← België

Arrest 141320 - - 28/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.320 Rolnummer: A. 110094/IX-3040 Zaak: Arrest 141320 - - 28/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-15 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 08:09 Fiche Arrest nr 141.320 van 28 februari 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.320 van 28 februari 2005 in de zaak A. 110.094/IX-

  1. In zake : de NV GROUP GOVAERT, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vertegenwoordigd door de Brusselse Hoofdstedelijke Regering, dat woonplaats kiest bij advocaten Ch. RONSE en W. TIMMERMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Havenlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV GROUP GOVAERT op 10 september 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 11 juli 2001 “van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest” waarbij haar een investeringspremie wordt geweigerd; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 23 mei 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-3040-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 21 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 februari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. JUDO, die loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat W. TIMMERMANS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
  4. Op grond van de Ordonnantie van 1 juli 1993 van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad betreffende de bevordering van de economische expansie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dient de verzoekende partij op 24 maart 2000 een aanvraag in voor een investeringspremie met betrekking tot de kosten voor de aanpassing van haar informatica-installaties. 1.
  5. Uit een attest van de ontvanger der Directe Belastingen te Brussel, opgemaakt op 13 maart 2001, dat door de verzoekende partij aan de Raad van State wordt voorgelegd, blijkt dat de verzoekende partij op die datum “geen belastingen noch toebehoren verschuldigd blijft welke eisbaar zijn in de zin van arti- IX-3040-2/6 kel 304 WIB”, dat een totaal bedrag van 2.100.305 BEF in hoofdsom “eisbaar” is en dat er geen bedragen “onbetwistbaar verschuldigd (zijn”). 1.
  6. Namens de minister van Economie beslist de directeur van de dienst Economische Expansie van het Bestuur Economie van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 11 juli 2001 dat de gevraagde investeringspre- mie wordt geweigerd. Als reden voor de weigering wordt vermeld: “De onderne- ming is niet in orde met de Administratie van Directe Belastingen”. Een afschrift van die beslissing wordt bij brief van 11 juli 2001 naar de verzoekende partij verstuurd. De weigeringsbeslissing vormt het voorwerp van het onderhavige beroep.
  7. Overwegende dat de verwerende partij geen memorie van antwoord ingediend heeft en ook geen administratief dossier heeft neergelegd; dat het onderhavig geding afgehandeld wordt met inachtneming van de gegevens die de verzoekende partij heeft verstrekt; 3.
  8. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het motiverings- en het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat het bestreden besluit uitsluitend verwijst naar het “niet in orde (zijn) met de Administratie der Directe Belastingen”, terwijl niet vaststaat dat zulks het geval is en terwijl de verwerende partij “op geen enkele wijze duidelijk maakt welke elementen haar tot dat standpunt hebben gebracht”; dat zij het middel als volgt toelicht: de motivering van het bestreden besluit is “ongehoord summier”, er wordt niet aangeduid wat onder “het niet in orde zijn” wordt verstaan, zij heeft alle onbetwistbaar verschuldigde bedragen aan de Administratie der Directe Belastingen betaald -het bestaan van discussies over hangende bezwaarschriften waarin de partijen overigens een overeenkomst nastreven, kan niet betekenen dat zij niet in orde wordt geacht- en ten aanzien van de Administratie van de BTW beschikt zij over een afbetalingsplan dat zij nakomt en dat trouwens niet in de motivering wordt betrokken; dat zij besluit dat de verwerende partij geen zorgvuldige IX-3040-3/6 feitenvinding nagestreefd heeft om de context na te gaan waarin haar discussie met de Administratie der Directe Belastingen zich afspeelt en dat ook niet aangetoond wordt welke feitelijke gegevens de verwerende partij in aanmerking heeft genomen om te kunnen stellen dat de aanvraag moest verworpen worden; 3.
  9. Overwegende dat de verwerende partij in haar laatste memorie betoogt dat de verzoekende partij met de haar verstrekte mededeling goed wist dat de investeringspremie geweigerd werd wegens haar uitstaande schuld bij de Administratie der Directe Belastingen, dat het tot de discretionaire bevoegdheid van het bestuur behoort te vereisen dat een premieaanvrager geen fiscale schulden heeft, dat het attest van de administratie een aantal verschuldigde belastingen vermeldt en dat de verzoekende partij in de loop van de administratieve procedure geen toelichting heeft gegeven bij dat attest; 3.3.
  10. Overwegende dat een besluit als het bestredene overeenkomstig de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, formeel gemotiveerd moet zijn, wat betekent dat het de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die eraan ten grondslag liggen en dat die uiteenzetting afdoende moet zijn, dit wil zeggen voldoende duidelijk opdat de betrokkene zou kunnen inschatten of het aangewezen is de beslissing te bestrijden met de middelen die het recht hem verschaft; 3.3.
  11. Overwegende dat het bestreden besluit uiterst summier vermeldt: “De onderneming is niet in orde met de Administratie van Directe belastingen”; dat die bijzonder vage vermelding de verzoekende partij niet toelaat te achterhalen op grond van welk gegeven en met inachtneming van welke rechtsregel de verwerende partij tot die conclusie gekomen is; dat, waar de verwerende partij in haar laatste memorie verwijst naar de ruime discretionaire bevoegdheid van het bestuur, zij precies een gegeven aanbrengt dat onmiskenbaar, in het kader van de formele motiveringsverplichting, nader verantwoord moest worden; dat inzonderheid, nu de verwerende partij in haar laatste memorie niet betwist dat zij op het ogenblik van haar beslissing beschikte over het sub 1.
  12. vermelde attest van 13 maart 2001, van IX-3040-4/6 haar verwacht mocht worden dat zij aan de verzoekende partij duidelijk kenbaar maakte waarom zij, zonder iets “onbetwistbaar verschuldigd (te zijn)”, toch “niet in orde” werd bevonden; dat de verwerende partij daarmee de op haar rustende formele motiveringsverplichting miskend heeft; 3.3.
  13. Overwegende, wat de materiële motivering betreft, dat de verwerende partij moet aantonen dat de reden die zij formeel als rechtsgrond voor haar beslissing opgeeft, steun vindt in het dossier waarover zij op het ogenblik van haar beslissing beschikte en dat de rechtsregel, waarnaar zij verwijst, in dat concrete geval de gemaakte conclusie toelaat; dat in dit geval geen dossier aan de Raad van State is voorgelegd en dat, aangenomen dat de verwerende partij decisief gesteund heeft op het attest van 13 maart 2001, de verwerende partij ook niet aantoont welke rechtsregel haar, ondanks de attestatie dat de verzoekende partij geen bedragen “onbetwistbaar verschuldigd (was)”, in staat stelde toch te besluiten dat zij “niet in orde (was) met de Administratie der Directe Belastingen”; dat in die zin de verwerende partij geen deugdelijke reden blijkt gehad te hebben om de aanvraag van de verzoekende partij te weigeren, zodat het bestreden besluit ook de materiële motiveringsverplichting miskent; 3.
  14. Overwegende dat het aangevoerde middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  15. Vernietigd wordt de beslissing van 11 juli 2001 “van het ministerie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest” waarbij aan de NV GROUP GOVAERT een investeringspremie wordt geweigerd. IX-3040-5/6 Artikel
  16. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig februari 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. J. DE BRABANDERE. IX-3040-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.320 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.