id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.318 Rolnummer: A. 105373/IX-3068 Zaak: Arrest 141318 - - 28/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-15 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 08:09 Fiche Arrest nr 141.318 van 28 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.318 van 28 februari 2005 in de zaak A. 105.373/IX-
- In zake : de VZW SYNDIKALE FEDERATIE van POLITIEBEAMBTEN van het BRUSSELS GEWEST en UITBREIDING, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door :
- de minister van Begroting,
- de minister van Binnenlandse Zaken,
- de minister van Ambtenarenzaken,
- de minister van Justitie, de ministers sub 2, 3 en 4 kiezen woonplaats bij advocaten D. D’HOOGHE en S. SOTTIAUX, kantoor houdende te BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de VZW SYNDIKALE FEDERATIE van POLITIEBEAMBTEN van het BRUSSELS GEWEST en UITBREIDING op 30 mei 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de artikelen II.II.10, XII.II.7, XII.II.18, XII.II.19, XII.II.25, XII.II.26, XII.II.27, XII.II.28, XII.VII.9, XII.VII.11, eerste lid, XII.VII.12, XII.VII.15, XII.VII.16, eerste lid, 2/ en 4/, XII.VII.17, XII.VII.18, XII.VII.19, XII.VII.25, XII.XI.17 en XII.XI.31 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna : RPPol); IX-3068-1/9 Gelet op het arrest nr. 100.889 van 19 november 2001 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging van de verzoekende partij; Gezien de memorie van antwoord van de tweede, derde en vierde vertegenwoordiger van de verwerende partij; Gezien de memorie van wederantwoord, tevens toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de beschikking van 28 oktober 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partij, en van de tweede, derde en vierde vertegenwoordiger van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 20 januari 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 21 februari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. EYSKENS, die loco advocaat D. LINDEMANS, verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat S. JOCHEMS, die loco advocaten D. D’HOOGHE en S. SOTTIAUX verschijnt voor de verwerende partijen; IX-3068-2/9 Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- De verzoekende partij is blijkens de door haar voorgelegde statuten opgericht als een vereniging zonder winstgevend doel. Zij groepeert de op gemeentelijk vlak gestructureerde verenigingen van gemeentelijke politieambtena- ren en heeft onder meer tot maatschappelijk doel het moreel en het materieel welzijn van de politiepersoneelsleden van alle graden te behartigen en bij de overheden tussenbeide te komen om geschillen op te lossen die zouden kunnen ontstaan tussen deze overheden en haar leden. 1.
- In het Belgisch Staatsblad van 5 januari 1999 wordt de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, bekendgemaakt. Luidens artikel 119 van deze wet is het statuut voor alle politieambtenaren gelijk, ongeacht of zij tot de federale politie of tot de lokale politie behoren, en geldt hetzelfde, per categorie, voor de hulpagenten van politie en het personeel van het administratief en logistiek kader. Luidens artikel 121 van de wet bepaalt de Koning, bij een in ministerraad overlegd besluit, overeenkomstig en binnen de door de wet bepaalde perken, het statuut van het personeel van het operationeel kader en van het administratief en logistiek kader. Artikel 122, eerste lid, bepaalt dat het statuut van de leden van de politiediensten, welke ook de overheid is die de benoemingsbevoegdheid heeft, waarborgen inhoudt betreffende de objectiviteit bij onder meer de aanwerving, de selectie, de aanwijzing in de betrekkingen, de ambtsontheffing, de benoeming, de bevorderingen en de schaalovergang, alsook bij de evaluatie. IX-3068-3/9 1.
- In het Belgisch Staatsblad van 31 maart 2001 wordt het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten bekendgemaakt. Met het onderhavige beroep wordt de nietigverklaring gevorderd van artikel II.II.10, dat deel uitmaakt van deel II (“Het personeel”) en van 18 artikelen die deel uitmaken van deel XII (“Overgangsbepalingen”).
- Overwegende dat de auditeur-verslaggever in zijn verslag na ambtshalve onderzoek tot het besluit is gekomen dat het beroep, in zoverre de vernietiging wordt gevorderd van artikel II.II.10 RPPol, niet ontvankelijk is om reden dat de verzoekende partij die bepaling slechts ter sprake brengt bij de uiteen- zetting van het eerste onderdeel van haar vijfde middel, waarin zij aanvoert dat de verwerende partij met de artikelen XII.II.19 en XII.VII.9 RPPol op discriminerende wijze afgeweken is van de algemene regel die zij met het artikel II.II.10 had ingesteld, maar dat zij daarmee geen wettigheidsbezwaar formuleert tegen artikel II.II.10 RPPol en er zich integendeel op beroept om de discriminatie aan te klagen die volgens haar in het leven is geroepen door artikel XII.II.19 juncto artikel XII.VII.9; Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie de uiteenzetting van de auditeur-verslaggever niet betwist; dat, dat standpunt bijvallend, het annulatieberoep gericht tegen artikel II.II.10 onontvankelijk wordt verklaard; 3.
- Overwegende dat de tweede, derde en vierde vertegenwoordigers van de verwerende partij in hun memorie van antwoord betogen dat de bestreden bepalingen van hoofdstuk XII van het RPPol door artikel 131 van de programmawet van 30 december 2001 bekrachtigd zijn en dat die bepalingen daarmee buiten de vernietigingsbevoegdheid van de Raad van State zijn gesteld; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partij daar in haar memorie van wederantwoord op antwoordt dat artikel 131 van de programmawet, dat op 1 januari IX-3068-4/9 2002 in werking getreden is, geen steun kan vinden in artikel 184 van de Grondwet aangezien de daar bedoelde bekrachtigingswet enkel de essentiële elementen van het statuut kan betreffen terwijl het overgangsrecht van deel XII RPPol geen dergelijk essentieel element van het statuut is en dat de wetgever zich bij de bekrachtiging heeft laten leiden door de vrees voor het resultaat van de bij de Raad van State ingestelde procedures, maar dat hij daarmee aan de burger de rechtsbescherming vanwege de Raad van State ontnomen heeft, wat evenmin een essentieel element van het statuut is en wat bovendien strijdig is met artikel 6 van het Europees Verdrag betreffende de bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM); dat zij daaraan toevoegt dat de bekrachtigingswet in werking getreden is op 1 januari 2002, terwijl de bestreden bepalingen van het RPPol op 1 april 2001 in werking getreden zijn, zodat de Raad van State nog altijd bevoegd is om van het beroep kennis te nemen in zoverre het RPPol op zich uitwerking heeft gehad tussen 1 april en 31 december 2001 en een vernietigingsarrest ex tunc uitwerking heeft; dat zij tenslotte voorstelt, “indien (de Raad van State) het nodig zou vinden”, een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen over de ongelijke behandeling van degenen die tegen hoofdstuk XII van het RPPol een beroep bij de Raad van State hebben ingesteld en die aldus, wegens de wettelijke bekrachtiging, een voor alle burgers geldende jurisdictionele waarborg in de zin van artikel 6 EVRM verliezen en degenen die een ander annulatieberoep hebben ingediend en die de jurisdictionele waarborg wel blijven genieten; 3.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie insisteert op het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof; dat zij betwist dat het Arbitragehof reeds uitspraak zou gedaan hebben over een “vraag met een identiek beroep” en dat, zo de burgers op gelijke wijze toegang hebben tot de rechtscolleges, in dit geval de verwerende partij, door te bekrachtigen wat volgens artikel 184 van de Grondwet niet bekrachtigd moest worden, haar de toegang tot de Raad van State ontnomen heeft en “de wijze waarop het rechtsherstel is georganiseerd (miskent)”; dat zij verduidelijkt dat een vernietigingsarrest van de Raad van State erga omnes en ex tunc werkt, dat in geval van vernietiging, de uitvoerende macht de tekst “soepel kan aanpassen” terwijl dit na de wettelijke IX-3068-5/9 bekrachtiging niet meer mogelijk is zodat “de wijze waarop rechtsherstel als noodzakelijk onderdeel van de effectieve toegang tot de rechter wordt georgani- seerd, (...) derhalve onredelijk verzwaard (is)”; dat zij vanuit die overwegingen dan haar vraag aan het Arbitragehof herhaalt met dien verstande dat zij nu de discrimina- tie aanklaagt van een verzoekende partij die wegens een tussenkomst van de wetgever moet vaststellen dat “het rechtsherstel aan een verzwaarde en trage procedure wordt onderworpen”, terwijl andere verzoekers “het recht op rechtsherstel op een redelijke wijze genieten”; 3.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie betoogt dat het Arbitragehof geantwoord heeft op alle argumenten die door de verzoekende partij worden aangevoerd en dat de prejudiciële vraag die de verzoekende partij in haar laatste memorie formuleert een andere draagwijdte heeft dan deze uiteengezet in de memorie van wederantwoord en wegens laattijdige formulering ervan buiten de debatten gehouden moet worden; 3.5.
- Overwegende dat deel XII van het RPPol bekrachtigd is door artikel 131 van de programmawet van 30 december 2001, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2001; dat die bepaling, overeenkomstig artikel 168, vijftiende streepje, van dezelfde programmawet, gewijzigd bij artikel 129 van de wet van 26 april 2002 houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten, uitwerking heeft gekregen op 1 april 2001; 3.5.
- Overwegende dat het Arbitragehof met zijn arrest nr. 102/2003 van 22 juli 2003 de beroepen tegen artikel 131 van de programmawet van 30 december 2001 verworpen heeft; dat het Hof in zijn arrest (overweging B.16.3) een onderzoek heeft gewijd enerzijds aan het middel dat de bekrachtiging waarin artikel 131 van de programmawet voorziet, niet degene zou zijn waarin artikel 184 van de Grondwet voorziet doordat zij geen betrekking heeft op de essentiële elementen van het statuut van het politiepersoneel en dat artikel 131 een geldig- verklaring zou vormen die het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel miskent, IX-3068-6/9 aangezien zij ingrijpt op hangende rechtsgedingen zonder gedragen te worden door motieven van algemeen belang en anderzijds aan het middel dat, zo de bekrachtiging waarin artikel 131 van de programmawet voorziet expliciet was voorgeschreven, zij toegepast is met de uitsluitende bedoeling bepaalde burgers een beroep bij de Raad van State tegen deel XII van het RPPol te ontzeggen en zij op onregelmatige wijze terugwerkt, aangezien artikel 184 van de Grondwet voorzag in een bekrachtiging vóór 30 april 2002; 3.5.
- Overwegende dat het verweer dat de verzoekende partij in dit geval tegen de onbevoegdheidsexceptie naar voren brengt niet verschilt van de voormelde middelen; dat het Arbitragehof die middelen ongegrond bevonden heeft (overwegingen B.16.5.1 tot B.16.8) en de beroepen verworpen heeft; dat overeen- komstig artikel 9, § 2, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof de arresten waarbij beroepen tot vernietiging verworpen worden bindend zijn voor de rechtscolleges wat de door die arresten beslechte rechtspunten betreft; dat de Raad van State derhalve moet vaststellen dat hij, wegens de wettelijke bekrachtiging die aan deel XII van het RPPol gegeven is, niet meer bevoegd is om van het annulatieberoep tegen de bestreden bepalingen uit dat deel XII kennis te nemen; 3.5.
- Overwegende dat de verzoekende partij in haar laatste memorie blijft aandringen op het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof; dat evenwel die vraag reeds een antwoord heeft in de overwegingen van het arrest nr. 102/2003 waarnaar hiervoor verwezen wordt, niet alleen wat betreft de ingeroepen belemmering van het beroep bij de Raad van State, maar ook wat betreft de onmiddellijk daarbij aansluitende vraag of de bekrachtiging van de bestreden bepalingen door artikel 131 van de programmawet verhindert dat verzoekers na een vernietigingsarrest van de Raad van State niet als andere verzoekers rechtsherstel zullen kunnen verkrijgen; dat, met andere woorden, de vraag van de verzoekende partij wordt verworpen omdat het Arbitragehof in zijn arrest nr. 102/2003 het rechtsprobleem waarover de verzoekende partij een uitspraak wenst reeds opgelost heeft; IX-3068-7/9 3.5.
- Overwegende dat, wegens de wettelijke bekrachtiging, de Raad van State niet meer bevoegd is om uitspraak te doen over het beroep tegen een aantal artikelen van deel XII van het RPPol;
- Overwegende dat het beroep in zijn geheel niet ontvankelijk is; dat, aangezien de ontvankelijkheid mede te wijten is aan het optreden van de verwerende partij, het past de kosten van het beroep ten laste van de verwerende partij te leggen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-3068-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig februari 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3068-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.318 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.100.889 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.