id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.293 Rolnummer: A. 108309/XIV-5897 Zaak: Arrest 141293 - - 25/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-15 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-02 08:08 Fiche Arrest nr 141.293 van 25 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.293 van 25 februari 2005 in de zaak A. 108.309/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. VRIJENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 551 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 9 februari 1980 en van Slowaakse nationaliteit, op 30 juli 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 28 juni 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 20 april 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 12 september 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-5897-1/6 Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 26 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 26 januari 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. LAMOOT, die loco Advocaat B. VRIJENS verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 2 augustus 1999 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
- Op 20 april 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 28 juni 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris- generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 19 juni 2000 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Hongaarse taal machtig is. Betrokkene, van Slovaakse nationaliteit en Roma-origine, verklaarde dat er sinds 1995-1996 een verbod is op de Hongaarse taal en dat hij in winkels omwille van zijn origine vernederd en beledigd werd. In mei 1999 zouden er op een avond drie leden van de maffia hun woning zijn binnengevallen. Ze zouden betrokkenes zus XXX tot prostitutie hebben willen dwingen. XXX zou geweigerd hebben waarop de mannen boos zouden zijn geworden. Betrokkene en zijn ouders zouden door de drie mannen geslagen zijn en één van hen zou XXX verkracht hebben. Verder zou betrokkene twee kogels in zijn been hebben gekregen. Onder het uiten van bedreigingen zouden de drie mannen weggegaan zijn. Hierna zou het ganse gezin naar het hospitaal gegaan zijn en vervolgens naar de politie. De politie zou echter geweigerd hebben op te treden en betrokkenes moeder een oorvijg gegeven hebben. In juli 1999 zou het gezin van een kennis de raad gekregen hebben het land te verlaten en op 28 juli 1999 zou betrokkene samen met zijn moeder XXX zijn zus XXX en haar drie kinderen uit Slovakije vertrokken zijn. Op 30 XIV-5897-2/6 juli 1999 zou hij in België zijn aangekomen waar hij op 2 augustus 1999 asiel aanvroeg. Betrokkenes vader XXX zou ongeveer drie maanden later naar België gekomen zijn. Er dient opgemerkt te worden dat de verklaringen die betrokkene aflegde voor het Commissariaat-generaal een aantal tegenstrijdigheden vertonen met verklaringen afgelegd door zijn familieleden. Zo verklaarde betrokkene dat er die avond drie mannen hun woning binnenvielen (zie CGVS B. N. p. 4), terwijl de andere familieleden stelden dat het om vijf personen ging (zie CGVS B. A. p. 3, B. S. p. 2 en B. I. p. 3). Ten tweede verklaarde betrokkene dat alle familieleden zich in de woonkamer bevonden toen de drie mannen de woning binnenvielen (zie CGVS B. N. p. 4). Betrokkenes vader verklaarde echter dat Iveta en haar drie kinderen op dat moment in een slaapkamer op de eerste verdieping waren (zie CGVS B. A. p. 3). Ten derde stelde betrokkene dat zijn zus XXX door één persoon verkracht werd (zie CGVS B. N. p. 4), terwijl betrokkenes vader beweerde dat XXX door drie personen verkracht werd (zie CGVS B. A. p. 4). Betrokkenes moeder en zus stelden op hun beurt dat zij door twee personen verkracht werd (zie CGVS B. S. p. 2 en B. I. p. 4). Daarnaast stelde betrokkene dat hijzelf en zijn vader naar buiten werden gesleept en daar geslagen werden en dat zijn moeder enkel in het huis geslagen werd (zie CGVS B. N. p. 5). Betrokkenes vader stelde dat hijzelf, zijn zoon en zijn echtgenote enkel in huis geslagen werden (zie CGVS B. A. p. 4 en 5), terwijl betrokkenes moeder verklaarde dat zowel zijzelf als haar zoon en echtgenoot buiten werden geslagen (zie CGVS B. S. p. 2). Verder stelde betrokkene dat het ganse gezin eerst naar het ziekenhuis ging en vervolgens naar de politie om klacht in te dienen (zie CGVS B. N. p. 6). De andere familieleden stelden echter dat betrokkenes moeder eerst naar de politie ging en dat vervolgens het gezin naar het ziekenhuis ging (zie CGVS B. A. p. 5, B. S. 3 en 4 en B. I. p. 5 en 6). Vervolgens verklaarde betrokkene dat het ganse gezin mee binnenging in het hospitaal (zie CGVS B. N. p. 6). Betrokkenes zus en moeder stelden daarentegen dat XXX en haar drie kinderen bij het ziekenhuis in de auto bleven wachten (zie CGVS B. I. p. 6 en B. S. p. 4). Tenslotte stelde betrokkene dat het ganse gezin mee naar het politiebureau ging (zie CGVS B. N. p. 6), terwijl zijn zus verklaarde dat hun moeder alleen naar de politie ging (zie B. I. p. 6). Bovenstaande tegenstrijdigheden laten niet toe enig geloof te hechten aan betrokkenes asielrelaas. De overige feiten die betrokkene aanhaalde ter staving van zijn asielrelaas (beledigingen, vernederingen) zijn op zich niet ernstig genoeg om als een daadwerkelijke systematische en persoonlijke vervolging zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie beschouwd te kunnen worden. Aldus kan in hoofde van betrokkene niet besloten worden tot het bestaan van een vermoeden van gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk is en kennelijk ongegrond, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris- generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 20 april
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. 2.
- Overwegende dat verzoeker een eerste middel afleidt uit de “schending van de algemene rechtsbeginselen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer specifiek de zorgvuldigheidsverplichting en de rechten van verdediging”, omdat de bestreden beslissing gesteund is op vermeende tegenstrijdigheden en verzoeker door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tijdens het verhoor nooit met deze tegenstrijdigheden werd geconfronteerd en derhalve niet de kans heeft gekregen om de vermeende tegenstrijdigheden te weerleggen en er “een eventuele plausibele verklaring” voor te geven; XIV-5897-3/6 Overwegende dat de procedure voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een administratieve en geen jurisdictionele procedure is, zodat op de Commissaris-generaal ten tijde van het verhoor geen verplichting rustte om de asielzoeker met zijn tegenstrijdige verklaringen te confronteren; dat de in de bestreden beslissing vastgestelde tegenstrijdigheden bovendien de kern van het asielrelaas van verzoeker betreffen en steun vinden in het administratief dossier, zoals blijkt uit de analyse van het tweede middel; dat verzoeker beweert een verklaring te kunnen geven voor de vastgestelde tegenstrijdigheden, doch nalaat voormelde tegenstrijdigheden met concrete gegevens te weerleggen; dat het eerste middel ongegrond is; 2.
- Overwegende dat verzoeker een tweede middel afleidt uit de schending van artikel 1, A
(2), van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandeling- en, van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald de zorgvuldigheidsplicht; dat hij tevens betoogt dat een manifeste appreciatiefout werd gemaakt; dat hij in essentie aanvoert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen heeft nagelaten de feiten waarop hij zijn vrees voor vervolging en zijn vlucht uit Slowakije baseert, grondig te toetsen aan de Vluchtelingenconventie; dat verzoeker voor het overige in het middel verwijst naar zijn Roma-origine, naar de discriminatie en mishandeling van de Roma’s in Slowakije zoals blijkt uit de door hem geciteerde mensenrechtenrapporten en naar het feit dat hij omwille van zijn origine de bescherming van de Slowaakse autoriteiten niet kan inroepen; Overwegende dat de Vluchtelingenconventie aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfswei- gering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat een andere onontvankelijkheidsgrond de “bedrieglijkheid” is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die niet echt zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld indien tegenstrijdighe- XIV-5897-4/6 den worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit de gegevens van het dossier; dat de Commissaris-generaal in casu tot de bedrieglijkheid en de kennelijke ongegrondheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten op grond van de volgende motieven: - verzoekers verklaringen op het Commissariaat-generaal stemmen niet overeen met de verklaringen van zijn familieleden, zodat geen geloof kan worden gehecht aan zijn asielrelaas. Deze tegenstrijdigheden hebben betrekking op het aantal mannen dat de woning binnenkwam, de plaats waar de familieleden zich op dat moment bevonden, het aantal mannen dat zijn zus Iveta verkrachtte, de plaats waar hijzelf, zijn vader en moeder geslagen werden, en het daaropvolgende bezoek aan het hospitaal en de politie; - de overige feiten die verzoeker aanhaalt ter staving van zijn asielrelaas (beledigingen en vernederingen) zijn op zich niet ernstig genoeg om als een daadwerkelijke, systematische en persoonlijke vervolging zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie te worden beschouwd; Overwegende dat verzoeker zich in het tweede middel in essentie beperkt tot het verwijzen naar zijn Roma-origine, naar de algemene toestand van de Roma in Slowakije en naar het feit dat hij de bescherming van de Slowaakse autoriteiten niet zou kunnen inroepen wegens zijn origine; dat deze elementen geen afbreuk doen aan de wettigheid van de motieven van de bestreden beslissing, vermits de vastgestelde tegenstrij- digheden steun vinden in het administratief dossier, essentieel zijn en niet door verzoeker worden weerlegd; dat uit het administratief dossier evenmin blijkt dat de Commissaris- generaal onzorgvuldig is tewerk gegaan bij het nemen van de bestreden beslissing; dat om zich een juist beeld te vormen van de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt op het tijdstip van zijn vluchtelingenverklaring, de Commissaris-generaal alle objectieve en relevante gegevens nagaat die hij nodig heeft om zijn beslissing te kunnen nemen; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker zijn asielrelaas heeft kunnen uiteenzetten op de Dienst Vreemdelingenzaken; dat hij tevens de mogelijkheid heeft benut om dringend beroep in te stellen bij de Commissaris-generaal en werd uitgenodigd voor een interview op het Commissariaat-generaal; dat hij aldus de mogelijkheid heeft gehad om zijn asielmotieven omstandig uiteen te zetten en om eventueel aanvullende stukken neer te leggen; dat uit de lezing van de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal rekening heeft gehouden met de diverse verklaringen afgelegd door verzoeker en zijn familie en dat hij heeft kunnen vaststellen dat zij tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd omtrent de feiten die de directe aanleiding hebben gevormd voor hun vlucht uit hun land van herkomst; dat de bestreden beslissing derhalve gedragen wordt door pertinente, draagkrachtige en deugdelijke motieven, die steun vinden in het administratief dossier en die niet door verzoeker worden weerlegd; dat het tweede middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is XIV-5897-5/6 om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig februari tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-5897-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.293 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div