id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.316 Rolnummer: A. 82892/IX-1714 Zaak: Arrest 141316 - - 28/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-17 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 08:09 Fiche Arrest nr 141.316 van 28 februari 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.316 van 28 februari 2005 in de zaak A. 82.892/IX-
- In zake : Jos TROONBEECKX, die woonplaats kiest bij advocaat A. COOLSAET, kantoor houdende te ANTWERPEN, Arthur Goemaerelei 69 tegen : het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van TESSENDERLO, dat woonplaats kiest bij advocaat M. ROELANDS, kantoor houdende te HEUSDEN-ZOLDER, Schootschansweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jos TROONBEECKX op 11 maart 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “het Besluit dd. 20 juli 1998 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Tessenderlo waarbij het beroep van verzoeker tegen de ongunstige evaluatie toegekend door het vast bureau op 16 juni 1998 wordt verworpen en aan verzoeker opnieuw een ongunstige evaluatie wordt toegekend”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; IX-1714-1/8 Gelet op de beschikking van 19 februari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoeker; Gelet op de beschikking van 26 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 december 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. COOLSAET, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M. ROELANDS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoeker is secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Tessenderlo. 1.
- Op 20 maart 1995 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn van Tessenderlo met ingang van 1 juli 1994 een nieuw administratief en geldelijk statuut voor het personeel in te voeren “in overeenstemming met het globaal akkoord van 18/06/1993 en de omzendbrief van 14/7/1994”. IX-1714-2/8 Het nieuwe administratief statuut voorziet onder meer in een regeling van de evaluatie van het personeel (artikelen 65 tot 88). Daarin is bepaald dat de evaluatieperiode voor elk personeelslid loopt van 1 januari tot 31 december van het volgende jaar (artikel 81). In afwijking daarvan besluit de raad voor maatschappelijk welzijn voor het in dienst zijnde personeel een verkorte evaluatietermijn in te stellen voor de eerste evaluatieperiode van zes maanden, zijnde van 1 juli 1994 tot 31 december 1994 en voor een tweede evaluatieperiode van één jaar, zijnde van 1 januari 1995 tot 31 december
- 1.
- Op 2 april 1996 besluit het vast bureau van de raad voor maatschappelijk welzijn eensdeels “voor de secretaris geen evaluatie uit te spreken voor de periode van 1.7.1994 tot 31.12.1994 om reden dat het huidige vast bureau pas op 3 april 1995 werd geïnstalleerd en aldus geen uitspraak kan gedaan worden over de periode van voor de installatie van het vast bureau” en anderdeels “de evaluatie van de secretaris voor de periode van 1.1.1995 tot 31.12.1995 uit te stellen tot begin 1997 en dit om reden dat, rekening houdend met de ziekteperiode van de secretaris, de evaluatieperiode te kort bevonden werd om een objectieve evaluatie te kunnen uitvoeren”. 1.
- Op 16 juni 1998 besluit het vast bureau verzoeker te evalueren aan de hand van de zestien evaluatiecriteria die in artikel 77 van het administratief statuut zijn bepaald. Daarbij overhandigt het vast bureau aan verzoeker een evaluatieverslag met betrekking tot de periode van 1 april 1995 tot 31 december 1997, dat met verzoeker wordt besproken. Uit dat verslag blijkt dat het functioneren van verzoeker aan elk van de zestien evaluatiecriteria is getoetst. Voor acht van die evaluatiecriteria is hem de waardering “onvoldoende” toegekend. Verzoeker behaalt in het totaal 13 van de maximaal 48 te behalen punten. Zijn evaluatie is ongunstig. IX-1714-3/8 1.
- Met een brief van 24 juni 1998 stelt verzoeker bij de raad voor maatschappelijk welzijn een beroep in tegen zijn ongunstige evaluatie. In zijn beroepschrift formuleert hij opmerkingen bij de bevindingen van het evaluatieverslag. 1.
- Op 20 juli 1998 worden verzoeker en de aanwezige beoordelaars van verzoeker door de raad voor maatschappelijk welzijn gehoord. De raad voor maatschappelijk welzijn besluit op zijn beurt dat de evaluatie van verzoeker ongunstig is. Dat besluit maakt het voorwerp uit van het onderhavige beroep tot nietigverklaring. 1.
- Het bezwaar dat verzoeker indient bij de gouverneur van de provincie Limburg resulteert in de mededeling, op 13 januari 1999 aan verzoeker, dat na grondig onderzoek van het dossier de gouverneur de mening is toegedaan dat het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Tessenderlo de evaluatieprocedure correct heeft gevolgd en dat “er in het dossier geen doorslaggevende elementen aanwezig zijn om verder op te treden in deze zaak”. 2.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 2 van het besluit van 20 maart 1995 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Tessenderlo, artikel 81 van het administratief statuut van het personeel en het algemeen rechtsbeginsel “patere legem quam ipse fecisti”, doordat het bestreden besluit het functioneren van verzoeker tijdens de periode van 1 april 1995 tot 31 december 1997 evalueert en bovendien feiten die uit 1998 dateren bij deze evaluatie betrekt, terwijl artikel 2 van het besluit van 20 maart 1995 van de raad voor maatschappelijk welzijn voor het reeds in dienst zijnde personeel heeft voorzien in een verkorte evaluatieperiode van 1 januari 1995 tot 31 december 1995 en de evaluatieperiode krachtens artikel 81 van het administratief statuut van het personeel vervolgens loopt van 1 januari tot 31 december van het volgende jaar en terwijl het bestuur krachtens het algemeen rechtsbeginsel “patere legem quam IX-1714-4/8 ipse fecisti” zich in een individueel geval dient te houden aan de algemene regels die het zelf heeft vastgesteld; dat verzoeker verwijst naar de bewoordingen van het evaluatieverslag waarin expliciet staat dat het betrekking heeft op “de periode van 01.04.1995 tot 31.12.1997" en waarin ook een aantal feiten uit 1998 in aanmerking genomen worden; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij antwoordt : “[...] Dat verzoeker er dus zijn beklag over maakt dat de evaluatieperiode niet zou gelopen hebben over de periode 1 januari 1996 tot 31 december 1997 maar over de periode 1 april 1995 tot 31 december 1997, zulks in strijd met de eigen regelgeving verweerster. Overwegende evenwel dat het vast bureau op 2 april 1996 besliste om geen evaluatie te houden voor de periode lopende van 1 juli 1994 tot 31 december 1994, gezien het huidige vast bureau pas geïnstalleerd werd op 3 april 1995 evenals niet voor de periode van 1 januari 1995 tot 31 december 1995 gezien de heer Troonbeeckx in deze periode langdurig ziek was (zie stuk 33) en de beoordelingsperiode dan ook te kort was om een objectieve evaluatie te kunnen houden (zie stuk 1). Dat artikel 64 van het administratief statuut trouwens de evaluatie verplicht stelt voor personen die effectieve prestaties verrichten. Aangezien er voor 1995 geen evaluatie kon plaats vinden situeert zich de eerstvolgende tweejaarlijkse periode tussen 1 januari 1996 en 31 december
- Aangezien aldus de evaluatieperiode van 1 april 1995 tot en met 31 december 1997 correct is omdat de gehouden evaluatie uitsluitend handelt over de periode van 1 januari 1996 tot 31 december 1997 vermits er in de periode 1 april 1995 tot 31 december 1995 door de heer Troonbeeckx, wegens de eerder genoemde ziekteperiodes van 28 april tot 5 juni 1995 en van 16 juni tot 18 oktober 1995 geen prestaties werden geleverd waarover het vast bureau een beoordeling vermocht te doen. Aangezien tijdens het vast bureau van 2 april 1996 er eveneens een functioneringsgesprek werd gehouden met verzoeker waarbij ondermeer werd afgesproken dat de heer Troonbeeckx in 1996 een managementscursus diende te volgen, waaraan hij echter geen gevolg gaf. Aangezien er vervolgens opnieuw een functioneringsgesprek werd gehouden op 9 december 1997 en dat vanaf dan door het vast bureau de voorbereidingen werden aangevat voor de evaluatie. Aangezien het onjuist is te stellen dat feiten, daterend van na 31 december 1997, in aanmerking zouden genomen zijn ter beoordeling van verzoeker. Aangezien in de beschrijvende evaluatie (stuk 6a) inderdaad enkele documenten, ter illustratie, werden bijgevoegd welke gedateerd zijn na 1 januari 1998, uitgaande van de voorzitter in vorm van ‘verzoeken’ of IX-1714-5/8 ‘mededelingen’ aan de secretaris, doch dat zelfs deze documenten inhoudelijk allemaal betrekking hebben op het functioneren van verzoeker tijdens de evaluatieperiode. Dat bovendien het evaluatieverslag vermeldt dat de bijlagen enkel indicatief zijn en dat zij bij wijze van voorbeeld of feitelijkheden werden bijgevoegd, zonder overigens limitatief te zijn, terwijl de lezing ervan leert dat de thans bekritiseerde nota’s verwijzen naar feitelijkheden die hun oorsprong vinden voor 31 december
- Aangezien verweerder trouwens opmerkt dat verzoeker weliswaar twijfels tracht te zaaien omtrent de inhoud van bepaalde nota’s, daterende van na 31 december 1997, onterecht zoals hierboven uiteengezet, doch dat afgezien daarvan, het evaluatieverslag talloze andere voorbeelden en/of feitelijkheden bevat die overigens niet worden weerlegd of zelfs maar bekritiseerd. [...]”; 2.3.
- Overwegende dat, zoals hiervoor is aangegeven, artikel 81, eerste lid, van het administratief statuut van het personeel bepaalt dat de evaluatieperiode voor elk personeelslid loopt van 1 januari tot 31 december van het volgende jaar, met dien verstande dat volgens het besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn van 20 maart 1995, voor het in dienst zijnde personeel een verkorte evaluatietermijn gold van 1 januari 1995 tot 31 december 1995; dat het vast bureau niet vermocht in het geval van verzoeker van die algemene regeling af te wijken en het verzoeker dan ook eerst had moeten evalueren voor de periode van 1 januari 1995 tot 31 december 1995 en later voor de periode van 1 januari 1996 tot 31 december 1997; dat het evaluatieverslag over verzoeker echter uitdrukkelijk vermeldt dat de evaluatie betrekking heeft op de periode van 1 april 1995 tot 31 december 1997; dat het daarbij niet louter gaat om een verschrijving, aangezien het verslag wel degelijk refereert aan het handelen van verzoeker tijdens het jaar 1995 en er stavingsstukken met betrekking op gegevens van dat jaar zijn bijgevoegd; dat voorzover in het evaluatieverslag in het algemeen melding wordt gemaakt van welbepaalde tekortkomingen van de secretaris zonder dat deze worden gestaafd door concrete stavingsstukken uit de periode van 1 januari 1996 tot 31 december 1997, er tevens moet worden van uitgegaan dat het vast bureau zich -althans mede- heeft laten leiden door het functioneren van verzoeker tijdens de periode van 1 april 1995 tot 31 december 1995; dat waar melding wordt gemaakt van feiten die dateren van het jaar 1998, deze inderdaad betrekking hebben op verzoekers functioneren tijdens het IX-1714-6/8 jaar 1998, zoals waar verzoeker beslissingen van de raad voor maatschappelijk welzijn van 20 januari en 17 februari 1998 laattijdig zou hebben doorgezonden; dat luidens het evaluatieverslag de aangehaalde feiten indicatief en niet limitatief zijn, doch zulks geen afbreuk doet aan de gegrondheid van verzoekers standpunt dat de beoordelaars geen feiten in aanmerking mochten nemen die buiten de evaluatieperiode vielen; 2.3.
- Overwegende dat weliswaar verzoeker tijdens het jaar 1995 enige tijd met ziekteverlof is geweest, namelijk tijdens de perioden van 28 april tot 5 juni 1995, van 16 juni tot 1 oktober 1995 en van 10 oktober tot 18 oktober 1995; dat verzoeker tijdens het jaar 1995 toch meer dan zes maanden zijn functie van secretaris effectief heeft uitgeoefend; dat ook al zou de te evalueren periode te kort zijn geweest, geen regel het vast bureau in dat geval zou vrijstellen van zijn plicht om verzoeker te evalueren; dat integendeel luidens artikel 67 van het administratief statuut de evaluatie verplicht is voor elk personeelslid dat zich in de administratieve stand dienstactiviteit bevindt en artikel 81, tweede lid, van het administratief statuut, naar luid waarvan het personeelslid dat maar tijdens een deel van de evaluatieperiode in dienst is geweest, over de duur van die “deeltijdse periode” wordt geëvalueerd, bevestigt dat de voorgeschreven evaluatieperiode moet worden gerespecteerd, ook al werden niet tijdens de volledige duur ervan prestaties verricht; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit genomen op 20 juli 1998 door de raad voor maatschappelijk welzijn van Tessenderlo waarbij het beroep van Jos TROONBEECKX tegen de ongunstige evaluatie toegekend door het vast bureau op 16 juni 1998 wordt verworpen en hem opnieuw een ongunstige evaluatie wordt toegekend. IX-1714-7/8 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn van Tessenderlo. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig februari 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-1714-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.316 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.