id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.317 Rolnummer: A. 157792/IX-4708 Zaak: Arrest 141317 - - 28/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-15 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-07-02 08:09 Fiche Arrest nr 141.317 van 28 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.317 van 28 februari 2005 in de zaak A. 157.792/IX-4708. In zake : Camille WEEMANS, die woonplaats kiest bij advocaat J. VANDE MOORTEL, kantoor houdende te GENT, Groot-Brittanniëlaan 12 tegen : het Universitair Medisch Centrum Sint-Pieter. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Camille WEEMANS op 25 november 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoer- legging van het besluit van 21 september 2004 van de raad van beheer van het Universitair Medisch Centrum (hierna : UMC) Sint-Pieter, waarbij hij bij tuchtmaatregel van ambtswege wordt ontslagen; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de nietigverklaring vordert van hetzelfde besluit; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B . THYS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 18 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 31 januari 2005; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; IX-4708-1/16 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. VANDE MOORTEL, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaten Ph. LEVERT en Th. VANTOMME, die verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.1. Verzoeker is hoofdverpleger op de dienst Medische Intensieve Zorgen van het UMC Sint-Pieter, een ziekenhuisvereniging zoals bedoeld in artikel 118 van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna: de OCMW-wet). 1.2. Tijdens de nacht van 19 op 20 maart 2004 doet zich op de voornoemde dienst, bij de verzorging van een patiënt, een incident voor, waarbij verzoeker de betrokken patiënt zou hebben geslagen. Het feit wordt de volgende morgen gerapporteerd door de verpleegkundige Nancy COSIJNS, die verklaart van de feiten getuige te zijn geweest. De verantwoordelijke artsen stellen ecchymoses in de vorm van twee handafdrukken vast op de dij van de patiënt en maken er een foto van. Verzoeker heeft op 23 maart 2004 een onderhoud met de directrice van het verpleegkundig departement en de adjunct-kliniekchef. Hij geeft het feit toe maar geeft daarvan een andere versie dan Nancy COSIJNS : hij zou de slagen toegebracht hebben toen de patiënt zich losgemaakt had en buiten haar aanwezigheid. Zowel verzoeker als Nancy COSIJNS geven daarna een schriftelijk relaas van de feiten. 1.3. De directrice van het verpleegkundig departement en de adjunct- kliniekchef stellen op 9 april 2004 een “synthese rapport” op, waarin zij de voorgevallen feiten en de bevindingen van het onderzoek dat zij dienaangaande hebben gevoerd samenvatten. Zij concluderen dat : IX-4708-2/16 “De heer Weemans heeft zijn emoties en fysische kracht niet kunnen beheersen en heeft opzettelijk verwondingen toegebracht aan de patiënt. Het feit dat de patiënt geïmmobiliseerd was is een bezwarende factor. De heer Weemans heeft getuigd van een onverstandig en niet professioneel gedrag door geen beroep te doen op zijn collega’s om hem bij de patiënt af te lossen. Het feit dat de heer Weemans de functie van hoofdverpleger bekleedt, is een bezwarende omstandigheid. Wij kunnen onmogelijk overwegen verder aan de heer Weemans de verantwoordelijkheid van zijn team en van een groep patiënten toe te vertrouwen”. Vermeld wordt ook: “Tijdens het onderhoud van 23/03/2004, hadden wij de indruk dat de psychologische toestand van de heer Weemans bedenkelijk en verontrustend was. Hij is momenteel in ziekteverlof en wordt gevolgd door een psychiater”. 1.4. Verzoeker blijft op het werk afwezig wegens ziekte. Zijn afwezigheid wordt gestaafd met medische attesten voor de periodes van 14 mei 2004 tot 14 juli 2004 en van 14 juli 2004 tot en met 14 augustus 2004. 1.5. Met een aangetekende brief van 28 mei 2004 roept de algemeen directeur van het UMC Sint-Pieter verzoeker op om op 15 juni 2004 door de raad van beheer van de ziekenhuisvereniging te worden gehoord over de hem ten laste gelegde feiten, die als volgt worden omschreven : “Tijdens de nacht van 19 op 20 maart 2004 heeft u een slag toegebracht aan een patiënt van de éénheid 607B (intensieve zorgen) terwijl deze in zijn bed was vastgebonden. De volgende morgen waren de sporen van uw vingers nog manifest zichtbaar op het lichaam van de patiënt”. De algemeen directeur vestigt de aandacht van verzoeker erop dat een tuchtstraf wordt overwogen; dat een tuchtdossier is samengesteld, hetwelk tot en met de dag voorafgaand aan de hoorzitting ter inzage ligt op het secretariaat; dat verzoeker zich kan laten bijstaan door een raadsman van zijn keuze; dat hij eventuele getuigen kan oproepen en dat hij er recht op heeft de openbaarheid van de hoorzitting te vragen. Op 7 juni 2004 ontvangt de raadsman van verzoeker een kopie van het tuchtdossier. IX-4708-3/16 1.6. Op 10 juni 2004 stelt de algemeen directeur ten behoeve van de raad van beheer een verslag op, waarin hij de aan verzoeker ten laste gelegde feiten uiteenzet en voorstelt betrokkene bij tuchtmaatregel van ambtswege te ontslaan. Met een aangetekende brief van dezelfde datum brengt de algemeen directeur dat verslag ter kennis van verzoeker. 1.7. Op vraag van de raadsman van verzoeker, die verwijst naar de precaire gezondheidstoestand van zijn cliënt, waardoor hij het tuchtdossier niet met betrokkene heeft kunnen bespreken en diens verdediging niet grondig heeft kunnen voorbereiden, wordt het verhoor van verzoeker eerst uitgesteld tot 22 juni 2004. 1.8. Met een faxbericht van 21 juni 2004 legt de raadsman van verzoeker aan de algemeen directeur een medisch attest voor, gedateerd 16 juni 2004, naar luid waarvan verzoeker om medische redenen niet in staat is de hoorzitting op 22 juni 2004 bij te wonen. 1.9. Met een aangetekende brief van 23 juni 2004 brengt de algemeen directeur aan verzoeker ter kennis dat de raad van beheer op 22 juni 2004 heeft besloten het verhoor, gezien de gezondheidstoestand van verzoeker, uit te stellen tot een latere zitting, waarvan datum en uur nog zullen worden meegedeeld. Hij voegt eraan toe dat wordt overwogen verzoeker op grond van de onder punt 1.5. hiervoor vermelde feiten preventief te schorsen en dat verzoeker wordt uitgenodigd om hierover op 29 juni 2004 door de raad van beheer te worden gehoord. 1.10. Na diens raadsman te hebben gehoord, besluit de raad van beheer op 29 juni 2004 verzoeker preventief te schorsen vanaf 1 juli 2004 en tot het einde van de tuchtprocedure zonder dat de preventieve schorsing vier maanden mag overschrijden. De algemeen directeur brengt dat besluit met een aan- getekende brief van 1 juli 2004 ter kennis van verzoeker. Verzoeker vecht het niet aan met een beroep tot nietigverklaring noch met een vordering tot schorsing bij de Raad van State. IX-4708-4/16 1.11. Met een op 13 september 2004 ter post aangetekend verzonden brief, welke door verzoeker een dag later in ontvangst wordt genomen, deelt de algemeen directeur aan verzoeker mede dat de disciplinaire hoorzitting die op 15 juni 2004 zonder datum was uitgesteld, plaats zal hebben op dinsdag 21 september 2004, om 12.45 uur. 1.12. Met een faxbericht van 21 september 2004, verzonden om 9.32 uur, vraagt de raadsman van verzoeker om de hoorzitting uit te stellen, omdat hij niet aanwezig kan zijn. Ter verantwoording voert hij aan dat hij “gevraagd [is] om als expert deel te nemen aan commissievergaderingen van de NVR binnen de FOD Volksgezondheid”; dat de leden uit heel het land komen en dat het onmogelijk is om “zo korte tijd op voorhand” de vergadering, die dezelfde dag gepland is tussen 12 uur en 14.30 uur, uit te stellen. De algemeen directeur antwoordt, eveneens met een faxbericht, dat het niet aan hem, maar aan de raad van beheer toekomt om over een uitstel van de hoorzitting te beslissen en dat voorzichtigheid hem ertoe aanzet de raadsman van verzoeker aan te bevelen toch aanwezig te zijn. 1.13. Voorafgaandelijk aan de hoorzitting besluit de raad van beheer het verhoor niet uit te stellen. De raad overweegt dienaangaande onder meer dat verzoekers advocaat sinds 7 juni 2004 in het bezit is van het dossier, dat hij zich liet bijstaan door een andere advocaat en dat hij in de mogelijkheid was om eerder dan 3 uur voor de zitting om uitstel te verzoeken. Hij verwijst ook naar de termijn van vier maanden voorgeschreven in artikel 312 van de nieuwe gemeentewet. 1.14. Op de hoorzitting is alleen een confrater van de raadsman van verzoeker aanwezig, die stelt dat zij als enige richtlijn heeft gekregen uitstel van het verhoor te bepleiten. Wanneer zij verneemt dat geen uitstel is toegestaan, verlaat zij de zitting. Verzoeker zelf is niet aanwezig. Er wordt derhalve een proces-verbaal van niet-verschijning opgesteld. 1.15. De raad van beheer neemt nog tijdens dezelfde zitting het thans bestreden besluit om verzoeker voor de hem ten laste gelegde feiten, die bewezen worden geacht, bij tuchtmaatregel van ambtswege te ontslaan. IX-4708-5/16 Met betrekking tot de strafmaat vermeldt dit besluit de volgende motieven : “De heer Camille Weemans probeert, in zijn verslag van 24 maart 2004, zijn houding te rechtvaardigen enerzijds door de agressiviteit van de patiënt en anderzijds door zijn persoonlijke gezondheidstoestand. De omstandigheden ingeroepen door de heer Camille Weemans zijn evenwel niet van aard om de ernst ervan te verminderen, en dit, om volgende redenen : - Zelfs indien de patiënt op het ogenblik van het voorval heel onrustig en/of agressief zou geweest zijn, blijft de reactie van de heer Camille Weemans totaal buiten alle evenredigheid en onaanvaardbaar binnen een ziekenhuis;
- a)Volgens de heer Camille Weemans, stond deze patiënt bekend om zijn agressief gedrag tegenover het verpleegkundig personeel en was hij trouwens om deze reden vastgebonden. De heer Camille Weemans was dus in staat te anticiperen op mogelijke problemen met deze patiënt en had dus direct beroep moeten doen op een collega verpleegkundige om eventueel bijstand te verlenen.
- b)Zelfs in de hypothese dat er geen enkele reden had bestaan om een agressief gedrag van deze patiënt te vrezen, en dat de heer Camille Weemans zich plots in de onmogelijkheid zou bevonden hebben om hem zelfstandig te beheersen, had hij de verzorging aan deze patiënt dienen te onderbreken, had hij zich dienen te verwijderen van de patiënt die nog steeds gedeeltelijk aan zijn bed was vastgebonden en had hij beroep moeten doen op de hulp van één van zijn collega’s. De zorgen aan de patiënt toegebracht (aspiratie) waren in geen geval in die mate dringend en van vitaal belang dat het onmogelijk zou zijn op de hulp van een collega te wachten. - De gezondheidstoestand van de heer Camille Weemans kan evenmin worden weerhouden als argument om de ernst van de feiten die hem worden verweten te verminderen.
- a)In zijn hoedanigheid van hoofdverpleger, verzekert de heer Camille Weemans het beheer van de uurroosters van zijn éénheid en kon hij dus, indien hij zich niet in staat voelde zijn dienst te verzekeren, het presteren van de nacht van 19 op 20 maart 2004 aan een ander verpleegkundige toevertrouwen. Bovendien dient te worden opgemerkt dat het alleen ten uitzonderlijke titel is, indien het gaat om vervanging van nachtpersoneel, dat een hoofdverpleger ertoe kan genoopt zijn nachtprestaties uit te voeren; dit was hier niet het geval.
- b)Indien de heer Camille Weemans zich niet in staat voelde zijn dienst te verzekeren, diende hij trouwens het diensthoofd-verpleegkundige voor het nachttoezicht daarover in te lichten teneinde voor de rest van de nacht te worden vrijgesteld van dienst om gezondheidsredenen.
- c)Men zal bijgevolg opmerken dat hij zijn nachtdienst normaal heeft beëindigd, dat hij geen medisch attest heeft overgemaakt voor de volgende dagen en dat hij deze zonder gerapporteerde moeilijkheid heeft gepresteerd tot zijn verhoor door Mevrouw Carine Lambeau en Dokter Dechamps. De houding van de heer Camille Weemans getuigt in die mate van een gebrek aan doorzicht in het uitvoeren van een verpleegkundige opdracht, dat men ertoe genoopt is het advies van de Medische en Verpleegkundige directie te volgen in hun beschouwing dat ‘Wij kunnen onmogelijk overwegen verder aan de heer Camille Weemans de verantwoordelijkheid van zijn team en van een groep patiënten toe te vertrouwen’ (cfr. stuk 5 van het tuchtdossier : syntheserapport). IX-4708-6/16 Bijgevolg is het vertrouwen dat het UMC Sint-Pieter rechtmatig in de persoon van de heer Camille Weemans, Hoofdverpleger, meende te kunnen plaatsen, onherstelbaar verbroken. Rekening houdende met de ernst van de feiten hierboven aangegeven en met de definitieve breuk van de vertrouwensrelatie, kan aan de heer Camille Weemans niet langer een verpleegkundige functie, van welke aard dan ook, worden toevertrouwd binnen het UMC Sint-Pieter en allerminst de functie van Hoofdverpleger. Rekening houdende met de afwezigheid van antecedenten, wordt niet overwogen om aan de Heer Camille Weemans de hoogste tuchtstraf toe te kennen. Inderdaad, de afzetting kan, omwille van de gevolgen op het vlak van pensioenrechten, niet worden beschouwd als proportioneel tot de tekort- komingen. Ten laste van de heer Camille Weemans dient dus de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege te worden uitgesproken”. 2. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1.1. Overwegende dat verzoeker zes middelen aanvoert; dat hij in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 301, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet juncto artikel 52 van de OCMW-wet; dat hij uiteenzet dat het voorschrift van artikel 301, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet, krachtens welk het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid ten minste twaalf werkdagen vooraf dient te worden opgeroepen voor de hoorzitting, werd miskend, doordat tussen de ontvangst van de oproepingsbrief op 14 september 2004 en de hoorzitting op 21 september 2004 slechts zeven werkdagen gelegen zijn; dat hij erop wijst dat zijn raadsman vooraf de algemeen directeur telefonisch ervan in kennis heeft gesteld dat hij op de hoorzitting van 21 september 2004 niet aanwezig kon zijn; dat zijn raadsman op de dag zelf van de hoorzitting per fax nogmaals uitstel heeft gevraagd doch dat de raad van beheer geen uitstel heeft toegestaan; dat verzoeker daarbij argumenteert dat artikel 301, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet een con- cretisering van het redelijke termijnvereiste betreft, dat te dezen de redelijke termijn de termijn is, nodig om een degelijke verdediging op te bouwen doch dat hem nu te weinig tijd werd geboden om zijn middelen van verdediging kenbaar te maken; IX-4708-7/16 3.1.2. Overwegende dat artikel 301 van de nieuwe gemeentewet als volgt luidt : “Ten minste twaalf werkdagen vóór zijn verschijning wordt de betrokkene opgeroepen voor de hoorzitting, hetzij bij een ter post aangetekende brief, hetzij door afgifte van de oproepingsbrief tegen ontvangstbewijs. De oproeping dient melding te maken van : 1/ al de ten laste gelegde feiten; 2/ het feit dat een tuchtstraf wordt overwogen en dat een tuchtdossier is aangelegd; 3/ plaats, dag en uur van de hoorzitting; 4/ het recht van de betrokkene zich te laten bijstaan door een verdediger van zijn keuze; 5/ de plaats waar en de termijn waarbinnen het tuchtdossier kan worden ingezien; 6/ het recht van de betrokkene de openbaarheid van de hoorzitting te vragen, indien hij voor de gemeenteraad dient te verschijnen; 7/ het recht om het horen van getuigen te vragen alsmede de openbaarheid van dat verhoor.”; dat artikel 52 van de OCMW-wet, samengelezen met artikel 128, § 1, van dezelfde wet en met artikel 301, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet, ook van toepassing is op de statutaire personeelsleden van het UMC Sint-Pieter, waaronder verzoeker; Overwegende dat blijkens de memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot wijziging van de nieuwe gemeentewet wat de tuchtregeling betreft (Parl. St. Kamer, 1990-1991, nr. 1400/1, 12), de oproepingstermijn voorgeschreven door het eerste lid van het aangehaalde wetsartikel het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid in staat moet stellen de hoorzitting voor te bereiden, een beroep te doen op een verdediger en het tuchtdossier in te zien; dat in het licht daarvan aangenomen kan worden dat te dezen aan het voorschrift van artikel 301, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet voldaan is, doordat verzoeker reeds met een aan- getekende brief van 28 mei 2004, waarbij hij in kennis werd gesteld van alle gegevens bedoeld in artikel 301, tweede lid, van de nieuwe gemeentewet, werd opgeroepen voor de hoorzitting van de raad van beheer; zodat hij vanaf toen reeds een aantal stappen heeft kunnen ondernemen om zijn verdediging optimaal voor te bereiden; dat hij daarvoor over nog meer tijd heeft kunnen beschikken tussen 15 juni 2004 en 21 september 2004; dat derhalve niet was vereist dat, ter vrijwaring van verzoekers rechten van verdediging, ook de oproeping voor de uiteindelijke hoorzitting van 21 september 2004 twaalf werkdagen vooraf diende te geschieden; Overwegende dat de omstandigheid dat de raad van beheer tijdens de zitting van 21 september 2004 niet tot een uitstel van het verhoor van verzoeker heeft besloten, niettegenstaande verzoekers raadsman niet op de hoorzitting IX-4708-8/16 aanwezig kon zijn, op zich niets vandoen lijkt te hebben met de naleving van het voorschrift van artikel 301, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet en aan wat voorafgaat dan ook geen afbreuk kan doen; dat overigens de onder 1.13. hiervoor vermelde overwegingen van de raad van beheer om niet in te gaan op het verzoek tot uitstel voorkomen als naar recht verantwoord en niet onredelijk; dat ook kan worden vastgesteld dat de raadsman van verzoeker reeds tijdens eerdere fasen van de procedure een beroep had gedaan op een medewerker; dat het eerste middel niet ernstig is; 3.2.1. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 299 van de nieuwe gemeentewet juncto artikel 52 van de OCMW-wet; dat hij stelt dat krachtens de eerstgenoemde bepaling een tucht- rechtelijk vervolgd personeelslid in zijn middelen van verdediging dient te worden gehoord over alle feiten die hem ten laste worden gelegd, door de overheid die de tuchtstraf uitspreekt; dat hij uiteenzet dat hij vanaf de eerste oproeping op 28 mei 2004 tot en met de hoorzitting van 21 september 2004 wegens ziekte niet in de mogelijkheid is geweest om voor de raad van beheer te verschijnen teneinde te worden gehoord; dat dit blijkt uit de medische attesten geschreven door de psychiater die hem behandelt; dat hij om dezelfde reden nauwelijks contact heeft gehad met zijn raadsman, die bijgevolg ook niet in staat is geweest de verdediging van verzoeker degelijk voor te bereiden; dat hij derhalve zijn middelen van verdediging niet heeft kunnen kenbaar maken; dat dit tot gevolg heeft gehad dat hem de op één na zwaarste tuchtstraf werd opgelegd; 3.2.2. Overwegende dat de plicht welke artikel 299 van de nieuwe gemeentewet oplegt om het tuchtrechtelijk vervolgde personeelslid vooraf te horen niet inhoudt dat de tuchtoverheid geen tuchtstraf zou kunnen opleggen aan een ambtenaar die zonder geldig motief geen gevolg geeft aan de oproeping; dat zij ermee kan volstaan de betrokkene de gelegenheid te geven om te worden gehoord; dat wanneer deze echter ervoor kiest om niet voor de tuchtoverheid te verschijnen of zich te laten vertegenwoordigen, hij zich er achteraf niet over kan beklagen niet te zijn gehoord; Overwegende dat te dezen verzoeker regelmatig werd opgeroepen om op 21 september 2004 over de hem ten laste gelegde feiten te worden gehoord door de raad van beheer; dat verzoeker geen attest heeft overgelegd waaruit ondubbelzinnig blijkt dat hij op de datum van de hoorzitting om medische redenen niet in staat was om op dat verhoor aanwezig te zijn en zijn middelen van verweer IX-4708-9/16 te laten gelden; dat het laatst ingediende medische attest betrekking had op de periode van 14 juli 2004 tot en met 14 augustus 2004; dat verzoeker pas op de dag zelf van de hoorzitting met een aangetekende brief, waarvan mag worden aan- genomen dat hij een dag later op het bestuur werd ontvangen, een medisch attest heeft ingediend, waaruit bleek dat hij werkonbekwaam was van 14 september 2004 tot 14 november 2004; dat de verwerende partij uiteraard niet kan worden verweten dat zij met dat attest geen rekening heeft gehouden bij het nemen van het bestreden besluit, aangezien het haar op dat ogenblik nog niet ter kennis was; dat voorzover verzoeker zich beroept op medische oorzaken waardoor hij nauwelijks contact zou hebben gehad met zijn raadsman en zich daardoor niet behoorlijk zou hebben kunnen verdedigen, vastgesteld dient te worden dat verzoeker of zijn raadsman die reden nooit hebben ingeroepen tijdens de periode welke het opleggen van de bestreden tuchtstraf voorafging, noch daaromtrent medische verslagen hebben voorgelegd, ofschoon in een brief van 14 juni 2004 de raadsman van verzoeker uitgenodigd werd om bijkomende inlichtingen te verstrekken nopens de gezondheid van verzoeker; dat verzoeker zich ertoe beperkt heeft ziekteattesten voor te leggen volgens welke hij niet in staat was om te worden gehoord, en zulks laattijdig nog wel voor de hoorzitting van 21 september 2004; dat dit laatste attest als zodanig verzoekers afwezigheid op de hoorzitting van 21 september 2004 overigens ook niet kan verantwoorden, aangezien er alleen uit blijkt dat verzoeker werkonbe- kwaam was, doch geenszins dat hij niet in staat zou zijn geweest zich ten aanzien van de tuchtoverheid te verdedigen, te meer daar, blijkens hetzelfde attest, hij zijn woning mocht verlaten; dat dan ook niet kan worden aangenomen dat verzoeker niet in de mogelijkheid zou zijn geweest om ter voorbereiding van zijn verdediging contact te hebben met zijn raadsman; Overwegende dat uit het bestreden besluit ten slotte niet blijkt dat de zware tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege zou zijn opgelegd omwille van verzoekers afwezigheid op de hoorzitting; dat integendeel het bestreden besluit de motivering van de strafmaat situeert op het vlak van de ernst van de feiten, de definitieve breuk van de vertrouwensrelatie tussen het bestuur en verzoeker, de vaststelling dat de houding van verzoeker geen rechtvaardiging kan vinden in de agressiviteit van de patiënt of de gezondheidstoestand van verzoeker en de afwezigheid van tuchtrechtelijke antecedenten, dat laatste zijnde de reden waarom niet de zwaarste straf wordt opgelegd; dat het tweede middel niet ernstig is; IX-4708-10/16 3.3.1. Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending aanvoert van de rechten van verdediging, alsmede van artikel 6. 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), doordat, ten eerste, hem te weinig tijd werd gegeven om zijn middelen van verdediging kenbaar te maken, wijl hij pas met een brief van 10 september 2004, ontvangen op 14 september 2004, werd opgeroepen voor de hoorzitting van 21 september 2004, zodat hij slechts over zeven dagen beschikte, wat een schending uitmaakt van artikel 301, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet juncto artikel 52 van de OCMW-wet en, ten tweede, hij niet in zijn middelen van verdediging werd gehoord, vermits hij wegens ziekte niet op de hoorzitting kon verschijnen en niet in de mogelijkheid was om in samenspraak met zijn raadsman zijn verdediging voor te bereiden, wat een schending inhield van artikel 299 van de nieuwe gemeentewet juncto artikel 52 van de OCMW-wet; dat hij voorts betoogt dat de waarborgen van artikel 6. 1 van het EVRM in casu van toepassing zijn, omdat de tuchtvordering die tegen hem werd gevoerd moet worden beschouwd als een strafrechtelijke vervolging in de zin van de voormelde verdragsbepaling en de opgelegde tuchtmaatregel van het ontslag van ambtswege afbreuk doet aan het burgerlijk recht tot uitoefening van een beroep; 3.3.2. Overwegende dat verzoeker zijn derde middel, betreffende de schending van zijn rechten van verdediging en artikel 6. 1 van het EVRM, uitsluitend steunt op de onwettigheden die hij reeds in zijn eerste en tweede middel heeft aangevoerd; dat afgezien van de vraag of artikel 6. 1 van het EVRM van toepassing is op tuchtprocedures ten aanzien van ambtenaren, moet worden vastgesteld dat bij de bespreking van het eerste en tweede middel reeds is gebleken dat de aangevoerde schending van de artikelen 299 en 301, eerste lid, van de nieuwe gemeentewet juncto artikel 52 van de OCMW-wet niet kan worden aangenomen, zodat daarop al evenmin een schending van verzoekers rechten van verdediging of van de voormelde verdragsbepaling kan worden gesteund; dat verzoeker overigens nalaat uiteen te zetten in welke mate artikel 6. 1 van het EVRM in ruimere rechten van verdediging zou voorzien dan de voornoemde wetsbepalingen; dat het derde middel niet ernstig is; 3.4.1. Overwegende dat verzoeker in een vierde middel aanvoert dat de hem ten laste gelegde feiten niet tuchtrechtelijk kunnen worden gesanctioneerd, omdat ze verschoonbaar zijn ingevolge zijn gezondheidstoestand; dat hij ter adstructie daarvan verwijst naar de volgende verklaring, die hij op 24 maart 2004 op schrift heeft gesteld : IX-4708-11/16 “[...] ik voelde mij bedreigd en bovendien voelde ik mij die avond helemaal niet goed. Ik was pas terug uit ziekteverlof, had last van migraine en achteraf gezien nog niet helemaal hersteld van een bronchitis. Bovendien zit ik nog steeds te piekeren over de dood van mijn ouders. Ze zijn allebei verleden jaar overleden. Ik dacht dat ik in staat was om het rouwproces te verwerken. Ik denk ook dat ik de fout begaan heb om na hun overlijden te vlug beginnen werken, zeker wanneer je dagelijks in onze werksfeer met acute patiënten geconfronteerd wordt.”; dat verzoeker voorts betoogt dat zijn ziektetoestand op het moment van de feiten blijkt uit de verslagen van de adjunct-kliniekchef en de directrice van het verpleeg- kundig departement, waarin laatstgenoemden verklaren dat zij zich tijdens het onderhoud met verzoeker rekenschap hebben kunnen geven van diens bedenkelijke psychologische toestand; dat hij ook verwijst naar het medisch attest, naar luid waarvan hij om medische redenen niet in staat was de hoorzitting van 22 juni 2004 bij te wonen; dat volgens verzoeker de raad van beheer met al deze gegevens geen rekening heeft gehouden; 3.4.2. Overwegende dat verzoeker aan de tuchtoverheid nooit enig stuk heeft overgelegd waaruit vooreerst kon blijken dat de beweerde ziektetoestand op het ogenblik van de feiten daadwerkelijk bestond en dat bovendien die ziekte- toestand de ten laste gelegde feiten kon verklaren en rechtvaardigen; dat noch de verklaring die verzoeker zelf op 24 maart 2004 op schrift heeft gesteld, noch de verslagen van 26 maart 2004 en 9 april 2004 van de adjunct-kliniekchef en de directrice van het verpleegkundig departement, dienaangaande een doorslaggevend bewijs bevatten; dat verzoeker aan de tuchtoverheid weliswaar medische attesten heeft overgelegd ter verantwoording van zijn afwezigheid tijdens de periode van 14 mei 2004 tot 14 juli 2004 en van 14 juli 2004 tot en met 14 augustus 2004, alsook een attest van 16 juni 2004 van zijn behandelende geneesheer, naar luid waarvan hij om medische redenen niet in staat was de hoorzitting van 22 juni 2004 bij te wonen -dat laatste laattijdig; dat echter geen van die attesten aantoont dat verzoeker zich op het tijdstip van de hem ten laste gelegde feiten in een ziektetoestand bevond, laat staan dat die feiten aan een ziektetoestand toe te schrijven waren, met andere woorden er hun verklaring in vonden; dat verzoeker, die blijkbaar bij een psychiater in behandeling was, ook nu geen poging ondernomen heeft om aan de hand van medische attesten aan te tonen dat dit wel het geval was, ofschoon zoals reeds vermeld hij daartoe is uitgenodigd; dat hij de verwerende partij ook nooit gevraagd heeft om hem aan een medisch onderzoek te onderwerpen; IX-4708-12/16 Overwegende dat de raad van beheer van de verwerende partij wel degelijk de omstandigheden in overweging heeft genomen welke verzoeker, onder meer met betrekking tot zijn gezondheidstoestand, ter verschoning van zijn handelen heeft aangevoerd in zijn schrijven van 24 maart 2004; dat de desbetreffende over- wegingen van de raad van beheer, die zijn aangehaald onder punt 1.15. hiervoor, niet kennelijk onredelijk lijken te zijn; dat het vierde middel derhalve evenmin ernstig is; 3.5.1. Overwegende dat verzoeker in zijn vijfde middel het evenredigheids- beginsel geschonden acht doordat de ten laste gelegde feiten voor betwisting vatbaar zijn; dat ze door de directie veel erger worden voorgesteld dan hetgeen hij heeft toegegeven; dat hij zijn fout onmiddellijk heeft erkend, wat bewijst dat hij te goeder trouw is; dat hetzelfde echter niet kan worden gezegd van de directie die meer belang hecht aan de verklaring van zijn collega Nancy COSIJNS en aan een foto, waarvan hij de echtheid betwist in een klacht met burgerlijke partijstelling die hij bij de onderzoeksrechter heeft ingediend; dat de tuchtoverheid volgens verzoeker had moeten onderzoeken of hij wel de mogelijkheid heeft gehad om anders te handelen en of zijn handelen geen wettige zelfverdediging betrof; dat verzoeker ook nog laat gelden dat in de motivering van het bestreden besluit wordt verwezen naar het advies van de medische en verpleegkundige directie dat hem niet meer de verantwoordelijkheid over zijn team en over een groep van patiënten kan worden toevertrouwd, welk advies echter niet betekent dat hij niet meer in staat wordt geacht nog als verpleger te kunnen werken; dat de tuchtoverheid hem dan ook had kunnen terugzetten in graad of gedurende een bepaalde periode schorsen; dat hij om psychische redenen weliswaar arbeidsongeschikt werd verklaard door een arts, maar niet uitgesloten is dat hij later weer geschikt wordt bevonden om de verant- woordelijkheid voor een team of een groep patiënten op te nemen; dat verzoeker ten slotte stelt dat de onevenredigheid van de opgelegde tuchtstraf ook wordt aan- getoond door de ernstige nadelen die ze hem berokkent : het onmiddellijke verlies aan inkomen, waardoor hij verplicht werd tegen het advies van zijn arts in weer te gaan werken, alsook het verlies van zijn “recht op betaald ziekteverlof gedurende een aantal jaren”; 3.5.2. Overwegende dat verzoeker met dit middel in feite een tweevoudige kritiek uit op het bestreden besluit : ten eerste dat de hem ten laste gelegde feiten geen laakbaar karakter hadden of alleszins veel minder laakbaar waren dan de tuchtoverheid heeft aangenomen, ten tweede dat de uitgesproken tuchtstraf in een kennelijke wanverhouding staat tot die feiten; IX-4708-13/16 Overwegende, wat het eerste betreft, dat verzoeker eensdeels stelt te hebben toegegeven een fout te hebben begaan, maar anderdeels beweert dat het bestuur de zaken ernstiger voorstelt dan ze zijn, en namelijk dat het bestuur meer belang hecht aan de verklaringen van collega Nancy COSIJNS en aan de bewijs- waarde van de foto, welke hij betwist; dat nochtans de verklaringen van verpleeg- kundige Nancy COSIJNS, die verklaart getuige te zijn geweest van de aan verzoeker verweten handelingen, en van de geneesheren D. LEDUC en A. ROMAN, die de gevolgen van deze handelingen hebben vastgesteld, geen ernstige twijfel lijken toe te laten aangaande het bestaan van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten, de ernst en de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid ervan; dat uit het aan de Raad van State voorgelegde dossier niet blijkt dat er redenen zijn om de waarachtigheid van de verklaringen van de voornoemde personen in vraag te stellen; dat verzoeker weliswaar nadat de bestreden tuchtsanctie hem werd opgelegd een strafrechtelijke klacht met burgerlijke partijstelling heeft neergelegd waarin hij de verklaring van de betrokkenen en de foto’s die als bewijsmiddel gebruikt werden van valsheid beticht; dat de Raad van State in beginsel echter enkel rekening kan houden met de gegevens waarover de tuchtoverheid moest oordelen; dat tevens niet uit het oog verloren mag worden dat de Raad van State te dezen enkel een voorlopige uitspraak doet in een administratief kort geding; dat verzoeker in die klacht, welke hij ingediend heeft nadat de bestreden tuchtsanctie hem is opgelegd, geen gegevens aanvoert welke evident de gegrondheid van zijn stelling lijken aan te tonen; dat de Raad van State in de huidige stand van het geding dan ook niet vooruit kan lopen op hetgeen de strafrechter daaruit zal concluderen; dat de Raad van State bezwaar- lijk ook kan ingaan op verzoekers bewering als zou hij ten tijde van de feiten en tot aan de uitspraak van de tuchtstraf psychisch niet in staat geweest zijn een juiste verklaring over de feiten af te leggen, terwijl hij daar nu wel toe in staat is, als hij daaromtrent nooit medische attesten heeft voorgelegd; dat verzoeker het overigens niet aannemelijk maakt dat hij gehandeld zou hebben uit zelfverdediging, aangezien zijn verklaring op dat stuk staat tegenover die van Nancy COSIJNS volgens welke de patiënt op het ogenblik dat de slagen door verzoeker werden toegebracht, rustig was en hoe dan ook was vastgebonden, terwijl verzoeker pas nadat hij geconfron- teerd was met die verklaring en met de fotografische bewijzen, toegegeven heeft dat hij geslagen had en terwijl in het bestreden besluit niet ten onrechte wordt overwogen dat, zelfs indien de patiënt agressief zou zijn geweest, verzoekers handelen nog niet aanvaardbaar was; Overwegende, wat het tweede aspect van het middel betreft, dat de tuchtoverheid bij het bepalen van de strafmaat over een discretionaire bevoegdheid IX-4708-14/16 beschikt, die de redelijkheid als grens heeft; dat de Raad van State bij de toetsing van de redelijkheid van de opgelegde tuchtstraf slechts over een marginale bevoegdheid beschikt, wat wil zeggen dat de Raad van State zich niet in de plaats van de tuchtoverheid vermag te stellen, doch enkel een volkomen in wanverhouding tot de bewezen feiten staande straf als onwettig kan kwalificeren; dat uit wat voorafgaat volgt dat in deze stand van het geding moet worden aangenomen dat de feiten en hun tuchtrechtelijk karakter vaststaan; dat wat de beoordeling van de ernst ervan betreft, in het bestreden besluit niet alleen wordt overwogen dat het advies van de medische en verpleegkundige directie dient te worden gevolgd, naar luid waarvan aan verzoeker niet langer de verantwoordelijkheid van zijn team en van een groep patiënten kan worden toevertrouwd, maar tevens dat, gelet op de ernst van de aan verzoeker ten laste gelegde feiten, de vertrouwensrelatie tussen het bestuur en verzoeker definitief werd verbroken, zodat aan verzoeker niet langer een verpleeg- kundige functie van welkdanige aard dan ook kon worden toegekend; dat de conclusie die door de tuchtoverheid daaraan wordt verbonden volgens welke, bij afwezigheid van tuchtrechtelijke antecedenten, weliswaar geen afzetting, maar wel een ontslag van ambtswege wordt opgelegd, bezwaarlijk, zelfs gelet op de ingrijpende gevolgen voor verzoeker, als kennelijk onevenredig kan worden aangemerkt; dat het vijfde middel derhalve evenmin ernstig is; 3.6.1. Overwegende dat verzoeker in een zesde middel machtsafwending aanvoert doordat het ontslag van ambtswege hem niet werd opgelegd om het algemeen belang te dienen, maar wel om hem “emotioneel en professioneel te kraken”; dat de tuchtoverheid de mogelijkheid had om op grond van de nieuwe gemeentewet een mildere tuchtstraf op te leggen, maar dat het ontslag van ambtswege de directie goed uitkwam omdat verzoeker ingevolge zijn anciënniteit en zijn functie als kaderlid een dure werknemer was; dat verzoeker er ook op wijst dat hij Nederlandstalig is in een overwegend Franstalige omgeving en dat de verwerende partij niet kan ontkennen dat zij een “zuivering naar Nederlandstaligen” heeft doorgevoerd; 3.6.2. Overwegende dat verzoeker om het middel van machtsafwending geloofwaardig te maken voldoende aanwijzingen moet verstrekken waaruit kan blijken dat de verwerende partij de bevoegdheid die haar bij de wet is toegekend om tuchtsancties op te leggen teneinde de goede werking van de dienst te verzekeren, gebruikt heeft tot het nastreven van een ander doel, te dezen, zoals verzoeker beweert, het zich ontdoen van een personeelslid dat haar te veel kost en het “uitzuiveren van Nederlandstaligen”; IX-4708-15/16 Overwegende dat uit het dossier geen enkele aanwijzing kan worden gehaald en verzoeker ook geen enkel bewijskrachtig gegeven aanbrengt waaruit zou kunnen worden afgeleid dat de raad van beheer van het UMC Sint-Pieter zijn tuchtbevoegdheid ten aanzien van verzoeker zou hebben misbruikt voor het nastreven van een ander doel dan het verzekeren van de goede werking van de dienst, dat hij meer bepaald de bedoeling zou hebben gehad verzoeker “emotioneel en professioneel te kraken”, zich van verzoeker te ontdoen omdat hij een dure werknemer is of in het kader van een “zuivering naar Nederlandstaligen”; dat dit alles niet meer is dan een blote bewering; dat ook het zesde middel niet ernstig is; 4. Overwegende dat de vaststelling dat geen enkel ernstig middel wordt aangevoerd meebrengt dat een van de voorwaarden gesteld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State om tot schorsing van de tenuitvoer- legging over te gaan niet is vervuld en volstaat om de vordering te verwerpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig februari 2000 en vijf, door : de H. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-4708-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.317 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.146.459 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div