id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.221 Rolnummer: A. 160071/XIV-21815 Zaak: Arrest 141221 - - 24/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-02-28 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 08:07 Fiche Arrest nr 141.221 van 24 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.221 van 24 februari 2005 in de zaak A. 160.071/XIV-21.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat L. DEKLERCK, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 375 bus 8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 28 maart 1984 en van Amerikaanse nationaliteit, op 17 februari 2005 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 18 januari 2005 aan de verzoekende partij op dezelfde datum ter kennis gebracht; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota’s van de verwerende partij en van verzoekster; Gelet op de beschikking van 18 februari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 23 februari 2005 om 11.15 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gelet op de persoonlijke verschijning van verzoekster; Gehoord de opmerkingen van Advocaten L. DEKLERCK en J. VAN PRAET, die verschijnen voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-21.815-1/4 Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
- Overwegende dat, wat de eerste voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, verzoekster het volgende aanvoert: “Op 18 januari 2005 heeft verzoekster bevel gekregen om het land binnen de vijf dagen te verlaten. Zij heeft met dit verzoekschrift alert en tijdig gereageerd. Daarom, en ook om de andere hiervoor uiteengezette redenen, is er voldaan aan de voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid.” Overwegende dat volgens een constante rechtspraak van de Raad van State de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid een uitzonderlijk en ongewoon karakter heeft, omdat de rechten van verdediging van de verwerende partij tot een minimum worden beperkt en het normaal verloop van de rechtspleging in het Vreemdelingenconten- tieux en in andere procedures voor de Raad van State zeer ernstig verstoort; dat precies daarom verzoekster duidelijke feiten en gegevens dient aan te brengen, die het onmiddellijk aannemelijk maken dat de schorsing dadelijk moet worden bevolen (R.v.St., nr. 38.302, 11 december 1991, SPRUYT; nr. 38.306, 11 december 1991, MATHIEU; nr. 38.533, 22 januari 1992, VERLINDE; nr. 39.584, 5 juni 1992, PLATTEEUW; nr. 43.856, 13 augustus 1993, HUYSMANS en DE NOYETTE; nr. 49.110, 20 september 1994, JANSSENS.); dat dit concreet betekent dat verzoekster de uiterst dringende noodzakelijkheid met zeer concrete gegevens dient te verantwoorden, met name dient zij enerzijds aan te tonen dat de schorsing van het bestreden bevel volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen en anderzijds dat zij niet onredelijk lang heeft gewacht met het indienen van haar verzoekschrift bij uiterst dringende noodzakelijkheid (zie onder meer: R. v. St., nr. 95.851, 28 mei 2001, PAVLYUK; nr. 95.806, 23 mei 2001, JEGENOVA.); dat uit de tekst van het bestreden bevel blijkt dat dit bevel aan verzoekster op 18 januari 2005 werd ter kennis gebracht; dat zij erkent het bestreden bevel op die datum voor kennisname te hebben ontvangen en dat zij het daartoe heeft ondertekend; dat uit de motivering van het bestreden bevel blijkt dat haar “regelmatig verblijf (op het grondgebied van het Rijk) (is) verstreken sedert 21 oktober XIV-21.815-2/4 2004"; dat dit niet wordt betwist door verzoekster; dat uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat verzoekster haar verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid per fax indient op 17 februari 2005; dat in het verzoekschrift niet wordt verantwoord waarom verzoekster praktisch de volledige beroepstermijn laat verstrijken alvorens een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te dienen; dat uit de aard van de stukken gevoegd bij het verzoekschrift niet blijkt dat verzoekster zo veel tijd nodig had om deze stukken te verzamelen; dat de aangewende complexiteit van de zaak dit evenmin verantwoordt; dat het voorgehouden verblijf van verzoekster in het ziekenhuis gedurende drie weken niet is bewezen; dat bijgevolg niet kan worden aangenomen dat verzoekster diligent en alert heeft gereageerd; dat blijkt dat verzoekster tot de laatste dag van haar beroepstermijn van dertig dagen wacht om huidige vordering in te leiden, zijnde de dag waarop zij reeds drie weken voordien het grondgebied van het Rijk diende te verlaten; dat verzoekster bovendien niet aannemelijk maakt, waarom de schorsing volgens de gewone procedure te laat zou komen, temeer daar blijkt uit de brief van 18 februari 2005 van de Dienst Vreemdelingenzaken, waarvan de inhoud aan het tegensprekelijk debat werd onderworpen ter zitting van woensdag 23 februari 2005 dat “er nog geen enkele uitvoerings- maatregel werd getroffen ten aanzien van verzoeker(ster).”; dat verzoekster vrij laat een Advocaat zou hebben geraadpleegd, is aan haar eigen toedoen te wijten; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster een vaste woonplaats heeft en dat zij ter zitting via haar Advocaten liet weten dat zij vrijwillig het Belgisch grondgebied zou verlaten vóór 30 november 2005; dat zij die tijd nodig heeft om de formaliteiten te vervullen voor de uitvoer van haar springpaarden naar de Verenigde Staten; dat het toekomt aan verzoekster om desbetreffend contact op te nemen met de bevoegde autoriteiten; Overwegende dat het tenslotte een wezenskenmerk is van een bestuurshandeling dat ze eventueel onmiddellijk kan worden tenuitvoer gelegd, maar dat de loutere vrees dat dit op ieder ogenblik zou kunnen gebeuren, op zich niet doet blijken dat de schorsing van het thans bestreden bevel volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen; dat bijgevolg niet is voldaan aan de eerste cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, §§ 1 en 2; dat de ingestelde vordering bijgevolg onontvankelijk is;
- Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, de Raad van State ten overvloede vaststelt dat verzoekster in haar verzoekschrift geen middelen ontwikkelt, omdat niet wordt aangeduid welke rechtsregels in materiële zin het bestreden bevel zouden schenden; dat enkel gewag wordt gemaakt van het evenredigheids- of proportionaliteitsbeginsel dat zou zijn geschonden bij de effectieve tenuitvoerlegging van het bestreden bevel, dat gekoppeld wordt aan het moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat dit beginsel op het eerste gezicht niet kan leiden tot de schorsing van het XIV-21.815-3/4 bestreden bevel; dat ten overvloede wordt vastgesteld dat niet is voldaan aan de tweede cumulatieve voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2;
- Overwegende dat, wat de derde voorwaarde van voormeld artikel 17, §§ 1 en 2, betreft, uit het verzoekschrift blijkt en dit ten overvloede, dat wanneer een derde persoon zou worden ingeschakeld, mocht het bestreden bevel worden tenuitvoergelegd, er geen sprake is van het indirect moeilijk te herstellen ernstig nadeel met een hoofdzakelijk financieel karakter, waarvan sprake in het verzoekschrift; dat voor zover als nodig wordt vastgesteld dat niet is voldaan aan de derde cumulatieve voorwaarde van voornoemd artikel 17, § § 1 en 2, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten worden voorbehouden. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vierentwintig februari tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. Kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-21.815-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.221 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.