← België

Arrest 141299 - - 25/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 25 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.299 Rolnummer: A. 133467/XIV-20284 Zaak: Arrest 141299 - - 25/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-21 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 08:08 Fiche Arrest nr 141.299 van 25 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.299 van 25 februari 2005 in de zaak A. 133.467/XIV-20.

  1. In zake : XXX, wonende te N., rue des C. 15/5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 12 september 1973 en van XXX nationaliteit, op 4 november 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 januari 2002 tot weigering van regularisatie, en van het bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 oktober 2002 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, beide beslissingen aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 12 oktober 2002; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; Gelet op het tussenarrest nr. 131.688 d.d. 25 mei 2004 van de XIde kamer van de Raad van State, waarbij de debatten worden heropend, en de zaak naar de algemene rol wordt verwezen voor toewijzing aan een Nederlandstalige kamer; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 5 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 12 januari 2005 om 14.00 uur; XIV-20.284-1/6 Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, die in persoon verschijnt, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
  3. XXX heeft op 24 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), meer in het bijzonder op basis van artikel 2, 4/. 1.
  4. Op 9 augustus 2001 stelde het secretariaat van de Commissie voor regularisatie vast dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig was. De aanvraag werd met een negatief advies voor beslissing overgezonden naar de Minister van Binnenlandse Zaken. 1.
  5. Op 13 december 2001 werd aan verzoeker meegedeeld dat hij over een termijn van drie werkdagen beschikte om zijn standpunt over dit advies uiteen te zetten aan de Minister van Binnenlandse Zaken. Verzoeker liet na zijn standpunt uiteen te zetten. 1.
  6. Op 28 januari 2002 nam de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissing tot verwerping van de aanvraag tot regularisatie, door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van het secretariaat van de Commissie voor Regularisatie. Dit is de eerste bestreden beslissing, die als volgt luidt: “(...) Het Secretariaat van de Commissie voor Regularisatie heeft vastgesteld dat het dossier van uw regularisatieaanvraag, ingediend bij de Burgemeester te N., die het nummer 50002000012400091 draagt, onvolledig was ten aanzien van de vereisten die in artikel 9 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk vervat zijn. In toepassing van artikel 12 § 1 van dezelfde wet heeft het Secretariaat van de Commissie me bijgevolg, voor beslissing, een negatief advies omtrent uw aanvraag bezorgd. Het heeft u tezelfdertijd, en nog steeds in toepassing van deze bepaling, eveneens een termijn van drie werkdagen toegestaan om uw standpunt bij aangetekend schrijven uiteen te zetten. Aan deze uitnodiging heeft u geen gevolg gegeven alhoewel ze u rechtsgeldig bezorgd werd in toepassing van artikel 10 van de wet. In deze omstandigheden heb ik, op basis van uw dossier, beslist om het negatief advies van het Secretariaat te volgen en de inhoud ervan, die u als bijlage vindt, te onderschrijven. XIV-20.284-2/6 Bijgevolg dien ik u spijtig genoeg mee te delen dat uw aanvraag tot regularisatie verworpen wordt. (...).”. 1.
  7. Op 1 augustus 2002 werd deze beslissing overgemaakt aan de Burgemeester van N., met de vraag ze te betekenen aan verzoeker. De kennisgeving van deze beslissing aan verzoeker geschiedde op 12 oktober
  8. Op 12 oktober 2002 werd tevens aan verzoeker een bevel van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken om het grondgebied van het Rijk te verlaten van dezelfde datum ter kennis gebracht. Dit is de tweede bestreden beslissing.
  9. Over de excepties. Overwegende dat de verwerende partij inzake de tweede bestreden beslissing twee excepties van niet-ontvankelijkheid opwerpt; dat een eerste exceptie de onontvankelijkheid van de verzoekschriften betreft omdat ze geen middel bevatten dat gericht is tegen het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat een tweede exceptie de onontvankelijkheid betreft wegens gebrek aan belang, omdat een schorsing van het bestreden bevel geen wijziging zou teweeg brengen in de rechtstoestand van verzoeker; Overwegende dat in het enig middel van verzoeker sprake is van de verwijderingsmaatregel, zodat kan worden aangenomen dat dit middel eveneens gericht is tegen het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat de eerste exceptie wordt verworpen; Overwegende dat de verwerende partij niet uiteenzet in welk opzicht de schorsing van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, geen wijziging zou teweeg brengen in de rechtstoestand van verzoeker, te meer daar verzoeker tevens een beroep heeft ingediend tegen de beslissing tot weigering van regularisatie die ten grondslag ligt aan dit bevel; dat de tweede exceptie wordt verworpen;
  10. Over de gegrondheid van de zaak. 3.
  11. Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de motiveringplicht en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); dat verzoeker uiteenzet dat in de verwijderingsmaatregel geen afweging wordt gemaakt tussen de motieven van deze maatregel en de door deze maatregel veroorzaakte ontwrichting van het gezin van verzoeker; dat XIV-20.284-3/6 verzoeker aanvoert dat hij sinds 1993 in België is en dat dit ook het geval was op 1 oktober 1999, wat blijkt uit het sociaal verslag van de stad N.; dat verzoeker verwijst naar de rechtspraak van de kamers van de Commissie voor regularisatie die stipuleert dat aan de voorwaarde van verblijf op 1 oktober 1999 is voldaan, wanneer er een geloofwaardig stuk voorligt, waaruit een verblijf van minstens zes jaar op het grondgebied blijkt; dat verzoeker meent dat hij een dergelijk bewijs heeft voorgelegd; dat verzoeker uiteenzet dat hij gekend is bij een openbare dienst en hiervoor verwijst naar het sociaal verslag van de stad N.; dat verzoeker aanvoert dat hij voldoet aan de voorwaarde van artikel 2, 4/, van de Regularisatie- wet en hiervoor verwijst naar het sociaal verslag van de stad N. en de getuigenverklaringen die zich in het regularisatiedossier bevinden; dat hij verwijst naar het advies van het onderzoekssecretariaat waarin wordt vermeld dat van het bestaan van humanitaire en duurzame sociale bindingen kan worden uitgegaan, als de aanvrager het bewijs heeft aangebracht dat hij reeds langere tijd (meer dan 6 of 5 jaar) in België verblijft; dat verzoeker meent dat hij aan deze voorwaarde voldoet; 3.2.
  12. Overwegende dat, wat de eerste bestreden beslissing betreft, deze beslissing vooreerst steunt op het motief dat verzoeker binnen een termijn van drie werkdagen geen gevolg heeft gegeven aan de uitnodiging om zijn standpunt per aangetekend schrijven mee te delen aan de Minister van Binnenlandse Zaken; dat artikel 12, § 1, van de Regularisatiewet als volgt luidt: “§
  13. Wanneer het secretariaat van de Commissie voor regularisatie vaststelt dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig is, zendt het de aanvraag met een negatief advies voor beslissing over aan de minister. Dit advies wordt ter kennis gebracht van de betrokkene (...). De betrokkene beschikt (...) over drie dagen om zijn standpunt uiteen te zetten aan de minister, en dit per aangetekende brief. (...).”; Overwegende dat in de eerste bestreden beslissing wordt vermeld dat verzoeker geen gevolg heeft gegeven aan hogervermelde uitnodiging en dat de Minister bijgevolg heeft beslist om het negatief advies te volgen en de inhoud ervan te onderschrijven; dat verzoeker niet betwist dat hij geen gevolg heeft gegeven aan de uitnodiging om zijn standpunt over dit advies mee te delen aan de Minister; dat de Minister van Binnenlandse Zaken in dit geval terecht kon verwijzen naar het advies van het onderzoekssecretariaat van de Commissie voor regularisatie; dat in dit advies wordt vermeld dat er twijfel bestaat over het feit of verzoeker op 1 oktober 1999 in België verbleef en dat er eveneens twijfel is of verzoeker voldoet aan de vereiste van artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet, met name een verblijf van meer dan zes jaar in het Rijk, en aan de vereiste van artikel 2, § 4, van de Regularisatiewet, met name of de aanvrager humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen aanbrengt; dat verzoeker, om deze twijfel te weerleggen, verwijst naar het verslag van een sociaal assistent van de stad N.; dat verzoeker dit ongedateerd verslag op 9 februari 2000 als aanvullend stuk bij zijn regularisatieaanvraag heeft gevoegd; dat het onderzoeksse- XIV-20.284-4/6 cretariaat bijgevolg reeds rekening heeft gehouden met dit sociaal verslag bij het opstellen van het advies waarin het tot de conclusie komt dat er getwijfeld wordt of verzoeker wel voldoet aan de criteria van artikel 2, 4/ en artikel 9, 9/, van de Regularisatiewet; dat verzoeker niet aanduidt in welke zin dit sociaal verslag, waarmee reeds rekening werd gehouden, de beslissing positief zou kunnen ombuigen; dat vervolgens artikel 62 van de Vreemdelingenwet niet toepasselijk is op de Regularisatiewet en dat verzoeker de schending van artikel 8 van het E.V.R.M. niet aantoont; dat tenslotte de eerste bestreden beslissing steunt op ter zake dienende, pertinente en afdoende motieven; dat het middel, gericht tegen de eerste bestreden beslissing, ongegrond is; 3.2.
  14. Overwegende dat, wat de tweede bestreden beslissing betreft, het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten steunt op de overwegingen dat verzoeker langer in het Rijk verblijft dan de in artikel 6 van de Vreemdelingenwet voorziene termijn en dat zijn regularisatieaanvraag werd verworpen bij beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 28 januari 2002; Overwegende dat uit de analyse van het onderdeel van het enig middel dat gericht is tegen de beslissing tot weigering van regularisatie, blijkt dat deze beslissing op goede gronden werd genomen; dat het beroep tegen deze beslissing bijgevolg wordt verworpen; dat het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, dat in dit geval een loutere uitvoeringsmaatregel is van deze weigeringsbeslissing, op goede gronden verwijst naar de beslissing tot weigering van regularisatie en dat de beroepen tegen de tweede bestreden beslissing eveneens dienen te worden verworpen; dat verzoeker niet uiteenzet in welk opzicht deze verwijderingsmaatregel zijn gezinsleven schaadt; dat hij geen melding maakt van familieleden; dat hij het enkel heeft over “een stabiel en evenwichtig gezinsleven waar hij reeds 9 jaar verblijft”; dat het onderdeel van het middel gericht tegen de tweede bestreden beslissing ongegrond is;
  15. Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin-gen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-20.284-5/6 BESLUIT: Artikel
  16. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijfentwintig februari tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. R. VAN DEN EECKHOUT, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, R. VAN DEN EECKHOUT. D. MOONS. XIV-20.284-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.299 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.