaags zou zijn geraakt met de conciërge. U zou naar een vriend gegaan zijn en later op de dag zou XXX u gesmeekt hebben om Iran te verlaten. Ze zou u dit via de telefoon meegedeeld hebben maar de reden waarom u het land diende te ontvluchten zou ze niet opgegeven hebben. U zou naar Karaj gevlucht zijn. Daar zou u van uw tante XXX vernomen hebben dat uw ouderlijk huis doorzocht is en dat uw tweelingbroer, XXX, op 20.08.1381 (11 november 2002) meegenomen is door vermoedelijke agenten van de zoon van mr. Rafsandjani. Op 23.08.1381 (14 november 2002) zou u vanuit Karaj naar het buitenland gevlucht zijn. Op 26 november 2002, de dag waarop u hier asiel heeft aangevraagd, zou u in België aangekomen zijn. B. Motivering Er dient te worden opgemerkt dat u onvoldoende elementen aanbrengt om in de zin van de Geneefse Conventie van een gegronde vrees voor vervolging gewag te kunnen maken. Zo baseert u uw vluchtmotief enkel op informatie via derden. U bent op aanraden van uw geliefde gevlucht en dit zonder te weten wat de vluchtaanleiding zou mogen zijn (gehoorverslag Dringend Beroep (DB), p 6 en 7). U denkt dat de conciërge mr. Mehdi, de echtgenoot van uw geliefde, is gaan inlichten over jullie ‘platonische’ relatie en dit naar aanleiding van uw bezoek daterende van 20.08.1381 of 11 november 2002 (gehoorverslag DB, p 8). Uw verklaring dat u nu mogelijks van overspel wordt beticht is enkel en alleen gebaseerd op een vermoeden van uwentwege. U stelt weliswaar dat u die dag slaags bent geraakt met de conciërge doch, zo voegt u eraan toe, heeft de conciërge nooit tegen u gezegd waarom u het huis niet mocht betreden en heeft hij u evenmin beticht van ‘overspel’ (gehoorverslag DB, p 7). Evenzeer heeft u, die verklaart al jarenlang een platonische relatie met XXX te hebben, in het verleden nooit problemen ondervonden met haar echtgenoot mr. M. U verklaart immers zelf dat jullie relatie louter platonisch was waardoor er nooit een daad van ‘overspel’ heeft plaatsgevonden. Evenmin brengt u enig element aan waaruit zou blijken dat er momenteel, omwille van XIV-15.448-2/8 ‘overspel’, tegen u een rechtszaak aanhangig zou zijn. In dezelfde context verklaarde u dat, ondanks uw vrees van overspel te zijn beschuldigd, uw geliefde XXX momenteel geen problemen kent (gehoorverslag DB, p 7). Hieruit kan dan ook niet worden afgeleid dat u wel problemen zou ondervinden. Uw verklaring dat u het land diende te verlaten omdat u actueel van ‘overspel’ wordt beticht is aldus louter gebaseerd op een vermoeden en wordt op geen enkele manier gestaafd door concrete feiten en/of gebeurtenissen. Voorts moet opgemerkt dat uw relaas niet wars is van tegenstrijdigheden en bovendien enkele niet onbelangrijke lancunes bevat. Zo beweert u aanvankelijk dat Mehdi aan de conciërge gevraagd had om een oogje in het zeil te houden, maar op de vraag of Mehdi dit effectief aan de conciërge gevraagd heeft, spreekt u zichzelf onmiddellijk tegen door te stellen dat dit niet het geval was (gehoorverslag DB, p 5, 6). Verder blijft u ook heel vaag over de detentie van uw tweelingbroer. Zo weet u niet door wie hij opgepakt is en waarom. U vermoedt weliswaar dat agenten van de zoon van mr.Rafsandjani hem meegenomen hebben met de gedachte dat u het was doch u bent hiervan niet zeker (gehoorverslag DB, p 6). U kan evenmin toelichten waaruit u afleidt dat agenten van de zoon van Rafsandjani uw broer hebben gearresteerd. U weet in dringend beroep ook niet te verduidelijken of uw broer nog steeds gearresteerd is (gehoorverslag DB, p 6), terwijl u voor de dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat uw tweelingbroer kortstondig opgepakt werd waaruit kan worden afgeleid dat hij inmiddels werd vrijgelaten (zie bijlage 26bis). Bovenstaande vaststellingen ondermijnen de geloofwaardigheid van uw vluchtmotieven. U bent tenslotte in het bezit van een fax van uw shanesnameh (boekje van burgerlijke stand), een fax van de shanesnameh van uw vader XXX en die van uw tweelingbroer XXX, een fax van een electriciteitsfactuur daterende uit de tijd van de XXX en één daterende van nu (Islamitische republiek). Bovengenoemde documenten verschaffen wel enige informatie omtrent uw identiteit en uw woonplaats, maar voegen geen nieuwe elementen aan uw asielaanvraag toe. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de Vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993; artikel 17, par. 2, al. 2).”; 2.1.
  3. Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending opwerpt van artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de “beginselen van behoorlijk bestuur”; dat zij aanvoert dat het verhoor in dringend beroep met een vertaler Perzisch-Frans plaatsvond, dat de proceduretaal het Nederlands was, dat dus eerst van het Perzisch naar het Frans en dan van het Frans naar het Nederlands werd vertaald hetgeen zeker misverstanden en fouten in de hand kan werken, dat de raadsman van de verzoekende partij niet verplicht is tweetalig te zijn en dat hij zijn cliënt niet kan bijstaan wanneer hij de taal van het verhoor niet begrijpt; 2.1.
  4. Overwegende dat uit artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet niet kan worden afgeleid dat de tolk die de verklaringen van de kandidaat-vluchteling vertaalt, dit rechtstreeks moet doen in de taal van de procedure; dat de verzoekende partij niet aantoont dat de vertaling bij het verhoor op het commissariaat-generaal door de tolk van het Perzisch XIV-15.448-3/8 naar het Frans en vervolgens door de interviewer naar het Nederlands zou zijn gedaan, noch in concreto aangeeft in welke mate de vertaling in voorkomend geval niet naar behoren zou zijn gedaan en in welke mate de belangen van de verzoekende partij daardoor zouden zijn geschaad; dat dit des te meer klemt nu de verzoekende partij en haar raadsman na de voorlezing van het kwestieuze verhoorverslag geen enkele opmerking over de vertaling hebben gemaakt en ook thans geen concrete vertaalfouten of misverstanden aangeven; dat de verzoekende partij niet aangeeft welk algemeen beginsel van behoorlijk bestuur zou zijn geschonden; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  5. Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending opwerpt van de artikelen 52 en 62 van de Vreemdelingenwet, van de artikelen 4, 5, 6 en 12 van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, “het gebrek aan een adequate motivatie en een kennelijke beoordelingsfout”, machtsoverschrijding en machtsafwending; dat zij aanvoert dat zij gedurende de beroepstermijn van 30 dagen voor de Raad van State het recht heeft het administratief dossier te raadplegen en een afschrift van het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken te verkrijgen, dat dit afschrift haar na haar aanvraag van 14 mei 2003 niet werd gegeven, dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar de bijlage 26bis en niet naar het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken alhoewel de bestreden beslissing mede is gesteund op de verklaringen van de verzoekende partij op de dienst Vreemdelingenzaken, dat op 5 juni 2003 aan de raadsman van de verzoekende partij telefonisch werd bevestigd dat het enige verslag in het dossier het onvolledige verslag van de dienst Vreemdelingenzaken is waarvan een afschrift werd opgestuurd, dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing dus niet over het volledige dossier beschikte en daarom niet in de mogelijkheid was om een beslissing te nemen en dat het onmogelijk is de juistheid na te gaan van de beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten van 5 februari 2003; 2.2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij een afschrift van het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken heeft gevraagd en dit afschrift ook heeft gekregen; dat het weliswaar een onvolledig afschrift zou betreffen doch dat bezwaarlijk een uitgebreid verslag voorhanden kon zijn, nu op het eerste blad van het verhoorverslag staat vermeld: “Betrokkene weigert na enkele vragen mee te werken en nog verder te antwoorden omdat hij een andere tolk wil. Betrokkene meent psychologische problemen te hebben”; dat de bestreden beslissing in de eerste plaats blijkt te zijn gesteund op vaststellingen uit het verhoor op het commissariaat-generaal en slechts in de tweede plaats op één enkele vaststelling uit een verklaring van de verzoekende partij op de dienst Vreemdelingenzaken, die inderdaad niet in het voorhanden zijnde (gedeelte van het) verslag van de dienst Vreemdelingenzaken blijkt voor te komen; dat dit laatste motief, zoals hierna uit de bespreking van het derde middel blijkt, een overtollig motief vormt; dat XIV-15.448-4/8 de Raad van State geen bepaling bekend is volgens dewelke een beslissing in dringend beroep noodzakelijkerwijs ook op in eerste aanleg voor de dienst Vreemdelingenzaken afgelegde verklaringen vaststellingen moet zijn gesteund; dat in deze omstandigheden uit het feit dat geen volledig afschrift van het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken voorhanden was en is, geen onwettigheid van de bestreden beslissing kan worden afgeleid; dat het middel ongegrond is in de mate dat het op de schending van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur is gesteund; Overwegende dat de motieven van de bestreden beslissing op eenvoudige wijze in die beslissing kunnen worden gelezen, zodat de verzoekende partij met kennis van zaken kon oordelen om al dan niet gebruik te maken van de middelen waarover zij in rechte beschikt om die beslissing aan te vechten; dat daarmee aan de voornaamste vereiste van de formele motiveringsplicht is voldaan; dat het middel ongegrond is in de mate dat het op de schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet en van de wet van wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen is gesteund; Overwegende dat de verzoekende partij met “kennelijke beoordelingsfout” een schending van de materiële motiveringsplicht lijkt te bedoelen; dat zij met de loutere stelling dat de commissaris-generaal geen beslissing mocht nemen zonder over een volledig verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken te beschikken, niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is gesteund op onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze is genomen; dat, zoals reeds hoger is gesteld, er geen wettelijke verplichting voor de commissaris-generaal bestaat om het verhoor van de dienst Vreemdelingenzaken in zijn beslissing te betrekken wanneer hij in redelijkheid voldoende motieven uit zijn eigen vaststellingen kan putten; dat de huidige stelling van de verzoekende partij erg bevreemdend voorkomt nu zij zelf reeds na het stellen van enkele vragen haar verdere medewerking op de dienst Vreemdelingenzaken heeft geweigerd; dat het middel ongegrond is in de mate dat het op de schending van de materiële motiveringsplicht is gesteund; dat het middel ongegrond is in de mate dat het op de schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet is gesteund, nu de verzoekende partij met haar stelling als hierboven omschreven niet aannemelijk maakt dat de commissaris- generaal met de bestreden beslissing de ruime appreciatiebevoegdheid die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is toegekend, heeft overschreden; Overwegende dat er van machtsafwending sprake is wanneer een beslissing is genomen met als doel enkel een ongeoorloofd oogmerk; dat de verzoekende partij niet het minste element aanvoert waaruit zulks te dezen zou kunnen blijken en zelfs niet uiteenzet op welke wijze er machtsafwending zou zijn gepleegd; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; XIV-15.448-5/8 2.3.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij in een derde middel de schending opwerpt van artikel 1, A, 2) van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van de artikelen 52 en 62 van de Vreemdelingenwet, van de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, “het gebrek aan een adequate motivatie en een kennelijke beoordelingsfout”; dat de verzoekende partij in een eerste onderdeel aanvoert dat zij voldoende elementen heeft aangehaald dat de door haar aangehaalde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie niet ongegrond is, dat zij aldus heeft verklaard dat XXX gehuwd was met een lid van invloedrijke familie, dat zij in het geheim contact had met XXX, dat zij op 11 november 2002 samen met XXX werd opgemerkt door de conciërge van de echtgenoot van XXX, dat XXX de verzoekende partij korte tijd nadien totaal overstuur heeft opgebeld en haar heeft gezegd het land te verlaten, dat dezelfde dan een huiszoeking bij de verzoekende partij is gebeurd, waarbij foto’s en brieven van XXX in beslag werden genomen en waarbij de tweelingbroer van de verzoekende partij werd aangehouden, van wie verder nieuws ontbreekt, dat dit alles in het licht van de Iraanse samenleving moet worden beoordeeld, waar overspel zwaar wordt gestraft en het niet relevant is of er effectief een seksuele relatie was, dat de verzoekende partij een subjectieve vrees koesterde waarvoor voldoende objectieve elementen bestonden, dat haar relaas dan ook niet kennelijk ongegrond is en dat het feit dat XXX zelf geen problemen kent niet doorslaggevend is nu haar echtgenoot de eer van de familie misschien wil redden, erg verliefd is op XXX en daarom mogelijkerwijze liever de verzoekende partij uit de weg ruimt; dat de verzoekende partij in een tweede onderdeel betreffende de door de commissaris-generaal vastgestelde “tegenstrijdigheden en enkele niet onbelangrijke lacunes” aanvoert dat zij zich niet heeft tegengesproken betreffende de instructies die de conciërge van de echtgenoot van XXX had, dat de commissaris-generaal niet kon weten wat de verzoekende partij op de dienst Vreemdelingenzaken heeft verklaard over het feit of haar broer al dan niet aangehouden was gebleven nu het verhoorverslag dienaangaande zich niet in het dossier bevindt, dat de verzoekende partij nog steeds niet weet of haar broer nog aangehouden is of niet, dat de verzoekende partij niet méér informatie over de detentie van haar broer kan geven dan zij zelf heeft en dat de familie van de echtgenoot van XXX voldoende invloed heeft om tot maatregelen als huiszoeking en aanhouding over te gaan; 2.3.
  8. Overwegende dat voor wat betreft de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen naar de bespreking van het tweede middel kan worden verwezen; Overwegende dat moet worden herhaald dat het bij de beoordeling daarvan niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve XIV-15.448-6/8 overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de bestreden beslissing vooreerst is gesteund op het feit dat de verzoekende partij “onvoldoende elementen aanbrengt om in de zin van de Geneefse Conventie van een gegronde vrees voor vervolging gewag te kunnen maken”, hetgeen dan in concreto wordt uitgewerkt; dat dit een determinerend motief vormt in de zin dat het de bestreden beslissing kan dragen; dat de verzoekende partij met enkel een herhaling van haar verklaringen over de vrees om op grond van overspel met XXX te worden vervolgd in de zin van de Vluchtelingenconventie, niet aannemelijk maakt dat de beoordeling dienaangaande in de bestreden beslissing is gebeurd op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid waarover de commissaris-generaal krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet beschikt; dat het eerste onderdeel van het middel ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede onderdeel van het middel het tweede weigeringsmotief van de bestreden beslissing aanvecht, met name het bestaan van “tegenstrijdigheden en bovendien enkele niet onbelangrijke lacunes” in het relaas van de verzoekende partij; dat dit in het licht van het voorgaande een overtollig motief vormt; dat de eventuele gegrondheid van de kritiek tegen dit overtollig motief derhalve niet tot de onwettigheid van de bestreden beslissing kan leiden zodat de verzoekende partij geen belang kan doen gelden bij het tweede onderdeel van het middel; dat het tweede onderdeel van het middel om die reden niet-ontvankelijk is;
  9. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  10. XIV-15.448-7/8 De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig februari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-15.448-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.182 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.