id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.216 Rolnummer: A. 79726/X-8335 Zaak: Arrest 141216 - - 24/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-16 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 08:07 Fiche Arrest nr 141.216 van 24 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.216 van 24 februari 2005 in de zaak A. 79.726/X-
- In zake :
- Patricia KERVYN DE VOLKAERSBEKE,
- Alexandra KERVYN DE VOLKAERSBEKE,
- Guillaume KERVYN DE VOLKAERSBEKE, die woonplaats kiezen bij Advocaat E. EMPEREUR, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louisalaan 106 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Patricia KERVYN DE VOLKAERSBEKE, Alexandra KERVYN DE VOLKAERSBEKE en Guillaume KERVYN DE VOLKAERSBEKE op 7 augustus 1998 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 3 juni 1998 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van hun beroep tegen het besluit van 20 november 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij hun de vergunning wordt geweigerd voor het verkavelen van gronden gelegen op een perceel te Gent, Paradijskouter, kadastraal bekend Sectie C, nrs. 625a, 626, 627a, 628, 629a, 630a, 632a, 634, 635a, 636, 637, 642a en 633 (deel); Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 22 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-8335-1/5 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 30 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 oktober 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat W. VANDENBERGHE die, loco Advocaat E. EMPEREUR verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat T. DE SUTTER die, loco Advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord de ontvankelijkheid van de memorie van antwoord betwisten; dat deze exceptie in het Auditoraatsverslag werd besproken en weerlegd; dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie hierop niet terugkomen; dat dit de Raad doet aannemen dat de verzoekende partijen overtuigd zijn door de analyse van de exceptie door het bevoegde lid van het Auditoraat en derhalve geacht worden afstand te doen van hun exceptie; Overwegende dat de verzoekende partijen in de laatste memorie met betrekking tot de in het verslag van het met het onderzoek van de zaak gelaste lid van het Auditoraat ambtshalve opgeworpen exceptie afgeleid uit de ontstentenis van het rechtens vereiste actueel belang, opwerpen dat de wijziging die bij decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening aan de beroepsprocedure inzake verkavelingsvergunningen werd aangebracht in casu niet van toepassing is; dat de verzoekende partijen daaromtrent o.m. laten gelden wat volgt : "De schijnbare wijziging die werd doorgevoerd, is te verklaren vanuit de wijziging die in de beroepsprocedure voor stedenbouwkundige vergunningen X-8335-2/5 en verkavelingsvergunningen werd doorgevoerd bij Decreet van 26 april 2000, eveneens in werking getreden op 1 mei
- Waar in het oude systeem van de artikelen 53 ex. van het D.R.O.G. een dubbele beroepstrap bestond, bij de bestendige Deputatie en bij de Minister, werd deze laatste beroepstrap afgeschaft en kan in de huidige stand van de wetgeving nog slechts beroep worden ingediend hij de Bestendige Deputatie. Bij deze decreetswijziging van 26 april 2000 werd uitdrukkelijk bepaald in artikel 61 dat de afschaffing van de beroepstrap slechts geldt voor dossiers waarvoor op 1 mei 2000, datum van inwerkingtreding van het decreet, nog geen beroep is ingesteld bij de Bestendige Deputatie. Voor de op die datum reeds aanhangig gemaakte beroepen blijft de oude regeling met de beroepsmogelijkheid bij de Minister gelden. In casu dateert het beroep bij de bestendige Deputatie van voor 1 mei 2000, zodat de oude beroepsprocedure nog van toepassing is, mét beroepsmogelijkheid voor de minister, zoals bepaald in de niet opgeheven artikelen 53 en 55 van het D.R.O.G.. De afhandeling van het beroep door de minister vindt dan noodzakelijkerwijze plaats zoals in de oude procedure bepaald. De opheffing van artikel 56 D.RO.G. is derhalve te snel doorgevoerd, nu dit artikel 56 D.R.O.G. nog relevant is voor de voor 1 mei 2000 ingediende beroepsprocedures. Het aangepaste artikel 133 van het Decreet van 18 mei 1999 is immers enkel toepasselijk op de beroepsprocedures die vallen onder de met het Decreet van 26 april 2000 aangepaste beroepsprocedure voor de Bestendige Deputatie en spreekt niet meer over de beroepsmogelijkheid voor de minister. Nu het Decreet van 26 april 2000 expliciet bepaalt dat voor dossiers waarvoor op 1 mei 2000, datum van inwerkingtreding van het decreet, reeds een beroep aanhangig gemaakt is bij de Bestendige Deputatie, de beroepsmogelijkheid bij de Minister behouden blijft, dienen de oude procedureregels evenzeer toegepast te worden teneinde de aanvrager ook alle nodige rechtsbescherming te garanderen. Het belang van verzoekers is er dan ook in gelegen dat, in geval van vernietiging van de bestreden beslissing, het beroep opnieuw behandeld wordt door de minister, met in acht name van de overwegingen van uw Raad. De Raad van State kan in zijn overwegingen reeds aangeven waaruit het rechtsherstel zou bestaan. In het kader van een effectieve rechtsbescherming en steunend op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (redelijkheid, zorgvuldigheid, fair play, ...) kan de Raad aangeven dat een verzoek vanwege de minister aan de Gouverneur om de Gemeenteraad bijeen te roepen over de zaak van de wegen, een maatregel van behoorlijk bestuur zou zijn; In ieder geval zullen verzoekers er bij de minister op aandringen om dit verzoek te richten aan de Gouverneur. Artikel 133 van het decreet van 18 mei 1999 sluit in ieder geval niet uit dat de minister aan de gouverneur het bedoelde verzoek richt. Indien dit niet zou kunnen op basis van het oude artikel 56 van het D.R.O.G., dan kan het in ieder geval op grond van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, die elk bestuur, op gewestelijk, provinciaal of gemeentelijk niveau, dient in acht te nemen. Hier kan bijvoorbeeld verwezen worden naar de praktijk in verband met het openbaar onderzoek. Hoewel geen enkele bepaling de mogelijkheid voorziet dat de bestendige deputatie of de minister in administratief beroep aan de gemeente kan vragen een openbaar onderzoek te organiseren (indien de gemeente dit bijvoorbeeld nagelaten heeft), zullen de beroepsinstanties in de praktijk dit wel degelijk doen, ook al bestaat er terzake geen decretale bepaling die dit oplegt. Volgens de rechtspraak van de Raad van State beschikt een verzoekende partij over het rechtens vereiste belang, indien twee voorwaarden zijn vervuld : enerzijds dient de verzoeker door de bestreden administratieve rechtshandeling X-8335-3/5 een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden, anderzijds moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van de beslissing aan de verzoekende een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (...). Volgens de voormelde auteurs kan het actuele belang van een verzoeker ook gelegen zijn in het verlies van een kans (...). Verzoekende partijen willen de kans behouden om, na vernietiging, de minister te vragen een verzoek te richten tot de gouverneur en de gemeenteraad aangaande een beslissing over de zaak van de wegen en een nieuwe beoordeling te vragen over het verkavelingsberoep."; Overwegende dat artikel 133, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt wat volgt : "Indien een verkavelingsaanvraag de aanleg van nieuwe verkeerswegen, de tracé wijziging, verbreding of opheffing van bestaande gemeentelijke verkeerswegen omvat en het college van burgemeester en schepenen meent dat de vergunning kan worden verleend, dan neemt de gemeenteraad een besluit over de wegen alvorens het college van burgemeester en schepenen over de vergunningsaanvraag beslist binnen de termijn bepaald in artikel
- (...) Heeft de gemeenteraad over de wegen geen beslissing moeten nemen of zich van beslissing over de zaak van de wegen onthouden en is beroep ingesteld tegen de verkavelingsvergunning, dan roept de gouverneur van de provincie de gemeenteraad samen op verzoek van de bestendige deputatie. De gemeenteraad moet dan over de wegen een besluit nemen en dit meedelen binnen een termijn van 60 dagen, te rekenen vanaf de samenroeping door de gouverneur"; Overwegende dat, bij gebreke aan overgangsrecht, deze bepaling van onmiddellijke toepassing is vanaf 1 mei 2000 op alle verkavelingsaanvragen die de aanleg van nieuwe verkeerswegen e.d. omvat, met inbegrip van die dossiers waar vóór 1 mei 2000 een beroep was ingesteld bij de bestendige deputatie; dat het betoog dat artikel 56 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, te vlug werd opgeheven, kritiek is op de wet; dat de Raad van State niet bevoegd is hiervan kennis te nemen; Overwegende dat uit de voormelde bepaling volgt, hetgeen door de verzoekende partijen overigens niet wordt betwist, dat aan de gemeenteraad de uitsluitende bevoegdheid is gegeven om te oordelen over de aanleg van nieuwe wegen, de tracéwijziging en de verbreding of opheffing van bestaande gemeentelijke wegen; dat, bij gebreke aan uitdrukkelijke decretale bevoegdheid, geen regel van administratief toezicht noch een algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, aan de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening de bevoegdheid verleent om, in strijd met de voornoemde bepaling, de gemeenteraad te verzoeken zich alsnog over de zaak van de weg uit te spreken; dat uit het administratief dossier en de X-8335-4/5 voorgelegde plannen blijkt dat de aanvraag de aanleg van wegen impliceert; dat niet wordt betwist dat dit plan nooit aan de gemeenteraad ter goedkeuring werd voorgelegd; dat derhalve bij gebreke aan beslissing van de gemeenteraad over de zaak van de wegen, de bevoegde Vlaamse minister in geval van vernietiging van het bestreden besluit, hoe dan ook op grond van het voornoemd artikel 133 verplicht is de gevraagde verkavelingsvergunning opnieuw te weigeren; dat ambtshalve moet worden vastgesteld dat de verzoekende partijen niet doen blijken van het vereiste belang; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 520,59 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor een derde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig februari 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-8335-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.216 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.