id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.292 Rolnummer: A. 108302/XIV-5890 Zaak: Arrest 141292 - - 25/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-15 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 08:08 Fiche Arrest nr 141.292 van 25 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.292 van 25 februari 2005 in de zaak A. 108.302/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 18 oktober 1971 en van Slowaakse nationaliteit, op 30 juli 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 27 juni 2001 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 mei 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 12 september 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-5890-1/7 Gelet op de beschikking van 26 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 26 januari 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. LAMOOT die, loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 7 april 2000 en verklaart zich vluchteling op 11 april
- 1.
- Op 5 mei 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 27 juni 2000 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 12 maart 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Hongaarse taal machtig is. Betrokkene, een Slovaaks staatsburger van Hongaarse origine, verklaarde op 12 maart 2001 voor het Commissariaat-generaal de laatste jaren in Slovakije problemen te hebben gehad omwille van haar origine. Sinds het moment dat Meciar aan de macht kwam, zou het verboden geweest zijn om op straat een andere taal dan Slovaaks te spreken en zou men in winkels niet meer zijn bediend als men geen Slovaaks sprak. Telkens politieagenten betrokkene op straat Hongaars hoorden spreken, zouden ze haar met matrakken geslagen hebben. Het laatste incident zou zich in april 2000 voorgedaan hebben. Betrokkene zou bij het buitenkomen van de apotheek een kennis in het Hongaars begroet hebben. Enkele politieagenten zouden dat gehoord hebben en betrokkene geslagen hebben. Bij een bezoek aan de dokter, zou deze blauwe plekken op betrokkenes lichaam opgemerkt hebben en betrokkene zou uitgelegd hebben hoe zij die had opgelopen. De arts zou een medisch attest opgemaakt hebben en betrokkene de raad gegeven hebben klacht in te dienen. Betrokkene zou dit uit angst niet gedaan hebben. Daarnaast zou betrokkene bij een bezoek aan een discotheek tweemaal door leden van de maffia zijn uitgedaagd. Deze personen zouden betrokkene en haar vrienden oneerbare voorstellen gedaan hebben. Zij zouden er echter niet op ingegaan zijn en rechtsomkeer gemaakt hebben. Begin april 2000 zou betrokkene van een vriend van haar man vernomen hebben dat haar ouders en broers XIV-5890-2/7 en zus (B. A.; B. S.; B. N.; B. I. en B. A) reeds in België waren. Hij zou betrokkene voorgesteld hebben haar eveneens naar België te brengen. Betrokkene zou op het voorstel zijn ingegaan. Op 11 april 2000 vroeg betrokkene in België asiel aan. Er dient te worden opgemerkt dat de door betrokkene ingeroepen feiten met betrekking tot het spreken van haar moedertaal niet overeenstemmen met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt. Betrokkene verklaarde voor het Commissariaat-generaal dat alle Hongaarse scholen gesloten werden toen Meciar aan de macht kwam en dat het de laatste jaren verboden was om op straat een andere taal dan Slovaaks te spreken. Telkens wanneer de politie betrokkene betrapte op het spreken van Hongaars, werd zij geslagen (zie CGVS p. 3 en 6). Uit de op het Commissariaat-generaal beschikbare informatie blijkt echter dat de Slovaakse Grondwet de minderheden, waarvan de Hongaarse de grootste is, het recht toekent om hun eigen cultuur te ontwikkelen en informatie en onderwijs in hun eigen taal te krijgen en hen inspraak geeft in het beleid voor zaken die hen aanbelangen. Daarnaast amendeerde het Slovaakse parlement in januari 1999 drie wetten zodat het mogelijk werd om tweetalige schoolrapporten (Slovaaks-Hongaars) uit te reiken op scholen waar Hongaars gegeven wordt. Bovendien ondertekende president Schuster op 22 juli 1999 de wet op het gebruik van de talen van etnische minderheden. Deze wet voorziet dat een minderheidstaal in gemeenten waar de minderheid 20 % van de bevolking uitmaakt, gebruikt mag worden in officiële contacten met de overheidsdiensten (zie U.S. Department of State, Country Reports on Human Rights Practices 2000 ; President signs the law on the use of ethnic minority languages, BC, SWB, 22 juli 1999; Minority Language Law passed after emotional seven-day debate, The Slovak Spectator, International Weekly, July 19-25, 1999). Het is bijgevolg hoogst onwaarschijnlijk dat betrokkene op straat geen Hongaars zou mogen spreken en dat zij, telkens zij betrapt werd, door de politie geslagen zou zijn. Bovenstaande vaststellingen ondermijnen de geloofwaardigheid van betrokkenes asielrelaas in ernstige mate. Daarnaast verklaarde betrokkene voor het Commissariaat-generaal dat zij hiertegen nooit klacht heeft ingediend omdat dit onmogelijk is. De politieagenten handelen immers op bevel van hogerhand (zie CGVS p. 7 en 8). Hierover dient te worden opgemerkt dat uit de op het Commissariaat-generaal aanwezige informatie blijkt dat de Partij van de Hongaarse Coalitie (SMK) sedert de parlementsverkiezingen van september 1998 deel uitmaakt van de Slovaakse regering (zie Ethnic Hungarians want tweo government ministers, SWB BBC, 16 okober 1998; Premier welcomes ethnic Hungarians in government, SWB BBC, 3 november 1998; EU envoy praises Slovakia over ethnic Hungarians in government SWB BBC, 16 november 1998). Er kan bijgevolg niet gesteld worden dat betrokkene omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie niet op de bescherming van de autoriteiten van haar land zou kunnen rekenen. Wat betreft de twee incidenten met de maffia aan de ingang van de discotheek, dient nog te worden opgemerkt dat deze feiten op zich onvoldoende zwaarwichtig zijn om als een daadwerkelijke systematische en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie beschouwd te kunnen worden. Het bleef immers bij verbale provocaties. Aldus kan in hoofde van betrokkene niet besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Het door betrokkene neergelegde document (paspoort) is niet van die aard dat het het bovenstaande wijzigt. Het heeft enkel betrekking op betrokkenes identiteit, waar niet aan wordt getwijfeld. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door haar het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 5 mei
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”.
- Overwegende dat verzoekster een enig middel afleidt uit de schending van artikel 1, A
(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de XIV-5890-3/7 bestuurshandelingen, van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de zorgvuldigheidsplicht; dat zij tevens betoogt dat een manifeste appreciatiefout werd gemaakt; dat zij in essentie aanvoert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft nagelaten de feiten waarop zij haar vrees voor vervolging en haar vlucht uit Slowakije baseert, grondig te toetsen aan de Vluchtelingenconventie; dat verzoekster in het middel verwijst naar haar Hongaarse origine, naar de discriminatie, beledigingen en vernederingen die zij onderging omdat zij behoorde tot de Hongaarse minderheid en naar het feit dat zij omwille van haar origine de bescherming van de Slowaakse autoriteiten niet kan inroepen; dat zij voorhoudt dat de Commissaris- generaal uit de door hem aangehaalde rapporten enkel de positieve informatie distilleert en geen rekening houdt met de minder rooskleurige informatie omtrent de Hongaarse minderheid, zoals blijkt uit het door haar geciteerde rapport van het U.S. Department of State; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat een andere onontvankelijkheidsgrond de “bedrieglijkheid” is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld indien tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit de gegevens van het dossier; dat de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid en de kennelijke ongegrondheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten op grond van de volgende motieven: - de door verzoekster ingeroepen feiten met betrekking tot het spreken van haar moedertaal stemmen niet overeen met de documentatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt; - de verklaring van verzoekster dat zij geen klacht kon indienen bij de politie, strookt niet met informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waaruit niet blijkt dat XIV-5890-4/7 verzoekster niet omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie, op de bescherming van de autoriteiten van haar land zou kunnen rekenen; - de twee incidenten met de maffia aan de ingang van een discotheek zijn onvoldoende zwaarwichtig om als een daadwerkelijke systematische en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie te worden beschouwd; Overwegende dat uit het administratief dossier niet blijkt dat de Commissaris-generaal onzorgvuldig is tewerk gegaan bij het nemen van de bestreden beslissing; dat uit de samenlezing van de bestreden beslissing met de gegevens van het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal zich heeft geïnformeerd over alle objectieve en relevante elementen om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen; dat hij beschikte over het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken, over verzoeksters verzoekschrift tot dringend beroep en over de neerslag van haar verklaringen op het Commissariaat-generaal; dat uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal de asielaanvraag van verzoekster individueel en persoonlijk heeft onderzocht; dat het eerste deel van de bestreden beslissing een nauwkeurige neerslag bevat van de feiten, die resulteren uit de verklaringen die verzoekster aflegde op het Commissariaat-generaal; dat in een tweede deel het individuele asielrelaas van verzoekster op een objectieve wijze wordt geanalyseerd in de globale context van haar asielaanvraag, en uitgebreid wordt vergeleken met de informatie betreffende de minderheden in Slowakije, verstrekt door verschillende bronnen; dat deze uiterst volledige en gedetailleerde analyse de Commissaris-generaal heeft doen besluiten dat verzoeksters asielaanvraag bedrieglijk was en kennelijk ongegrond; dat verzoekster aanvoert dat de Commissaris-generaal selectief is tewerk gegaan bij het hanteren van de documentatie en de minder rooskleurige passages over het hoofd heeft gezien; dat uit de samenlezing van de bestreden beslissing met de informatie van het Commissariaat-generaal evenwel blijkt dat de Commissaris-generaal geen beoordelingsfout heeft gemaakt en dat hij op grond van de informatie waarover hij beschikt, kon besluiten tot de onontvankelijkheid van verzoeksters asielaanvraag; dat hij de specifieke verklaringen van verzoekster over het gebruik van haar moedertaal aan de betrokken informatie (U.S. Department of State, Country Reports on Human Rights Practices 2000; President signs the law on the use of ethnic minority languages, BBC, SWB, 22 juli 1999; Minority Language Law passed after emotional seven-day debate, The Slovak Spectator, International Weekly, July 19-25, 1999) heeft getoetst; dat hij uit die informatie afleidt dat de Slowaakse grondwet voor de minderheden waarborgen voorziet wat betreft cultuur, informatie en onderwijs in de eigen taal en dat zij inspraak voorziet in het beleid voor zaken die hen aanbelangen; dat hij tevens verwijst naar tweetalige schoolrapporten en naar het feit dat de president de wet op het gebruik van talen voor etnische minderheden heeft ondertekend; dat de Commissaris-generaal, gelet op hetgeen voorafgaat terecht kan overwegen dat het “hoogst onwaarschijnlijk (is) dat betrokkene op straat geen Hongaars zou mogen spreken en dat zij, telkens zij betrapt werd, door de politie geslagen zou zijn”; dat verzoekster opmerkt dat het rapport van het U.S. Department of State tevens gewag maakt XIV-5890-5/7 van anti-Hongaarse gevoelens en van het feit dat de hogergenoemde taalwet niet door alle partijen werd onderschreven, maar dit niet concreet betrekt op haar asielrelaas; dat zij evenmin uiteenzet hoe haar argumenten aan het oordeel van de Commissaris-generaal afbreuk doen; dat zij niet aantoont dat de bevindingen van de Commissaris-generaal die voortvloeien uit een toetsing van verzoeksters concrete verklaringen aan objectieve documentatie, onjuist zijn of voortspruiten uit onzorgvuldig onderzoek; dat verzoekster evenmin het motief weerlegt dat zij niet aantoont dat zij omwille van één van de criteria van de Vluchtelingenconventie, niet op de bescherming van de autoriteiten van haar land zou kunnen rekenen; dat zij evenmin aannemelijk maakt dat het oordeel van de Commissaris- generaal, namelijk dat de problemen met de maffia, onvoldoende zwaarwichtig zijn om een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie te onderbouwen, feitelijke grondslag mist; dat niet blijkt dat de Commissaris-generaal onzorgvuldig is tewerk gegaan bij het nemen van zijn beslissing; Overwegende dat verzoekster geen concrete elementen aanvoert die wijzen op het bestaan van een gegronde vrees voor systematische en persoonlijke vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing steunt op pertinente en afdoende motieven die draagkrachtig zijn; dat de Commissaris-generaal derhalve kon vaststellen dat de asielaanvraag van verzoekster kennelijk ongegrond en bedrieglijk is; dat het enig middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-5890-6/7 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig februari tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-5890-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.292 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div