id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.295 Rolnummer: A. 102503/XIV-2946 Zaak: Arrest 141295 - - 25/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-21 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 08:08 Fiche Arrest nr 141.295 van 25 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.295 van 25 februari 2005 in de zaak A. 102.503/XIV-
- In zake : XXX, wonende te B. tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 1 april 1958 en van Moldavische nationaliteit, op 28 maart 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 19 maart 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 17 mei 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 6 april 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-2946-1/8 Gelet op de beschikking van 5 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 12 januari 2005 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gelet op de persoonlijke verschijning van de verzoekende partij en gehoord de opmerkingen van Attaché F. VEREEKEN, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 19 september 1999 en verklaart zich vluchteling op 22 september
- 1.
- Op 17 mei 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenland- se Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 19 maart 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Betrokkene werd verhoord op 8 januari 2001 op de zetel van het Commissariaat-generaal, bijgestaan door een tolk, die de Russische taal machtig is, en in aanwezigheid van zijn advocaat, Mr. Van Hyfte. Betrokkene, een Moldaafs staatsburger van Moldaafse origine, verklaart verscheidene problemen te hebben gehad in Moldavië omwille van het feit dat hij niet wou dienen in het Transnjestrische leger. Betrokkene zou Moldavië verlaten hebben in de zomer van
- Op 19 september 1999, na een tijdje in Oekraïne te hebben verbleven, is betrokkene in België aangekomen waar hij op 22 september 1999 asiel heeft aangevraagd. Betrokkene is in het bezit van een Moldaafse identiteitskaart die betrokkene voor 20 lei zou gekocht hebben. Betrokkene meent niet te weten of ze echt is. Op 8 januari 2001 heeft ook betrokkenes zoon S. (O.V. 5.061.798) in België asiel aangevraagd. Volgens de verklaringen die betrokkene aflegde voor het CGVS, zou hij in de Transnjestrische Republiek Moldavië (PMR) gewoond hebben, in de stad Dubasari. In het bedrijf waar betrokkene tot 1995 gewerkt had, zou hij in april 1999 vernomen hebben dat verschillende mannen zouden worden opgeroepen om heropgeleid te worden in het leger van de PMR. Twee weken later in april 1999 zou betrokkene dan ook een convocatie hebben ontvangen van het militair commissariaat. Aangezien betrokkene vernomen zou hebben dat de kans bestond dat hij naar Tsjetsjenië zou gestuurd worden en op aanraden van vrienden en collega's, zou betrokkene zich niet op het Militair Commissariaat aangeboden XIV-2946-2/8 hebben. In mei 1999 zou betrokkene dan ondergedoken zijn in het dorp waar zijn moeder ooit woonde. Niemand zou geweten hebben dat hij daar was en daardoor zou hij er ook geen problemen meer gekend hebben. Na zijn eerste convocatie zou betrokkene nog andere convocaties van het Militair Commissariaat gekregen hebben om zich op latere data aan te bieden. Betrokkene zou toen Moldavië echter reeds verlaten hebben. Intussen zou betrokkene vernomen hebben dat tegen hem in Moldavië een rechtszaak was geopend wegens desertie. In de zomer van 1999 zou betrokkene Moldavië hebben verlaten richting Oekraïne. In Oekraïne zou betrokkene gebleven zijn tot september 1999, waarna hij zou doorgereisd zijn naar België. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat betrokkene verklaart gevlucht te zijn uit angst om naar de oorlog in Tsjetsjenië te worden gestuurd. Uit de informatie waarover het CGVS beschikt blijkt echter dat er geen berichten zijn over het feit dat de Transnjestrische autoriteiten troepen zou(den) sturen naar Tsjetsjenië. Het is zeer onwaarschijnlijk dat dit zou gebeuren zonder dat de internationale gemeenschap en organisaties die zich in Moldavië bevinden daarvan op de hoogte zouden zijn (Bron: Hanne Gottfried (OSCE mission to Moldova), e-mail van 6/5/2000). Bovendien is er een belangrijke tegenstrijdigheid tussen betrokkenes asielrelaas en dat van zijn zoon N. S. (O.V. 5.061.798). Zo verklaart betrokkene dat hij de eerste keer in april 1999 werd opgeroepen om te gaan dienen in het leger (zie CGVS p. 5). Betrokkenes zoon verklaarde echter dat zijn vader reeds in 1997-1998 werd opgeroepen om naar Tsjetsjenië te gaan (zie CGVS zoon, p.8). Dit element tast de geloofwaardigheid van betrokkenes asielrelaas dat enkel gebaseerd is op het feit dat hij werd opgeroepen voor het leger, op fundamentele wijze aan. Er dient bovendien te worden vastgesteld dat betrokkene, in tegenstelling tot zijn eigen beweringen, toch staatsburger is van de Moldavische republiek. Immers, uit de documentatie waarover het CGVS beschikt blijkt dat alle inwoners van Transnjestrië automatisch als staatsburger van Moldavië worden beschouwd (Bron: Hanne Gottfried (OSCE mission to Moldova), e-mail van 6/5/2000). Aangezien betrokkene Moldaafs staatsburger van Moldaafse origine is had hij zich, indien er zich toch problemen in verband met een dienstweigering hadden voorgedaan, elders in Moldavië kunnen vestigen, buiten Transnjestrië, om aan de oproeping voor het Transnjestrische leger te ontkomen. Er dient bijgevolg te worden opgemerkt dat de ingeroepen feiten plaatselijk van aard zijn en dat er geen aanwijzingen zijn dat betrokkene zich niet elders in het land zou kunnen vestigen. De door betrokkene voorgelegde oproepingsbrieven van de Transnjestrische autoriteiten vermelden ten slotte wel dat betrokkene zich diende aan te bieden maar vermelden niet de reden ervoor. Bovendien doen zij niets af aan het feit dat betrokkene zich elders in Moldavië had kunnen vestigen. Gelet op het voorgaande kan in hoofde van betrokkene geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. De overige door betrokkene voorgelegde documenten (rijbewijs, identiteitskaart, geboorteakte) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet aangezien zij enkel bio- gegevens van betrokkene bevatten waaraan niet wordt getwijfeld. Uit wat voorafgaat blijkt dat de aanvraag van betrokkene bedrieglijk en kennelijk ongegrond is, omdat de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Wat er ook van zij, betrokkene heeft niet aangetoond dat de gemachtigde van de Minister zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hem het verblijf op het grondgebied te weigeren. In elk geval, de Commissaris-generaal ontwaart geen ernstige en aantoonbare gronden die laten geloven in een risico van schending van de Conventie van Genève in geval van verwijdering van betrokkene. Bijgevolg bevestigt de Commissaris-generaal de verblijfsweigering besloten door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken op 17 mei
- De Commissaris-generaal meent dat de betrokken vreemdeling in de huidige omstandighe- den mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat hij ontvlucht is, en waar, volgens zijn verklaring, zijn leven, zijn fysieke integriteit of zijn vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. 2.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij een exceptie afleidt uit de schending van artikel 3, 6/, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, volgens hetwelk het verzoekschrift tot schorsing de taal dient te vermelden die in artikel 35 voor het verhoor wordt bepaald; dat het voorschrift van artikel 3, 6/, van voornoemd koninklijk besluit niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven en evenmin een substantieel vormvoorschrift uitmaakt, zodat de exceptie wordt verworpen; XIV-2946-3/8 2.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar nota aanvoert dat de verzoekende partij niet op basis van concrete gegevens aantoont een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te zullen ondergaan bij de onmiddellijke uitvoering van de bestreden beslissing; Overwegende dat het niet vereist is hierover uitspraak te doen, aangezien artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt toegepast en de zaak ten gronde wordt behandeld; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt beslecht; 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel; dat verzoeker aanvoert dat de overheid bij het totstandkomen van een beslissing zorgvuldig de nodige feitelijke gegevens dient te vergaren, en dat dit des te meer dient te gebeuren in het kader van een asielaanvraag; dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk en kennelijk ongegrond wordt verklaard, op grond van één tegenstrijdigheid tussen de verklaringen van verzoeker en deze van zijn zoon, en omdat verzoeker zich elders in Moldavië zou kunnen vestigen; dat verzoeker aanvoert dat deze elementen niet van aard zijn om de asielaanvraag als bedrieglijk te beschouwen; dat verzoeker meent dat hij had moeten worden toegelaten tot de gegrondheidsfase van de procedure; dat verzoeker daaraan toevoegt dat hij aan de hand van de door hem ingediende stukken heeft aangetoond dat hij werd opgeroepen door het militair commissariaat en het aannemelijk maakte dat deze oproeping ertoe strekte hem te laten dienen in het Russisch leger, meer bepaald in de burgeroorlog in Tsjetsjenië; dat het feit dat de zoon van verzoeker melding maakte van oproepingen in 1997-1998, en verzoeker zelf melding maakte van latere oproepingen, niet wijst op bedrog; dat verzoeker meent dat deze ene tegenstrijdigheid niets wijzigt aan de relevantie van de motieven van zijn asielaanvraag; dat verzoeker aanvoert dat op deze manier tevens het proportionaliteitsbeginsel wordt geschonden; 3.1.
- Overwegende dat het zorgvuldigheidsbeginsel aan de Commissaris- generaal de verplichting oplegt om zijn beslissingen op een zorgvuldige wijze voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker werd opgeroepen voor een interview op het Commissariaat-generaal; dat hij tijdens dit interview de kans kreeg om zijn asielmotieven omstandig uiteen te zetten en nieuwe en/of aanvullende stukken neer te leggen; dat dit verhoor plaatsvond met de bijstand van een tolk die de Russische taal machtig is; dat derhalve kan worden besloten dat de Commissaris-generaal bij het nemen van de bestreden beslissing zorgvuldig is te werk gegaan; XIV-2946-4/8 Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen ten opzichte van verzoeker een eindbeslissing betreffende de ontvankelijkheid van de asielaanvraag van verzoeker heeft genomen; dat de Commissaris-generaal zich hiervoor baseert op artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de Commissaris-generaal zich in het kader van voornoemd artikel een juist beeld dient te vormen over de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt op het tijdstip van de vluchtelingenverklaring; dat de Commissaris-generaal hiertoe alle gegevens onderzoekt die hij nodig acht om zijn beslissing te nemen; dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchteling- enconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de Vreemdelin-genwet; dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat een andere onontvankelijkheidsgrond de “bedrieglijkheid” is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
- van huidig arrest, de Commissaris- generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten omdat vooreerst uit informatie van Hanne Gottfried blijkt dat er geen berichten zijn over het feit dat de Transnjestrische autoriteiten troepen zouden sturen naar Tsjetsjenië en dat het zeer onwaarschijnlijk is dat dit zou gebeuren zonder dat de internationale gemeenschap daarvan op de hoogte is, en vervolgens omdat er een belangrijke tegenstrijdigheid is tussen het asielrelaas van verzoeker en dat van zijn zoon: verzoeker verklaarde dat hij in april 1999 voor de eerste keer werd opgeroepen om te gaan dienen in het leger, terwijl zijn zoon verklaarde dat zijn vader reeds in 1997-1998 werd opgeroepen om naar Tsjetsjenië te gaan; dat de oproepingen en de vrees om te moeten dienen in Tsjetsjenië het enige asielmotief van verzoeker vormen; dat er precies omtrent deze oproepingen een ernstige tegenstrijdigheid wordt vastgesteld; dat het daarom correct is dat de Commissaris-generaal op basis van deze feiten tot de bedrieglijkheid van verzoekers asielaanvraag heeft besloten; dat de vaststellin- gen van de Commissaris-generaal in overeenstemming zijn met de elementen van het XIV-2946-5/8 administratief dossier; dat verzoeker geen poging doet om deze tegenstrijdigheid te weerleggen of er een plausibele verklaring voor te geven; dat verzoeker de schending van het proportionaliteitsbeginsel niet aantoont; Overwegende dat met betrekking tot de oproepingsbrieven die verzoeker heeft aangebracht in zijn dringend beroep, blijkt dat de Commissaris-generaal vaststelt dat zij vermelden dat verzoeker zich diende aan te melden, maar niet de reden voor de aanmelding opgeven; dat verzoeker zich terzake beperkt tot de overweging dat deze oproepingsbrieven aannemelijk maken dat de oproeping ertoe strekte hem te laten dienen in het Russische leger in de burgeroorlog in Tsjetsjenië; dat verzoeker niet bewijst dat hij daadwerkelijk werd opgeroepen om te dienen in deze burgeroorlog; dat een loutere bewering, die niet met concrete elementen wordt onderbouwd, niet kan worden aangenomen; Overwegende dat de beslissing van de Commissaris-generaal om de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk en kennelijk ongegrond te verklaren, steun vindt in de motieven van de bestreden beslissing, gelet op de feitelijke gegevens van het dossier; dat het eerste middel ongegrond is; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat verzoeker aanvoert dat de aangehaalde tegenstrijdigheid onjuist is, alleszins onvoldoende om van bedrog in hoofde van verzoeker te kunnen spreken; dat het motief dat verzoeker zich elders in Moldavië zou kunnen vestigen, geen geldig motief is en niet pertinent omdat verzoeker niet afkomstig is uit Moldavië maar wel uit de Transnjestrische Republiek Moldavië; 3.2.
- Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit de verzoekschriften blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat verzoeker meent dat de aangehaalde tegenstrijdigheid onjuist is en niet volstaat om van bedrog te kunnen spreken, en dat het motief met betrekking tot het vluchtalternatief niet pertinent en niet deugdelijk is; XIV-2946-6/8 Overwegende dat betreffende de tegenstrijdigheid in verband met de data van de oproepingsbrieven, wordt verwezen naar de analyse van het eerste middel; Overwegende dat met betrekking tot het vluchtalternatief wordt vastgesteld dat verzoeker zich richt tegen een overtollig motief; dat dit blijkt uit de bewoordingen van de bestreden beslissing: “vooreerst dient te worden vastgesteld dat betrokkene verklaart gevlucht te zijn uit angst om naar de oorlog in Tsjetsjenië te worden gestuurd. (...). Dit element tast de geloofwaardigheid van betrokkenes asielrelaas, dat enkel gebaseerd is op het feit dat hij werd opgeroepen voor het leger, op fundamentele wijze aan. Er dient bovendien te worden vastgesteld dat (...) aangezien betrokkene Moldaafs staatsburger van Moldaafse origine is, hij zich, indien er zich toch problemen in verband met een dienstweigering hadden voorgedaan, elders in Moldavië (had) kunnen vestigen, buiten Transnjestrië, om aan de oproeping voor het Transnjestrische leger te ontkomen.”; dat de kritiek op dit motief niet dienend is omdat de conclusie dat de asielaanvraag van verzoeker bedrieglijk is, hoe dan ook overeind blijft en dat dit volstaat voor het bevestigen van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken; Overwegende dat de bestreden beslissing is genomen in overeenstem- ming met de wetsbepalingen betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen, aangezien zij de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die er aan ten grondslag liggen; dat de motieven draagkrachtig zijn, afdoende en deugdelijk; dat het tweede middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-2946-7/8 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig februari tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-2946-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.295 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.