id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.217 Rolnummer: A. 143477/VII-37101 Zaak: Arrest 141217 - - 24/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-04 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 08:07 Fiche Arrest nr 141.217 van 24 februari 2005 - Beslissing : Verwerping bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.217 van 24 februari 2005 in de zaak A. 143.477/X-11.624. In zake : Johnny VAN KEYMOLEN, die woonplaats kiest bij Advocaat G. VERMEIRE, kantoor houdende te 9000 GENT, Voskenslaan 301 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johnny VAN KEYMOLEN op 3 november 2003 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 10 juli 2003 van de Vlaamse regering houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan "Afbakening regionaalstedelijk gebied Aalst", bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 2 september 2003; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 23 september 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 december 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; X-11.624-1/19 Gehoord de opmerkingen van Advocaat G. VERMEIRE, die verschijnt voor verzoeker en van Advocaat P. AERTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; Overwegende dat het bestreden besluit van de Vlaamse regering van 10 juli 2003 het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan "Afbakening regionaalstedelijk gebied Aalst" definitief vaststelt; dat de normatieve delen van dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan de bijlagen I en II van dit plan vormen, omvattend een grafisch plan (bijlage I) en de stedenbouwkundige voorschriften bij het grafisch plan (bijlage II); dat de niet-normatieve delen van dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan gevoegd zijn als bijlage III; dat voorts het bestreden besluit de erbij gevoegde onteigeningsplannen voor de bedrijventerreinen Siezegemkouter en Erembodegem Zuid IV definitief vaststelt; dat de voornoemde bijlage I dertien plannen bevat, waaronder plan 1 dat de grenslijn en het grensgebied grafisch bepaalt en de overige plannen deelgebieden binnen dit beheersingsgebied afbakenen; dat aldus plan 4 het gemengd regionaal bedrijventerrein Siezegemkouter binnen het regionaalstedelijk gebied Aalst grafisch aflijnt; dat luidens artikel 1.1. van de stedenbouwkundige voorschriften de gebieden binnen de grenslijn behoren tot het regionaalstedelijk gebied Aalst, dat "met uitzondering van de deelgebieden waarvoor in dit plan voorschriften werden vastgesteld (...) de op het ogenblik van de vaststelling van dit plan bestaande bestemmings- en inrichtingsvoorschriften onverminderd van toepassing (blijven)", waarbij "de bestaande voorschriften (...) door voorschriften in nieuwe gewestelijke, provinciale en gemeentelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen of BPA X-11.624-2/19 (art. 4.1.7.), "bufferzones" (art. 4.18.) en "stedelijk woongebied langs de N9" (art. 4.2.1.); dat voorts uit de toelichtingsnota, die deel III vormt van het bestreden besluit, blijkt dat op het eerste gezicht het primaire doel van het bestreden besluit de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Aalst is; dat het afbakeningsplan niet alleen de grenslijn omvat die rond het regionaalstedelijk gebied getrokken is, "maar ook gebiedsgerichte voorstellen die essentieel zijn om het stedelijk-gebiedbeleid vorm te geven", waarbij deze gebiedsgerichte voorstellen zijn opgenomen in voornoemde, afzonderlijke grafische plannen per geselecteerd deelgebied; dat voorts voor ieder van de deelplannen in de toelichting onder meer de relatie met het afbakeningsproces wordt weergegeven; Overwegende dat, wat het voorwerp van de vordering betreft, verzoeker de schorsing van de tenuitvoerlegging vordert van het besluit van de Vlaamse regering van 10 juli 2003 houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Afbakening regionaalstedelijk gebied Aalst "voor wat betreft in het bijzonder het deelplan 4 gemengd regionaal bedrijventerrein Siezegemkouter"; dat hij voorts stelt dat, "mocht de Raad van State evenwel van oordeel zijn dat de vordering tot schorsing of vernietiging, geheel of ten dele (b.v. ten aanzien van bepaalde middelen) enkel kan beoordeeld worden voor zover de vordering slaat op het ganse RUP Aalst, (...) het vanzelf (spreekt) dat de verzoeker het ganse RUP Aalst aanvecht, zowel de normatieve als de niet-normatieve bestanddelen"; Overwegende dat het voorgaande de vraag doet rijzen of, indien zou voldaan zijn aan de in artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State gestelde voorwaarden, de schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit geheel of slechts gedeeltelijk moet zijn; dat een onderzoek van en uitspraak hierover alleen nodig is indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is; Overwegende dat de verwerende partij het belang van verzoeker betwist; dat er om dezelfde redenen vooralsnog geen noodzaak bestaat om over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen; dat hierna zal blijken, niet het geval is; X-11.624-3/19 Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat in het verzoekschrift ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; dat onder ernstige middelen moeten worden verstaan de middelen die op het eerste gezicht, gelet op de omstandigheden van de zaak, ontvankelijk en gegrond zijn en bijgevolg tot de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen leiden; dat een verzoekende partij zich derhalve, op straffe van de middelen als niet ernstig verworpen te zien, bij het formuleren van haar middelen tot het essentiële moet beperken, hetgeen impliceert dat zij zeer nauwkeurig moet aanvoeren welke precieze rechtsregel of rechtsprincipe zij geschonden acht en al even nauwkeurig moet vermelden waarin de schending precies bestaat; Overwegende, wat de eerste door artikel 17, § 2, gestelde voorwaarde betreft, dat de verzoeker een eerste middel afleidt uit de "schending van het richtinggevend principe van de gedeconcentreerde bundeling volgens het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen zijnde het besluit Vlaamse Regering van 23 september 1997 (RSV blz. 321) en dus ook van art. 19, van art. 38 par. 1, 4/ en van art. 41 par. 2 van het decreet ruimtelijke ordening van 18 mei 1999", van het redelijkheidsbeginsel en van de motiveringsplicht; dat hij stelt dat het principe van de gedeconcentreerde bundeling betekent dat een eigenlijk landbouwgebied binnen de grenzen van een stedelijk gebied redelijkerwijze de verdere functie als agrarisch geconcentreerd gebied dient te behouden en dat de verwerende partij "haar ogen sluit voor deze bestaande ruimtelijke structuur"; dat hij voorts betoogt dat de in artikel 19, § 3, van het decreet ruimtelijke ordening bepaalde motivering niet voorkomt in het bestreden besluit noch in de toelichtingsnota, dat niet kan worden gesteld dat het bestreden besluit uitvoering geeft aan het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen; dat hij stelt dat de "algemene motiveringsverplichting" is geschonden, omdat het advies van VLACORO geen specifieke motivering bevat over het principe van de gedeconcentreerde bundeling; dat hij eveneens voorhoudt dat, gelet op artikel 38, § 1, 4/, van het decreet ruimtelijke ordening, de motivering van het ruimtelijk uitvoeringsplan juist en afdoende moet zijn; X-11.624-4/19 Overwegende dat luidens artikel 41, § 2, van het decreet ruimtelijke ordening, gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt ter uitvoering van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; dat artikel 19, § 1, van het voornoemd decreet bepaalt dat ieder ruimtelijk structuurplan een bindend, een richtinggevend en een informatief gedeelte bevat; dat artikel 19, § 3, van het voornoemd decreet het richtinggevend gedeelte als volgt bepaalt : "Het richtinggevend gedeelte van een ruimtelijk structuurplan is het deel van het ruimtelijk structuurplan waarvan een overheid bij het nemen van beslissingen niet mag afwijken, tenzij omwille van onvoorziene ontwikkelingen van de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten of omwille van dringende sociale, economische of budgettaire redenen. De uitzonderingsgronden voor een afwijking worden uitgebreid gemotiveerd. Ze mogen in geen geval een aanleiding zijn om de duurzame ruimtelijke ontwikkeling, de ruimtelijke draagkracht en de ruimtelijke kwaliteit van welk gebied ook in het gedrang te brengen"; Overwegende dat, bij de implementatie van het richtinggevend gedeelte in een ruimtelijk uitvoeringsplan, de bevoegde overheden daartoe, in het licht van de in artikel 4 van het decreet ruimtelijke ordening bepaalde doelstellingen, over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken; dat derhalve de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel bevoegd lijkt te kunnen nagaan of de overheid bij de uitoefening van deze bevoegdheid, is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat het geschonden geachte ruimtelijk principe van de gedeconcentreerde bundeling bepaalt wat volgt : "Er wordt geopteerd om de bestaande ruimtelijke structuur van Vlaanderen als basis te nemen voor de ruimtelijke ontwikkeling. De aanwezige dynamiek wordt positief aangewend zodat er voor Vlaanderen sociale, economische en ruimtelijke meerwaarden ontstaan en dat de negatieve tendensen inzake ruimtegebruik worden omgebogen. Dat wordt nagestreefd door middel van het principe van de gedeconcentreerde bundeling. De bundeling streeft een selectieve concentratie na van de groei van het wonen, het werken en van de andere maatschappelijke functies in de steden en in de kernen van het buitengebied, steeds met respect voor de draagkracht van de stedelijke gebieden. Verweving van activiteiten en functies staat daarbij voorop. De deconcentratie houdt rekening met het bestaande (gedeconcentreerde) spreidingspatroon en met de dynamiek van de functies in Vlaanderen. Gedeconcentreerde bundeling gaat in tegen ongebreidelde suburbanisatie en versnippering en vermindert zo de druk op het buitengebied. Concentratie biedt mogelijkheden voor het draagvlak van de steden en de kernen van het X-11.624-5/19 buitengebied, voor het collectief vervoer en het behoud van de verscheidenheid van de landschappen. De bundeling kan ook schaalvoordelen opleveren."; Overwegende dat op het eerste gezicht de verzoeker niet aannemelijk maakt dat, op grond van de loutere omstandigheid dat de Siezegemkouter "eigenlijk landbouwgebied" is, de overheid belast met de opmaak van het plan op grond van dat beginsel niet redelijkerwijs kon besluiten tot opneming van dit gebiedsdeel in het regionaalstedelijk gebied Aalst; dat het middel niet ernstig is; Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aangevoert van "art. 69 en art. 78 van de bijzondere wet Hervorming Instellingen van 8 augustus 1980, van de regels inzake de bevoegdheid van de Vlaamse Regering, van art. 2 en art. 10 en art. 14-16 van het Besluit Vlaamse Regering van 13 juli 2001 (B.S. 26 juli 2001) en van art. 2, art. 9 en art. 14 e.v. van het Besluit Vlaamse Regering van 10 juni 2003 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse Regering (B.S. 24 juni 2003)"; dat hij stelt dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de Vlaamse regering collegiaal heeft beslist, daarover voorbehoud maakt en vraagt "of de notulen in het dossier zouden kunnen gevoegd worden"; dat hij voorst stelt dat niet blijkt dat het bestreden besluit mede werd voorbereid door de minister bevoegd voor het leefmilieu, de landbouw en het natuurbehoud, terwijl het bestreden besluit "ingrijpt op het leefmilieu" waardoor "er een natuurgebied (verdwijnt) als bestemming" en dat artikel 3 van het bestreden besluit strijdig is met de bevoegdheidsregeling omdat enkel de minister "bevoegd voor de ruimtelijke ordening" belast wordt met de uitvoering van dit besluit terwijl het nochtans een belangrijke impact heeft op het leefmilieu; Overwegende dat het bestreden besluit op het eerste gezicht een reglementair besluit is; dat derhalve in toepassing van artikel 16, 1/, van het besluit van de Vlaamse regering van 10 juni 2003 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering het vaststellen van dit besluit tot de bevoegdheid behoort van de Vlaamse regering; dat in toepassing van artikel 69 van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980, de Vlaamse regering "collegiaal, volgens de in Ministerraad toegepaste procedure van de consensus" beslist; dat dit op het eerste gezicht inhoudt dat elke minister akkoord is gegaan met de voorgestelde beslissing; dat te dezen verzoeker geen concrete gegevens van het tegendeel aanvoert doch enkel "voorbehoud" formuleert; dat derhalve in deze stand van het geding niet wordt ingegaan op het verzoek tot overlegging van de notulen; X-11.624-6/19 dat wat de ondertekening van het bestreden besluit betreft, artikel 19, eerste lid, van het voornoemd besluit van 10 juni 2003 bepaalt dat de besluiten van de Vlaamse regering namens de Vlaamse regering worden ondertekend door de minister- president en het lid aan wie de aangelegenheid in kwestie is toegewezen; dat dit in casu op grond van artikel 6, 4/, van hetzelfde besluit de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie is; dat het middel niet ernstig is; Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van artikel 4 van het decreet ruimtelijke ordening, van het bindend gedeelte van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen betreffende de "ruimtebalans", alsook de schending van het redelijkheidsbeginsel en van de motiveringsplicht; dat hij stelt dat er in artikel 4 van het decreet ruimtelijke ordening "duidelijk deels een gebonden bevoegdheid van de overheid (is), nl. de plicht tot gelijktijdige afweging, doch anderzijds ook een meer discretionaire bevoegdheid nl. over de afweging als zodanig van de diverse belangen", dat "in dit laatste verband (...) de schending van het redelijkheidsbeginsel (kan) ingeroepen worden"; dat hij de schending aanvoert van de ruimtebalans in het richtinggevend en het bindend gedeelte van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen op zich en in samenhang met het voornoemde artikel 4 van het decreet ruimtelijke ordening; dat hij doet gelden dat bij de afbakening van het regionaalstedelijk gebied Aalst "slechts een zeer selectieve en niet gelijktijdige doorwerking heeft plaatsgevonden van de kwantitatieve verplichtingen die de ruimtebalans (...) met zich meebrengt", dat deze kwantitatieve doelstellingen op grond van artikel 4 van het decreet ruimtelijke ordening gelijktijdig moeten gerealiseerd worden, ook als het gaat om de afbakening van een (regionaal)stedelijk gebied, dat er in casu een zeer eenzijdige en selectieve doorwerking is van de ruimtebalans, wat blijkt uit de motivering, dat daaruit blijkt dat wel is nagegaan hoeveel hectare bedrijventerrein er in het regionaalstedelijk gebied Aalst zou moeten bijkomen, maar dat er geen enkele kwantitatieve optie is genomen op de oppervlakte landbouw, dat er wel een stedelijk landbouwgebied is opgenomen in het bestreden besluit, dat de VLACORO het probleem onder ogen zag, dat het advies van de VlACORO bewijst dat deze, gevolgd door de Vlaamse regering, erkent dat het bestreden plan geen deel uitmaakt van de afbakening van de agrarische structuur en dit terwijl deze afbakening gelijktijdig dient te gebeuren gelet op artikel 4 van het decreet ruimtelijke ordening "en in mindere mate gelet op de interprincipiële benadering opgelegd blz 319 RSV"; dat de verzoeker eveneens stelt dat de verwerende partij klaarblijkelijk geen rekening heeft gehouden met de sociale X-11.624-7/19 gevolgen, omdat zij haast alle van de nochtans zeer talrijke bezwaren heeft verworpen en geen rekening heeft gehouden met dit aantal; Overwegende dat artikel 4 van het decreet ruimtelijke ordening luidt als volgt : "De ruimtelijke ordening is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit."; Overwegende dat uit wetsgeschiedenis blijkt dat deze bepaling het doel van het ruimtelijke ordeningsbeleid aangeeft, waarbij de duurzame ruimtelijke ordening centraal staat (Parl. St. Vl. Parl. 1998-99, nr. 1332-1, 10); dat op het eerste gezicht de vereiste dat de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen, het facetmatig karakter van de ruimtelijke ordening benadrukt; dat voorts uit de wetsgeschiedenis blijkt dat het gelijktijdig tegen elkaar afwegen van deze verschillende maatschappelijke activiteiten niet impliceert dat de verschillende ruimtelijke behoeften waarvan sprake noodzakelijk gelijkwaardig zijn, aangezien bij de afweging één bepaalde behoefte zwaarder kan doorwegen in een bepaalde situatie (Parl. St. Vl. Parl. 1995-96, nr. 360-3, 18 ); dat hieruit op het eerste gezicht niet kan worden afgeleid dat de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig dienen te worden gerealiseerd; dat hieruit evenmin volgt dat de afbakening van de agrarische structuur "gelijktijdig" met het thans bestreden besluit dient te gebeuren, noch dat alle in artikel 4 van het decreet ruimtelijke ordening bepaalde, door de verzoeker "kwantitatieve" doelstellingen genoemd, gelijktijdig moeten worden gerealiseerd; Overwegende dat uit dit decretaal voorschrift en meer bepaald uit de term "gelijktijdig" op het eerste gezicht niet kan worden afgeleid dat te dezen alle in artikel 4 bepaalde doelstellingen gelijktijdig met het thans bestreden besluit moesten worden gerealiseerd; X-11.624-8/19 Overwegende dat, wat de schending van de ruimtebalans en de cijfers inzake het ruimtebeslag betreft, verzoeker zonder meer stelt dat er wel is nagegaan hoeveel hectare bedrijventerrein er in het regionaalstedelijk gebied moet bijkomen, maar dat er geen enkele kwantitatieve optie is genomen op de "oppervlakte landbouw"; dat dit onderdeel van het middel in het verzoekschrift niet nader wordt geconcretiseerd en op het eerste gezicht beperkt is tot een loutere bewering; dat het middel dat niet naar behoren in het verzoekschrift wordt uiteengezet niet ontvankelijk is, daargelaten de vraag of de gelijktijdige afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten zoals uitgedrukt in de ruimtebalans en die geldt voor het gehele Vlaamse Gewest, ook van toepassing is op het niveau van een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan; dat het derde middel niet ernstig is; Overwegende dat in een vierde middel de schending wordt ingeroepen van het rechtszekerheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, van het legaliteitsbeginsel en van de motiveringsplicht; dat de verzoeker eveneens het koninklijk besluit van 30 mei 1978 houdende vaststelling van het gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen geschonden acht; dat uit hetgeen omtrent dit middel in het verzoekschrift wordt gesteld blijkt dat de verzoeker van oordeel is dat het toepasselijke recht onvoldoende duidelijk is; dat hij besluit dat het voor hem "onmogelijk is nog de hiërarchie en de wisselwerking tussen al deze soorten plannen te kennen en te verstaan" en dat er "nog de differentiatie (
- is)in de wisselwerking tussen bv. niet-normatieve delen van een vroeger gewestplan versus niet-normatieve/normatieve delen van dit RUP" en dat "grosso modo enkel doorwinterde gespecialiseerde ambtenaren of juristen hier nog wijs uit geraken", waardoor de rechtszekerheid zoek is; dat de verzoeker zich ook beklaagt over de "enorme hoeveelheid aan bladzijden, kaarten (met niet echt duidelijke referentiepunten), adviezen"...; Overwegende dat de auditeur in zijn advies ter terechtzitting de aandacht van de Raad vestigt op het feit dat dit middel gebrekkig is opgesteld; dat een dergelijk middel, zoals het door de verzoeker werd gelibelleerd, bezwaarlijk kan worden beschouwd als een ernstig middel, zoals hierboven omschreven; dat luidens artikel 201 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening "de voorschriften van de ruimtelijke uitvoeringsplannen (...) voor het grondgebied waarop ze betrekking hebben, de voorschriften (vervangen) van de plannen van aanleg"; dat met toepassing van deze bepaling, op het eerste X-11.624-9/19 gezicht het grafisch plan dat aangeeft voor welk gebied of welke gebiedsdelen het thans bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan van toepassing is en de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften, die delen van de gewestplannen die op het betrokken gebied van toepassing waren, van rechtswege lijkt op te heffen; dat luidens artikel 1.1., tweede lid, van de in het thans bestreden besluit vastgestelde stedenbouwkundige voorschriften, "met uitzondering van de deelgebieden waarvoor in dit plan voorschriften werden vastgesteld (...) de op het ogenblik van de vaststelling van dit plan bestaande bestemmings- en inrichtingsvoorschriften onverminderd van toepassing (blijven)"; dat uit het voorgaande volgt dat op een perceel begrepen in het beheersingsgebied van het bestreden besluit hetzij de bestaande voorschriften van toepassing zijn, hetzij de voorschriften van het thans bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan; dat er derhalve op het eerste gezicht in rechte geen "tegenstrijdigheid" lijkt te bestaan qua bestemmingen die op een bepaald perceel van toepassing zijn waardoor de rechtszekerheid zou zijn geschonden; dat voorts de kritiek op de beweerde onduidelijkheid en op de toevloed aan plannen op het eerste gezicht gericht is tegen de bepaling van het decreet ruimtelijke ordening zelf; dat ook de kritiek betreffende de rechtszekerheid lijkt gericht te zijn tegen de bepalingen van het decreet zelf; dat het middel niet ernstig is; Overwegende dat de verzoeker in een vijfde middel de schending aanvoert van de artikelen 19, §§ 3 en 5, 38, § 1, 4/ en 41, § 2, van het decreet ruimtelijke ordening, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 september 1997 houdende definitieve vaststelling van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, van het redelijkheidsbeginsel en van de "algemene motiveringsverplichting in hoofde van de administratieve overheid"; dat hij vervolgens de redenen "samenvat" waarom volgens hem het bestreden besluit voorgaande bepalingen schendt : "B.l. Uiteraard gaat het om de herbestemming van de Siezegemkouter van landschappelijk waardevol agrarisch gebied en natuurgebied naar regionaal bedrijventerrein. Omdat het principe van de gedeconcentreerde bundeling geschonden wordt (RSV blz. 321 en 332) Zie het eerste middel B.2. En doordat volgens het vierde richtinggevend principe nl. 'fysisch systeem ruimtelijk structurerend' de 'huidige, intrinsieke kenmerken van het bestaand fysisch systeem het richtinggevend kader zijn voor de ruimtelijke ontwikkeling ... ' (blz. 325). Terwijl er i.c. de landbouw, passieve recreatie en natuurelementen in de Siezegemkouter bepalend zijn. B.3. Doordat volgens het richtinggevend gedeelte van het RSV de grenzen van het stedelijk gebied bepaald worden door de bestaande bebouwde omgeving (RSV blz. 331), terwijl de Siezegemkouter een uitgestrekt open en onbebouwde ruimte is. X-11.624-10/19 Nochtans ligt de Siezegemkouter binnen de grenslijn van dit stedelijk RUP. Dat trouwens in het nog steeds vigerende BPA Beekveld de grens van het stedelijk gebied hier samenvalt met de Siezegemlaan. B.4. Dat in het RSV ook het buitengebied wordt beschouwd als een te beschermen open ruimte gebied, zijnde het gebied waar de open onbebouwde ruimte overweegt (blz. 377). Dat de Siezegemkouter overduidelijk een dergelijk open onbebouwde ruimte is. Zie foto's en kaarten van de bestaande feitelijke toestand in de toelichtingsnota. Dat als bewijs daarvan trouwens mag opgemerkt dat in het ontwerp provinciaal structuurplan Oost-Vlaanderen blz. 283 de 'open ruimte corridor tussen Aalst enerzijds en Erpe-Mere anderzijds' de kwalificatie krijgt van 'selectie en valorisatie van openruimtecorridors'. Zie ook het bezwaarschrift van VZW Raldes en van de Boerenbond. Dat het dan ook zeer tegendraads is dat in dit RUP Aalst de Siezegemkouter in het stedelijk gebied i.p.v. het buitengebied valt. Hierdoor kan dit gebied ook niet meer beschermd worden door het richtinggevend principe 'het tegengaan van versnippering van het buitengebied' (RSV blz. 380). Evenmin door het principe 'het inbedden van landbouw, natuur en bos in goed gestructureerde gehelen' (RSV blz. 380). B.5. Doordat in het RSV een lans wordt gebroken voor de regel van het 'goed nabuurschap'. Wanneer echter meer dan 2000 mensen uit de omgeving van de Siezegemkouter een bezwaarschrift indienden, bewijst dit op zich reeds de vloedgolf van slecht nabuurschap die zal veroorzaakt worden door de aanleg van dit bedrijventerrein. Ook het ontbreken van een bufferzone aan de kant van de Gentsesteenweg bewijst dit. In kolom 27 wentelde de Vlacoro overigens ten onrechte de conflictsituatie met aanpalende woongebieden en ontbrekende bufferzones af naar het Vlarem-II en naar de slechts gedeeltelijk feitelijk juiste bewering : 'Het RUP voorziet in ruime buffers die in elk geval luchtzuiverend zullen zijn.' Zie ook het negatief advies van de Mina-Raad: 'De Raad meent dat de inplanting van een bedrijventerrein met dergelijke risicobedrijven ten westen van een dichtbevolkte stad,' gezien de overheersende windrichting, totaal onmogelijk is;' B.6. Doordat volgens de richtingprincipes voor het stedelijk gebied het ongeordend uitzwermen van functies waardoor de ruimte verder versnipperd raakt dient te worden vermeden (blz. 333), terwijl i.c. deze uitzwerming en versnippering karikaturaal is door inname van dit landbouwgebied. Schending ook van één van de afbakeningsprincipes stedelijk gebied, nl. dat het buitengebied moet gevrijwaard worden van een stedelijke ontwikkeling (blz. 342). Terwijl de inrichting van een regionaal bedrijventerrein in een koutergebied een schoolvoorbeeld is van een stedelijke ontwikkeling."; dat hij verder "meer duiding (geeft) bij de kennelijke schending van sommige richtinggevende principes RSV en dus van de in hoofding vermelde bepalingen DRO en het BVLR 23 september 1997", die ze als volgt uiteenzet : X-11.624-11/19 "C. I.v.m. regionale bedrijventerreinen. C.l. Op blz. 452 van het richtinggevend gedeelte is bepaald dat volgende principes gelden voor de lokalisatie en inrichting van nieuwe regionale bedrijventerreinen. Deze principes worden hierna gemakshalve genummerd : 1. Lokalisatie uitsluitend in de stedelijke gebieden, de gemeenten van het netwerk Albertkanaal en de overige economische knooppunten. 2. Lokalisatie bij voorkeur aansluitend bij de bestaande bedrijventerreinen. 3. Verantwoording vanuit een globale ruimtelijke visie op het economisch knooppunt en de positie van het economisch knooppunt in Vlaanderen en in de provincie; in het bijzonder wordt in ieder economisch knooppunt een gewenste ruimtelijk-economische structuur uitgewerkt. 4. Afstemming van de oppervlakte van het regionaal bedrijventerrein op de reikwijdte en het belang van het economisch knooppunt en de spreiding van bedrijventerreinen in de overige economische knooppunten in de provincie. 5. Afstemming van het bereikbaarheidsprofiel van de locatie op het mobiliteitsprofiel van de voorziene bedrijven (= locatiebeleid); naast de uitwerking van het locatiebeleid dienen ook de in te zetten instrumenten (waaronder ook niet-ruimtelijke instrumenten) zoals het organiseren van openbaar en collectief vervoer) te worden aangegeven; 6. Geen kleinhandelsbedrijven op regionale bedrijventerreinen, tenzij op deze die gedeeltelijk als kleinhandelszone zijn afgebakend. 7. Ontsluiting uitsluitend en rechtstreeks via primaire wegen of secundaire wegen. 8. Maximale algemene uitrusting (telecommunicatie, water, gas en electriciteitsvoorziening, waterzuivering en riolering), en maximale specifieke uitrusting voor de specifieke regionale bedrijventerreinen. C.2. In casu is er een kennelijke strijdigheid met het tweede specifieke principe, nl. de aansluiting bij voorkeur bij de bestaande bedrijventerreinen. Dit terwijl er in casu geen aansluiting is met een bestaand bedrijventerrein. Zie in dit verband ook het advies van de Mina-Raad van Aalst d.d. 14 oktober 2002 : 'het feit dat onvoldoende rekening werd gehouden met: een aantal basisprincipes van het RSV (o.m. geen aansluiting bij een bestaand bedrijventerrein, geen nabijheid van alternatieve vervoersmiddelen zoals spoor- en waterwegen);' (...) Weliswaar is dit aansluiten bij een bestaand bedrijventerrein niet absoluut verplicht, gezien 'bij voorkeur'. Voorkeur wil spraakgebruikelijk zeggen : kiezen van het ene boven het andere. Gelet op art. 19 par. 3 dienen de dringende budgettaire, economische of andere redenen vermeld te worden waarom de prioritaire aansluiting bij bestaande bedrijventerreinen in casu niet hoeven aanwezig te zijn. Deze bijzondere motivering ontbreekt evenwel. Dat de verwerende partij zich rekenschap geeft van deze belangrijke voorwaarde uit het RSV blijkt onder meer uit het ontwerp van antwoord op het bezwaar van de voetbalclub SK Terjoden, m.b.t. het bedrijventerrein Siezegem- Kouter Zuid : 'Bij de zoektocht naar goede lokaties wordt in de eerste plaats gezocht naar gebieden die aansluiten bij bestaande bedrijventerreinen. Het bedrijventerrein Erembodegem-Zuid IV is binnen het economisch knooppunt regionaalstedelijk gebied Aalst een logische uitbreiding van de bestaande bedrijventerreinen van Erembodegem. Daarom wordt er een regionaal bedrijventerrein voorzien.' (...)"; dat hij in hetzelfde middel verder betoogt dat de in artikel 19, § 3, van het decreet ruimtelijke ordening bepaalde motivering niet voorkomt in het bestreden besluit noch in de toelichtingsnota, dat niet kan worden gesteld dat het bestreden besluit X-11.624-12/19 uitvoering geeft aan het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; dat hij tot slot stelt dat de "algemene motiveringsverplichting" is geschonden, "dat een aantal vereisten van het RSV (...) wel (werden) onderzocht door de VLACORO, als antwoord op diverse bezwaren, doch (...) onvoldoende om als terdege gemotiveerd te kunnen worden beschouwd", en dat "dit in de procedure ten gronde nog verder geargumenteerd (zal) worden"; Overwegende dat een ruimtelijk uitvoeringsplan op het eerste gezicht niet formeel moeten worden gemotiveerd; dat in de mate dat verzoeker kritiek uit op de vermeende onvolledigheid of tegenstrijdigheid van de uitgedrukte motieven, deze kritiek, zoals door hem in algemene bewoordingen geformuleerd, niet kan leiden tot het gegrond bevinden van het middel; Overwegende dat luidens artikel 41, § 2, van het decreet ruimtelijke ordening gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen worden opgemaakt ter uitvoering van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; dat artikel 19, § 1, van het voornoemd decreet bepaalt dat ieder ruimtelijk structuurplan een bindend, een richtinggevend en een informatief gedeelte bevat; dat eveneens kan worden verwezen naar het hiervoor reeds vermelde artikel 19, § 3, van het decreet waarin het richtinggevende gedeelte van het ruimtelijk structuurplan wordt omschreven; Overwegende dat, zoals reeds gesteld, de bevoegde overheden, bij de implementatie van het richtinggevend gedeelte in een ruimtelijk uitvoeringsplan en inzonderheid bij het opnemen van een perceel in een dergelijk plan en het onderwerpen ervan aan een voorschrift van bestemming, inrichting en/of beheer, in het licht van de in artikel 4 van het decreet ruimtelijke ordening bepaalde doelstellingen, over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikken; dat derhalve, wanneer een gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan wordt vastgesteld in uitvoering van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht enkel lijkt te kunnen nagaan of de overheid bij de uitoefening van deze bevoegdheid, is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; dat niet op overtuigende wijze wordt aangetoond dat te dezen de grenzen van de redelijkheid werden overschreden; X-11.624-13/19 Overwegende dat, wat de afbakening van het grootstedelijk gebied betreft, verzoeker lijkt uit te gaan van een gedeeltelijke lezing van het richtinggevend gedeelte van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen; dat dit immers stelt dat "de grenzen van het stedelijk gebied (...) onder meer worden bepaald door de bestaande bebouwde omgeving, door de visie op de ruimtelijke ontwikkeling van het betrokken stedelijk gebied en door de bereikbaarheid"; dat voorts het stedelijk gebied volgens het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen een beleidsmatig begrip is, waarin een "stedelijk-gebiedbeleid (wordt) gevoerd waar ontwikkeling, concentratie en verdichting uitgangspunten zijn, maar steeds met respect voor de draagkracht van het stedelijk gebied"; dat op het eerste gezicht verzoeker niet aannemelijk maakt dat, op grond van de loutere omstandigheid dat "de Siezegemkouter een uitgestrekte open en onbebouwde ruimte is" de overheid belast met de opmaak van het plan redelijkerwijs niet kon besluiten tot opneming van dit gebiedsdeel in het regionaalstedelijk gebied Aalst; dat het enkel citeren, c.q. gedeeltelijk aanhalen van adviezen en plannen evenmin tot die conclusie lijken te nopen; dat de verwijzingen naar voorschriften inzake het buitengebied, dat complementair is aan het stedelijk gebied, niet relevant zijn nu is komen vast te staan dat in deze stand van het geding de kritiek van verzoeker betrokken op de opneming in het regionaalstedelijk gebied, niet ernstig is; Overwegende dat, wat het vierde ruimtelijke principe voor de gewenste ruimtelijke structuur betreft, verzoeker niet uiteenzet in welke mate de loutere bewering dat "i.c. landbouw, passieve recreatie en natuurelementen in de Siezegemkouter bepalend zijn" impliceert dat dit vierde principe wordt miskend door het thans bestreden plan; Overwegende dat verzoeker voorts aanvoert dat er een "kennelijke strijdigheid (
- is)met het tweede principe voor de lokalisatie en inrichting van nieuwe regionale bedrijventerreinen", volgens hetwelk die lokalisatie bij voorkeur dient aan te sluiten bij de bestaande bedrijventerreinen; Overwegende dat luidens de bindende bepalingen van het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen, Aalst is geselecteerd als regionaalstedelijk gebied en derhalve als stedelijk gebied en ook als economisch knooppunt; dat de loutere omstandigheid dat de Siezegemkouter niet zou aansluiten bij een bestaand bedrijventerrein, niet lijkt in te houden dat het bestreden plan afwijkt van het voornoemde principe; dat immers de woorden "bij voorkeur" op het eerste gezicht X-11.624-14/19 inhouden dat de overheid belast met het opmaken van het plan, naar aanleiding van de zoektocht naar bijkomende bedrijventerreinen, ook kan besluiten dat een aansluiting bij de bestaande bedrijventerreinen, hoewel dit de "voorkeur" verdient, niet voor alle bedrijventerreinen kan worden gerealiseerd; dat er anders over oordelen overigens de woorden "bij voorkeur" zinledig maakt; Overwegende dat verzoeker, waar hij stelt dat in het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen "een lans wordt gebroken voor de regel van het goed nabuurschap", niet met de nodige preciesheid aanduidt welke de draagwijdte van deze ingeroepen "regel" is; dat een verzoekende partij in de fase van het kort geding zeer nauwkeurig moet aanvoeren welke precieze rechtsregel of rechtsprincipe zij geschonden acht en al even nauwkeurig moet vermelden waarin de schending precies bestaat; dat voorgaande bewering van de verzoekende partij niet aan het voornoemde beantwoordt en derhalve niet ontvankelijk is; Overwegende tot slot dat het niet wachten op "de afloop van het provinciaal structuurplan Oost-Vlaanderen" - dat op het ogenblik van het nemen van het thans bestreden besluit overigens nog niet bestond - en het geen rekening houden met het "negatief advies van de provincieraad Oost-Vlaanderen" op zich niet een schending lijkt in te houden van het door de verzoeker aangehaalde principe "om het afbakeningsproces te laten verlopen in nauwe samenwerking met onder meer de provincie en de gemeenten", daargelaten de vraag of dit principe wel die uitgesproken absolute draagwijdte heeft die verzoeker eraan wenst te geven; Overwegende dat, aangezien de door verzoeker aangevoerde kritieken niet doen blijken dat het thans bestreden besluit afwijkt van het richtinggevend gedeelte, op het eerste gezicht de kritiek faalt betrokken op de formele motivering in de zin van artikel 19, § 3, eerste lid, van het decreet ruimtelijke ordening en op de artikelen 41, § 2 en 19, § 5, van het decreet ruimtelijke ordening; dat tot slot verzoeker wat de schending van de algemene motiveringsverplichting betreft, zich lijkt te beperken tot algemene beschouwingen zonder die op enigerlei wijze in concreto te betrekken op het bestreden besluit en dienvolgens niet ernstig is; Overwegende dat het vijfde middel in al zijn onderdelen niet ernstig is; X-11.624-15/19 Overwegende dat verzoeker een zesde middel put uit de schending van artikel 8 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, van artikel 1.2.1., §§ 2 en 3, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid, en van het daarin vervatte integratiebeginsel, van het redelijkheidsbeginsel en de algemene motiveringsverplichting "omdat het natuurgebied van de Ediksveldbeek(vallei) wordt opgeheven als bestemmings-gebied", terwijl "het stand-stillbeginsel in artikel 8 decreet natuurbehoud en artikel 1.2.1. DABM vergt dat de Vlaamse regering (...) alle nodige maatregelen (neemt) ter aanvulling van de bestaande regelgeving(...)", en terwijl "het voorliggend besluit (...) geen maatregel (
- is)ter aanvulling, doch wel tot afschaffing van een bestaande regelgeving" meer bepaald de bestemming natuurgebied in het toepasselijke gewestplan, alsook de bestemming natuurgebied die inherent is gekoppeld aan artikel 13 van het koninklijk besluit van 28 december 1972; dat zij, in eerder ondergeschikte orde, doet gelden dat "zelfs indien U zou menen dat het met art. 8 decreet natuurbehoud gaat om appreciatie of een beperkte marginale toetsingsbevoegdheid ten aanzien van deze doelnorm (,zij) meent dat dit vrij langgerekte natuurgebied wegvegen door een stedelijk RUP een kennelijke schending inhoudt van de stand-stillplicht", dat ook in andere gebieden natuurgebied verdwijnt zoals in het regionaal bedrijventerreinen Erembodegem-Zuid, dat evenmin uit de motivering een compensatie met evenwaardig natuurgebied blijkt; Overwegende dat artikel 1.2.1., §§ 2 en 3 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid luidt als volgt : "§ 2. Op basis van een afweging van de verschillende maatschappelijke activiteiten streeft het milieubeleid naar een hoog beschermingsniveau. Het berust onder meer op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, het standstill-beginsel en het beginsel dat de vervuiler betaalt. § 3. De in § 1 en § 2 bepaalde doelstellingen en beginselen moeten in het bepalen en uitvoeren van het beleid van het Vlaamse Gewest op andere gebieden worden geïntegreerd. Bij de uitvoering van het beleid wordt rekening gehouden met de sociaal-economische aspecten, de internationale dimensie en de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens"; Overwegende dat uit de wetsgeschiedenis van de betrokken bepaling blijkt "dat een groot gewicht moet worden toegekend aan de milieubelangen", maar dat "waar deze milieubelangen moeten geplaatst worden op de schaal van de beleidsprioriteiten (...) niet (wordt) gezegd, (dat) in bepaalde X-11.624-16/19 gevallen (
- ze)zullen (...) moeten wijken voor andere, meer essentieel geachte beleidsprioriteiten" (Parl. St. Vl. Parl. 1994-95, nr. 718-1, 26); Overwegende dat artikel 8 van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu luidt als volgt : "De Vlaamse regering neemt alle nodige maatregelen ter aanvulling van de bestaande regelgeving om over het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest de milieukwaliteit te vrijwaren die vereist is voor het behoud van de natuur en om het standstill-beginsel toe te passen zowel wat betreft de kwaliteit als de kwantiteit van de natuur."; dat artikel 9, § 1, eerste en tweede lid van hetzelfde decreet bepaalt wat volgt : "§ 1. De maatregelen bedoeld in artikel 8, artikel 13, artikel 36ter , §§ 1, 2 en 5, tweede lid en Hoofdstuk VI kunnen beperkingen opleggen maar, met uitzondering van de maatregelen bedoeld in artikel 36ter, §§ 1 en 2 voor zover deze expliciet zijn opgenomen in een goedgekeurd natuurrichtplan, evenwel geen beperkingen vaststellen die absoluut werken of handelingen verbieden of onmogelijk maken die overeenstemmen met de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen van kracht in de ruimtelijke ordening, noch de realisatie van die plannen en hun bestemmingsvoorschriften verhinderen. De maatregelen bedoeld in het eerste lid beogen de instandhouding van de natuur en kunnen onder meer de bescherming bevatten van de bestaande natuur en natuurelementen, zoals habitats, holle wegen, houtkanten, poelen, waterrijke gebieden, heiden en historisch permanent grasland, ongeacht waar de natuur en de natuurelementen zich bevinden."; Overwegende dat artikel 8, samen met de artikelen 6 tot 9, deel uitmaakten van afdeling 1 van hoofdstuk III van het genoemde decreet, bevattende de "algemene doelstellingen van het natuurbeleid"; dat deze artikelen luidens de memorie van toelichting algemeen aangeven op welke wijze invulling wordt gegeven aan de globale doelstellingen van het voornoemde decreet, dat deze doelstelling maar kan worden gehaald als ook voldaan wordt aan de eisen die de natuur aan de omgeving stelt op kwalitatief en kwantitatief vlak, dat "zonder in de plaats te treden van andere beleidsdomeinen, zoals het ruimtelijk beleid (...), vanuit het natuurbeleid op dit vlak eigen accenten (zullen) worden gelegd, (dat) de regelgeving die hiermee wordt beoogd, (...) alleszins aanvullend (zal) werken t.a.v. de reeds bestaande" (Parl. St. Vl. Parl. 1996-97, nr. 690-1, 7); dat voorts de maatregelen bedoeld in artikel 8 "tot doel hebben de natuur en de natuurelementen te beschermen", dat deze voorschriften beperkingen kunnen opleggen voor de instandhouding van deze natuurwaarden, maar het gebruik volgens de bestemming van het gebied niet in het gedrang mogen brengen; dat wat het aangehaalde standstill-beginsel betreft, dit samen met de andere beginselen, bij de verdere X-11.624-17/19 planning en uitvoering van concrete maatregelen in functie van de doelstellingen als leidraad zal dienen (Parl. St. Vl. Parl. 1996-97, nr. 690-1, 7); Overwegende dat uit het voorgaande op het eerste gezicht blijkt dat de aangehaalde standstill- en integratiebeginselen een ruime appreciatie- bevoegdheid toelaten in hoofde van de overheid belast met het vaststellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan en inzonderheid niet lijken in te houden dat de bestemmingsvoorschriften die zijn voorzien in een plan van aanleg, wat de natuur- en groengebieden betreft, op grond van deze beginselen nooit kunnen worden gewijzigd; dat derhalve de loutere "opheffing" van de bestemming tot natuurgebied van de Ediksveldbeekvallei op zich niet lijkt te strijden met de aangehaalde beginselen in de zin zoals bedoeld door voormelde decretale bepalingen; dat het middel op het eerste gezicht faalt in rechte; dat het niet ernstig is, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het bestreden besluit. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. X-11.624-18/19 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig februari 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-11.624-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.217 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.190.366 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div