id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.287 Rolnummer: A. 153713/X-11958 Zaak: Arrest 141287 - - 25/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-09 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 08:07 Fiche Arrest nr 141.287 van 25 februari 2005 - Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.287 van 25 februari 2005 in de zaak A. 153.713/X-11.958 In zake : Philippe SONCK, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Grote Hertstraat 12, tegen :
- de stad Deinze, die woonplaats kiest bij Advocaat I. Traest, kantoor houdende te 9000 GENT, Gouvernementstraat 20,
- het Vlaamse gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat V. DE TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan 128, tussenkomende partij : de n.v. MORTI, die woonplaats kiest bij Advocaat P. Lachaert, kantoor houdende te 9820 MERELBEKE, Hundelgemsesteenweg 166, bus 5-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Philippe SONCK op 12 juli 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 14 april 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg "Sectoraal BPA Zonevreemde Bedrijven -1/2 MORTI NV", aangenomen door de gemeenteraad van de stad Deinze op 28 augustus 2003 en bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 13 mei 2004; Gezien de nota's van de verwerende partijen; X-11.958-1/11 Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur J. CLEMENT; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 8 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 26 november 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad J.BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. JONGBLOET die, loco Advocaat M. DENYS verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat I. TRAEST die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van Advocaat T. DE SUTTER die, loco Advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van Advocaat E. VAN BOGAERT die, loco Advocaat P. LACHAERT verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur J. CLEMENT, Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; Overwegende dat de n.v. MORTI met een verzoekschrift van 20 augustus 2004 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat de percelen waarop zich de "ateliers voor staal en hout" bevinden van het aannemingsbedrijf van algemene bouwwerken n.v. MORTI volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgesteld gewestplan Gentse en Kanaalzone zijn gelegen in woongebied en landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat de voormelde percelen bij besluit van de Vlaamse regering van 14 oktober 1992 zijn onderge- bracht in het gewestplan Oudenaarde, maar dat de gewestplanbestemming ongewijzigd is gebleven; dat het college van burgemeester en schepenen van de stad Deinze bij besluit van 12 februari 2001 een positief planologisch attest heeft X-11.958-2/11 verleend voor het bedrijf van de n.v. MORTI; dat de stad Deinze in 2002 heeft beslist tot de opmaak van een sectoraal bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven voor onder meer de n.v. MORTI; dat de Afdeling Ruimtelijke Planning en de gemachtigde ambtenaar een "gecoördineerd ongunstig advies" over het voorontwerp sectoraal bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven hebben verleend; dat de Gemeentelijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening op 24 maart 2003 een gunstig advies heeft verleend over het voorontwerp van sectoraal bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven; dat de gemeenteraad van de stad Deinze op 27 maart 2003 het ontwerp van sectoraal bijzonder plan van aanleg "deelplan NV MORTI" voorlopig heeft vastgesteld; dat de betrokken percelen worden bestemd tot "zone voor bedrijfsgebouwen en aanverwante voorzieningen", "zone voor private parkeerplaatsen, opritten en buitenopslag van bouwmaterialen", "zone voor bedrijfswoning", "zone voor woningbouwen", "zone voor koeren, tuinen en hovingen", "voortuinstrook", "bufferzone" en "strook voor lineaire (opgaande) beplanting"; dat van 16 april 2003 tot 16 mei 2003 een openbaar onderzoek wordt gehouden over het ontwerpplan; dat een gezamenlijk bezwaarschrift wordt ingediend door 6 omwonenden waaronder de verzoekende partij; dat de Gemeente- lijke Commissie voor Ruimtelijke Ordening op 18 augustus 2003 een gunstig advies heeft verleend over het ontwerpplan; dat de gemeenteraad van de stad Deinze op 28 augustus 2003 het thans bestreden bijzonder plan van aanleg "sectoraal BPA Zonevreemde Bedrijven - 1/2 MORTI NV" definitief heeft vastgesteld; dat de gemachtigde ambtenaar op 30 oktober 2003 een gunstig advies heeft verleend; dat de bestendige deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen op 30 oktober 2003 een gunstig advies heeft verleend; dat de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie bij besluit van 14 april 2004 het bijzonder plan van aanleg "Sectoraal BPA Zonevreemde Bedrijven - 1/2 MORTI NV" van de stad Deinze heeft goedgekeurd; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de eerste door voornoemd artikel 17, § 2, X-11.958-3/11 opgelegde voorwaarde betreft, de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 14, vierde en vijfde lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 en van het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur evenals machtsoverschrijding, dat hij uiteenzet dat het bestreden besluit stelt dat "op 8 januari 1999 een structureel overleg over de startnota van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan heeft plaatsgevonden", en dat de minister hieraan de conclusie heeft verbonden dat zodoende aan de "eerste voorwaarde" voor de toepassing van artikel 14, vijfde lid ,van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördineerd op 22 oktober 1996 werd voldaan, dat de vraag kan worden gesteld of de stad Deinze op die manier wel heeft voldaan aan de voorwaarde van artikel 14, vijfde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening gecoördi- neerd op 22 oktober 1996, namelijk dat "de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan", dat er helemaal nog geen sprake is van enige beslissing, maar slechts van een overleg over een beslissing, zonder dat deze beslissing ook effectief is genomen; Overwegende dat de eerste verwerende partij stelt dat de bepalingen van artikel 14 van het van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, wel degelijk correct zijn toegepast, dat het administratief dossier een uittreksel bevat uit het gemeentelijk structuurplan Deinze, dat de omstandigheid dat alleen wordt verwezen naar het overleg erover en niet naar de beslissing geenszins de aangevoerde schending kan uitmaken nu uit het administratief dossier duidelijk blijkt dat er over de beslissing en het bestaan ervan geen twijfel kan bestaan; Overwegende dat de tweede verwerende partij stelt dat uit het administratief dossier ontegensprekelijk blijkt dat de stad wel degelijk een beroep doet op artikel 14, vijfde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, voor de opmaak van het bestreden bijzonder plan van aanleg, dat de Vlaamse minister wel degelijk heeft kunnen afleiden dat de stad heeft beslist tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, dat naast het structureel overleg waarvan sprake, dit ook blijkt uit het uittreksel van het gemeentelijk structuurplan dat bij het administratief dossier is gevoegd, dat het niet valt in te zien om welke andere reden een studiebureau deze documenten heeft opgesteld, dat in de globale benadering eveneens te lezen staat dat het kwestieus sectoraal bijzonder plan van aanleg zonevreemde bedrijven voor de stad Deinze X-11.958-4/11 dient gezien te worden als een voorafname van het gemeentelijk structuurplannings- proces; Overwegende dat de tussenkomende partij stelt dat het structureel overleg over de startnota van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan wel degelijk heeft plaatsgevonden, dat ook de Directeur-generaal AROHM heeft bevestigd dat er op 8 januari 1999 een overleg over de startnota is gevoerd, dat zij verwijst naar de mededeling van de technische dienst van de stad Deinze van 19 augustus 2004 waaruit blijkt dat de stad Deinze wel degelijk een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan in opmaak heeft, dat de startnota in het kader van de opmaak van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Deinze op 14 december 1998 op de dienst ruimtelijke planning van AROHM werd besproken en dat de plenaire vergadering betreffende het ontwerp gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Deinze doorging op 26 februari 2004; Overwegende dat artikel 14, vijfde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bepaalt wat volgt : "Een bijzonder plan van aanleg dat afwijkt van de voorschriften van het gewestplan kan ook worden goedgekeurd wanneer de gemeente beslist heeft tot het openmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, § 1 van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, op voorwaarde dat een ruimtelijke afweging gebeurt mede op basis van de principes van het ruimtelijk structuur- plan Vlaanderen, en dat het bijzonder plan van aanleg voorlopig aangenomen werd vóór 1 mei 2005."; Overwegende dat voormelde bepaling als voorwaarde om in het bijzonder plan van aanleg te kunnen afwijken van de voorschriften van het gewestplan oplegt dat "de gemeente beslist heeft tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, zoals bedoeld in artikel 20, §1, van het decreet van 24 juli 1996 houdende de ruimtelijke planning of artikel 32, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening"; dat beide laatstgenoemde bepalingen luiden als volgt: "de gemeenteraad beslist tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan"; dat het bestreden besluit geen melding maakt van een dergelijke beslissing van de gemeenteraad, maar enkel vermeldt dat "op 8 januari 1999 een structureel overleg heeft plaatsgevonden"; dat de verwerende partijen geen beslissing van de gemeenteraad tot het opmaken van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan voorleggen; dat zij zelfs niet vermelden wanneer de gemeenteraad van de stad Deinze zou hebben beslist tot het opmaken X-11.958-5/11 van een gemeentelijk ruimtelijk structuurplan; dat zij enkel verwijzen naar een bundel "structuurplan Deinze" dat werd opgemaakt door een studiebureau; dat niet blijkt te zijn voldaan aan de door artikel 14, vijfde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, opgelegde voorwaarde om op grond van deze bepaling te kunnen afwijken van de voorschriften van het gewestplan; dat het middel ernstig is; Overwegende dat, wat de tweede door artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde betreft, de verzoekende partij onder meer het verlies van de planmatige bescherming die haar tot op heden door het gewestplan werd gegarandeerd en de afbreuk die gedaan wordt aan haar woon- en leefkwaliteit door de hinder op het gebied van geluidsoverlast, geurhinder, lichthinder en visuele hinder van het bestaande bedrijf en van de uitbreidingen van het bedrijf die door het bijzonder plan van aanleg mogelijk worden gemaakt, als nadeel aanvoert; Overwegende dat de eerste verwerende partij stelt dat de hinder waarover de verzoekende partij zich beklaagt niet rechtstreeks voortvloeit uit de tenuitvoerlegging van het thans goedgekeurde bijzonder plan van aanleg, dat alleen de exploitatie en de te verlenen bouw- en/of milieuvergunningen de oorzaak kunnen zijn van de aangevoerde hinder, dat er geen voldoende causaal verband bestaat met de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bijzonder plan van aanleg, dat de Correctionele Rechtbank te Gent bij vonnis van 3 november 2003 een exploitatie- verbod heeft uitgesproken en een schadevergoeding heeft toegekend aan de verzoekende partij waaruit aldus blijkt dat de nadelen die de verzoekende partij lijdt enerzijds slechts voortvloeien uit de exploitatie en anderzijds door het rechterlijk exploitatieverbod, dat een pecuniair nadeel herstelbaar is, dat waar de verzoekende partij verwijst naar voorgaande arresten van de Raad van State die de aan de n.v. MORTI verleende vergunningen hebben geschorst, zij toegeeft dat de nadelen geen gevolg zijn van de tenuitvoerlegging van het bijzonder plan van aanleg, zodat de gevraagde schorsing geen soelaas kan brengen, dat ten slotte het bijzonder plan van aanleg wel degelijk voorziet in een bufferzone; Overwegende dat de tweede verwerende partij stelt dat een moeilijk te herstellen nadeel enkel in aanmerking kan worden genomen wanneer het rechtstreeks volgt uit de bestreden beslissing, dat dit niet het geval is, dat de nadelen volgen uit de noodzakelijke vergunningen, de exploitatie van het bedrijf of uit de wetgeving (verlies bescherming), dat de bestreden beslissing grotendeels de huidige X-11.958-6/11 toestand bevestigt, dat het nadeel zoals aangevoerd door de verzoekende partij zich reeds heeft gerealiseerd, dat de betonverharding waarnaar verzoeker verwijst de algemene woonkwaliteit van de omgeving ten goede komt doordat de verkeerssitua- tie in de straat wordt gesaneerd, dat in het bestreden bijzonder plan van aanleg eveneens een groenscherm is voorzien hetgeen een verbetering inhoudt tegenover de huidige situatie; Overwegende dat de tussenkomende partij betwist dat de verdere exploitatie en uitbreiding van het bedrijf een grote negatieve impact heeft op de leefomgeving van de buurt, dat de hinder die door het bedrijf wordt veroorzaakt zeer beperkt is, dat de verzoekende partij haar woning heeft gekocht op het ogenblik waarop de tussenkomende partij reeds gedurende 12 jaren haar activiteit ontplooide, dat de verzoekende partij gedurende de eerste 15 jaren van haar aanwezigheid nooit enige opmerking nopens de activiteit van het bedrijf heeft gemaakt terwijl de hinder begin jaren 80 veel groter was, dat het bedrijf talrijke inspanningen heeft geleverd om de milieuhinder te beperken, dat de enige mogelijke hinder nog veroorzaakt kan worden door de aankomst en het vertrek van de werknemers, dat op de bedrijfssite alleen de kantoren en de magazijnen zijn gelegen, dat de eigenlijk productie van de door het bedrijf aangewende materialen geschiedt op een andere bedrijfssite, dat het bedrijf op een 200-tal meter van de Grote steenweg, die Deinze met Gent verbindt, is gelegen zodat het verkeer dat van en naar het bedrijf komt geen verkeersoverlast berokkent, dat het verfspuiten gebeurt binnen het bedrijf achter gesloten deuren en dat de verfspuitcabine binnen de 6 maanden zal worden overgebracht naar hun andere bedrijfssite, dat er geen sprake is van enige storende hinder van verlichting, dat uit de vaststellingen die in de loop van de maanden mei en juni 1992 werden uitgevoerd door de gemeentelijke diensten blijkt dat er geen geluidsoverlast is, dat geenszins enig bewijs wordt geleverd van een ernstig risico op brand; Overwegende dat de stelling van de verwerende partijen dat de aangevoerde nadelen niet rechtstreeks voortvloeien uit de tenuitvoerlegging van het bestreden bijzonder plan van aanleg maar uit de exploitatie en de te verlenen bouw- en/of milieuvergunningen, niet kan worden aangenomen; dat het bijzonder plan van aanleg de bestemming van de betrokken percelen, die volgens het gewestplan Oudenaarde zijn gelegen, deels in woongebied en deels in landschappelijk waardevol agrarisch gebied, wijzigt in o.m. "Zone voor nijverheidsgebouwen en aanverwante voorzieningen"; dat de bestemmingsvoorschriften van deze zone als hoofdbestemming bepalen: X-11.958-7/11 "De gronden binnen deze zone zijn uitsluitend bestemd voor de bedrijfsdoe- leinden van de op het perceel gevestigde bedrijf. De activiteiten binnen bovengenoemd bedrijf mogen de omgeving, op het vlak van het visuele-architecturale aspect van het bedrijf en op het vlak van de generatie van mobiliteit, geen abnormale stedenbouwkundige hinder bezorgen. Voor de niet-stedenbouwkundige hinder wordt verwezen naar de betrokken (milieu)wetgeving." en als nevenbestemming: "de noodzakelijke kantoren, tentoonstellingsruimte, E.H.B.O., sociale uitrusting, gemeenschapsvoorzieningen in zoverre deze direct verbonden zijn aan de bestaande bedrijfsvoering. Indien deze zone niet bebouwd wordt, kan ze eveneens aangewend worden voor toeritten, bedieningswegen, parkeerplaatsen, laad- en losplaatsen en stapelplaatsen in open lucht of als groenzone ingericht worden."; dat op grond van de gewijzigde bestemming stedenbouwkundige en milieuvergun- ningen kunnen worden verleend die niet verenigbaar zijn met de gewestplanbestem- ming en die, gelet op de gewijzigde bestemmingsvoorschriften, de nadelen inzake geluidsoverlast, geurhinder en visuele hinder kunnen veroorzaken die door de verzoekende partijen worden aangevoerd; dat het te dezen bovendien gaat om een sectoraal bijzonder plan van aanleg, waarvan het plangebied is beperkt tot het zonevreemde bedrijf n.v. MORTI waarvoor het, door af te wijken van de in het gewestplan bepaalde bestemming , beoogt de rechtsgrond te scheppen om dit bedrijf, dat zonevreemd is, ter plaatse te kunnen behouden en de voor de verdere exploitatie van het bedrijf vereiste vergunningen te kunnen verlenen; dat de Raad van State in zijn arrest nr. 60.147 van 13 juni 1996 de hinder op het gebied van geluidsoverlast, geurhinder en visuele hinder van het bestaande bedrijf ten aanzien van verzoekende partij reeds heeft aanvaard als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat de uiteenzetting van de verzoekende partij voldoende concrete gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bijzonder plan van aanleg "Sectoraal BPA Zonevreemde Bedrijven - 1/2 MORTI NV" een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat is voldaan aan de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te bevelen, X-11.958-8/11 X-11.958-9/11 BESLUIT: Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. MORTI in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van 14 april 2004 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Ruimtelijke Ordening, Wetenschappen en Technologische Innovatie houdende goedkeuring van het bijzonder plan van aanleg "Sectoraal BPA Zonevreemde Bedrijven -1/2 MORTI NV", aangenomen door de gemeenteraad van de stad Deinze op 28 augustus 2003; Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het als het geschorste besluit. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-11.958-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig februari 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : De HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS J. BOVIN. X-11.958-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.287 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.159.400 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div