← België

Arrest 141184 - - 24/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.184 Rolnummer: A. 101845/XIV-2673 Zaak: Arrest 141184 - - 24/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-07 Raadplegingen: 53 - laatst gezien 2026-07-02 08:04 Fiche Arrest nr 141.184 van 24 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr.141.184 van 24 februari 2005 in de zaak A. 101.845/XIV-

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat G. MARINUS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 210A tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
  2. de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
  3. de minister van Binnenlandse Zaken. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Somalische nationaliteit, op 16 maart 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 15 februari 2001 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 13 juni 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 25 november 2003 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 7 januari 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-2673-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat L. TIMMERMAN, die loco advocaat G. MARINUS verschijnt voor de verzoekende partij, van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 13 januari 2000 en zich op 17 januari 2000 vluchteling verklaart; dat op 13 juni 2000 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 15 februari 2001 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “Betrokkene werd verhoord op 3 januari 2001 op de zetel van het commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Somalische taal machtig is. Betrokkene verklaarde de Somalische nationaliteit te bezitten, te behoren tot de Sheikhal clan en afkomstig te zijn uit Afgoye. In februari 1992 werd Afgoye aangevallen door Darood- troepen. Hierbij werd het huis van betrokkene vernield en raakte haar vader gewond. Hij werd naar een ziekenhuis gebracht. Kort daarop heroverde de Hawiye-clan de stad. De Hawiye beschuldigden de minderheidsclans ervan de Darood te steunen. Enkele Hawiye vielen de woning van betrokkene binnen. Betrokkene en haar moeder werden aangerand en geslagen. De vader van betrokkene, die nog steeds in het ziekenhuis verbleef, werd door de Hawiye geslagen en bedreigd. Dezelfde maand vluchtte de vader van betrokkene naar Ethiopië. De moeder van betrokkene nam daarop de slagerij van haar echtgenoot over. Na tal van pesterijen en de uiteindelijke vernieling van de slagerij door de Hawiye, verlieten betrokkene en haar moeder de stad en gingen ze op hun boerderij wonen. In april 1996 kwamen vier Hawiye- militieleden naar de boerderij. Ze randden betrokkene aan en staken haar met een bajonet. De boerderij werd in brand gestoken. In november 1996 kwamen opnieuw Hawiye naar de boerderij. Ze sloegen betrokkene en haar moeder en randden hen aan. Daarna gooiden ze betrokkene in doornstruiken, waardoor betrokkene gewond raakte, en verbrandden ze haar handen. Bij hun vertrek namen de Hawiye een koe en haar kalf mee. In augustus 1998 kwam de vader van betrokkene terug uit Ethiopië, met de bedoeling zijn echtgenote en dochter naar Ethiopië te brengen. Vijf dagen na zijn aankomst, werd hij gedood door iemand van de Hawiye-clan. Betrokkene en haar moeder vroegen het lichaam van de vader van betrokkene te mogen terugkrijgen, maar de Hawiye vroegen een voor betrokkene veel te hoge prijs. Drie dagen later besloten betrokkene en haar moeder naar Baydhabo. Onderweg werden ze gevangen genomen door Hawiye en gedwongen tewerkgesteld op een boerderij op de weg naar Mogadishu. In 1998 werd betrokkene ziek. Hierdoor diende ze niet langer te werken. In oktober 1999 huwde ze. In december 1999 werd haar echtgenoot, die koranleraar was, tijdens zijn les gekidnapt. Betrokkene probeerde tevergeefs te weten te komen wat met hem gebeurd was. Op 15 december 2000 reisde betrokkene naar Addis Abeba (Ethiopië). Daar nam ze op 10 januari 2000 in het gezelschap van een begeleider een vliegtuig naar Rome (Italië). Op 12 januari 2000 reisde ze per trein verder naar België. Op 13 januari 2000 kwam betrokkene in België aan en op 17 januari 2000 vroeg betrokkene asiel aan. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat de verklaringen die betrokkene aflegde voor het commissariaat-generaal op een aantal essentiële punten niet overeenstemmen met wat zij verklaarde voor de dienst Vreemdelingenzaken. Zo verklaarde betrokkene voor de dienst Vreemdelingenzaken (dd 6 juni 2000) dat haar vader in 1992 gewond raakte tijdens gevechten tussen Darood en Hawiye, werd opgepakt door Hawiye-militairen, na tien dagen kon ontsnappen en vervolgens naar Ethiopië vluchtte (cf punt 42 van het verhoorverslag). Voor het commissariaat-generaal maakte ze op geen enkele wijze melding van de gevangenschap van XIV-2673-2/5 haar vader en verklaarde ze dat hij, nadat hij bij gevechten tussen de Darood en de Hawiye gewond raakte, in een ziekenhuis werd opgenomen, waar hij later door Hawie geslagen en bedreigd werd. Daarna vluchtte hij naar Ethiopië (cf p. 2 van het verhoorverslag). Ook beweerde zij voor het commissariaat-generaal dat, toen de Hawiye in 1992 de controle over Afgoye overnamen, zijzelf en haar moeder geslagen en aangerand werden, een gebeurtenis waarvan zij voor de dienst Vreemdelingenzaken in het geheel geen melding maakte; Ook verklaarde zij voor het commissariaat-generaal, en dat voor de eerste keer, dat zij bij de aanval in april 1996 ook werd aangerand, en dat zijzelf en haar moeder in november 1996 nogmaals werd aangerand (p 3 en 4). Ook van het feit dat tijdens de aanval in november 1996 haar handen verbrand werden (p 4), repte ze met geen woord voor de dienst Vreemdelingenzaken. Tenslotte maakte zij pas voor het commissariaat-generaal voor de eerste keer gewag van hun vluchtpoging naar Baydhabo in augustus 1998, hun arrestatie door de Hawiye onderweg, hun gedwongen terwerkstelling op een boerderij en de daar systematisch ondergane aanrandingen (p 4 en 5). Dergelijke belangrijke tegenstrijdigheden en hiaten ondermijnen in ernstige mate de geloofwaardigheid van het asielrelaas van betrokkene. Hoe dan ook is betrokkene niet in het bezit van enig document (zelfs geen instapkaart of bagageticket) dat een controle van haar reisweg mogelijk maakt. Aangezien het in casu gaat om een intercontinentale vliegreis en een treinreis, getuigt dit van een gebrek aan medewerking om de reisweg vast te stellen en houdt dit dientengevolge eveneens een negatieve indicatie in voor de geloofwaardigheid van haar asielrelaas. Het nationaliteitsattest van de organisatie Badbaado (dd 29 mei 2000) dat betrokkene voorlegt ter ondersteuning van haar asielrelaas doet geen afbreuk aan voorgaande vaststellingen, gezien haar nationaliteit niet in twijfel getrokken wordt. Het medisch attest van dokter Keersmaekers (dd 17 februari 2000) doet evenmin afbreuk aan wat voorafging, gezien geen uitsluitsel gegeven wordt over de omstandigheden waarin betrokkene de beschreven wonden opliep. Tenslotte bevat het verzoekschrift van betrokkene geen enkel ander element dat vermag de weigeringsbeslissing van de dienst Vreemdelingenzaken te wijzigen. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en antoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken op 13 juni
  5. De commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren.”; 2.
  6. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending opwerpt van “de Conventie van Genève van 28 juli 1951" en dit toelicht als volgt: “De dienst Vreemdelingenzaken en het commissariaat-generaal hebben de Conventie van Genève geschonden door verzoekster niet te erkennen als politiek vluchteling. Ten onrechte wordt immers gesteld dat de verklaringen van verzoekster afgelegd door het commissariaat-generaal op een aantal essentiële punten niet overeenstemt met wat zij destijds verklaarde voor de dienst Vreemdelingenzaken. Dat bepaalde gebeurtenissen slechts voor de eerste maal vermeld werden voor het commissariaat-generaal, komt echter louter doordat ten tijde van het interview voor de dienst Vreemdelingenzaken enkel naar de grote lijnen van het relaas van verzoekster werd gevraagd. Het interview voor het commissariaat-generaal nam veel meer tijd in beslag en was dan ook veel gedetailleerder. Opgemerkt moet worden dat verzoekster zichzelf nochtans nergens tegenspreekt. Wanneer het commissariaat-generaal voorhoudt dat er belangrijke tegenstrijdigheden en hiaten zijn in de verklaringen van verzoekster, vergist men zich schromelijk. Verzoekster is de dupe van de verwarring van het commissariaat-generaal. Verzoekster heeft steeds consequent op alle vragen kunnen antwoorden. Dat verzoekster niet in het bezit is van een document dat controle van haar reisweg mogelijk maakt, kan haar moeilijk ten kwade geduid worden. XIV-2673-3/5 Verzoekster reisde immers onder begeleiding van ene mijnheer S A, die alles voor haar regelde. Heden doet de raadsman van verzoekster navraag bij Alitalia of de naam van verzoekster of van de heer A niet kan worden teruggevonden. Het commissariaat-generaal stelt tenslotte dat het medisch attest van dr. Keersmaeckers dd 17 februari 2000 geen uitsluitsel geeft over de omstandigheden waarin betrokkene de beschreven wonden opliep. Echter kan men van een geneesheer toch niet verwachten dat hij aan de hand van vastgestelde verwondingen zwart op wit de oorzaak van die verwondingen beschrijft. De door het commissariaat-generaal gevolgde redenering is dan ook nutteloos. Bovendien dient erop gewezen te worden dat verzoekster ten tijde van het geneeskundige onderzoek hoogzwanger was, zodat bijvoorbeeld een radiologisch onderzoek destijds niet tot de mogelijkheden behoorde. Intussen is verzoeker op 30 augustus 2000 bevallen van een dochter, XXX.”; 2.
  7. Overwegende dat dient te worden herhaald dat het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 op zichzelf niet volstaat om toepasbaar te zijn zonder dat verdere reglementering met het oog op precisering of vervollediging noodzakelijk is; dat dit verdrag geen duidelijke en juridisch volledige tekst is die de verdragspartijen of een onthoudingsplicht of een plicht om op een welbepaalde wijze te handelen, oplegt en dat er derhalve een directe werking aan moet worden ontzegd zodat de verzoekende partij de rechtstreekse schending ervan niet dienstig kan inroepen; dat het middel in die mate niet ontvankelijk is, daargelaten de vaststelling dat de verzoekende partij niet eens aanduidt welke bepaling ervan zou zijn geschonden; Overwegende dat de verzoekende partij, in de mate dat zij de motieven van de bestreden beslissing inhoudelijk lijkt aan te vechten, de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt; dat het bij de beoordeling daarvan niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat de verzoekende partij op geen enkele van de in de bestreden beslissing in aanmerking genomen tegenstrijdigheden ingaat; dat zij zich voor het overige beperkt tot het herhalen van haar eigen standpunt; dat de verzoekende partij voorbijgaat aan het feit dat de motivering van de bestreden beslissing als een geheel moet worden gelezen, zonder dat ieder afzonderlijk motief die beslissing op zichzelf moet kunnen dragen; dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens of op kennelijk onredelijke wijze; dat het middel in die mate ongegrond is;
  8. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-2673-4/5 BESLUIT: Artikel
  9. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  10. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig februari tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-2673-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.184 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.