← België

Arrest 141322 - - 28/02/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.322 Rolnummer: A. 157811/IX-4713 Zaak: Arrest 141322 - - 28/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-14 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 08:10 Fiche Arrest nr 141.322 van 28 februari 2005 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.322 van 28 februari 2005 in de zaak A. 157.811/IX-

  1. In zake : André VAN CRAENENBROECK, die woonplaats kiest bij advocaat V. DECOLVENAER, kantoor houdende te SINT-NIKLAAS, Mgr. Stillemansstraat 9 tegen : De Post. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat André VAN CRAENENBROECK op 24 november 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 1 oktober 2004 waarbij hij wordt afgezet uit zijn betrekking van eerstaanwezend postman; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 25 januari 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 14 februari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. KUSTERS, die loco advocaat V. DECOLVENAER verschijnt voor verzoeker, en van juriste L. VANHOOREN, die verschijnt voor de verwerende partij; IX-4713-1/9 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. 1.
  3. Verzoeker was tewerkgesteld in het sorteercentrum Antwerpen X. 1.
  4. Op 18 december 2003 worden in dat sorteercentrum 8 gewone brieven met bestemming de Filippijnen gevonden bij de zendingen voor Brussels Airport. Zij zijn gefrankeerd met gebruikte postzegels en afgestempeld met de datumstempel voor grote zendingen. Op de achterflap van die brieven is de naam VAN CRAENENBROECK vermeld als afzender. Diezelfde dag nog wordt verzoeker daarover ondervraagd door de dienst Investigations van De Post. Verzoeker verklaart dat hij de brieven frankeerde met zegels die hij vond op de werkvloer en dat hij vermoedt dat die zegels van de zendingen zijn afgevallen. Ook gebruikte hij oude zegels die hem toebehoorden. Hij verklaart eveneens dat hij niet besefte dat hij zich schuldig maakte aan het plegen van fraude in de uitoefening van een openbaar ambt. Op dezelfde datum bevestigt hij dat ook ten overstaan van zijn postmeester. Hij wordt onmiddellijk uit de dienst verwijderd en op 23 december 2003 in het belang van de dienst geschorst met gedeeltelijke inhouding van wedde. 1.
  5. Op 29 december 2003 stelt de postmeester voor om verzoeker de afzetting op te leggen wegens het verzenden van brieven met gebruikte postzegels. Verzoeker wordt hierover gehoord op 9 januari 2004 en hij verklaart dat hij schriftelijk zal antwoorden. In een brief van 19 januari 2004 laat zijn advocaat gelden dat verzoeker de feiten niet betwist en dat ze moeten worden bestraft, maar dat de afzetting een sanctie buiten verhouding tot de feiten is omdat het slechts om een IX-4713-2/9 éénmalig feit gaat, omdat verzoeker 31 jaar trouwe dienst heeft bij DE POST en omdat verzoeker door de afzetting alle tijdens de loopbaan opgebouwde rechten zal verliezen en omdat zijn leeftijd zijn kansen op de arbeidsmarkt uiterst gering maakt terwijl hij geen werkloosheidsuitkering kan verkrijgen. 1.
  6. De postmeester blijft evenwel bij zijn standpunt en motiveert dit als volgt : “De ingediende rechtvaardiging van 19 januari 2004 bevat geen nieuwe elementen die een mindere straf kunnen rechtvaardigen. Bij de aanwerving heeft betrokkene een verklaring ondertekend over diefstal, verduistering, achterhouding, ... en de mogelijke gevolgen daarvan. Met het ‘bericht aan het personeel’ van 11 december 2003 werd het personeel er nogmaals aan herinnerd dat gevonden voorwerpen zoals afgevallen postzegels dienen afgegeven te worden in het vacatiesecretariaat. Dit bericht wordt verschillende keren per jaar

(4x)uitgehangen. De zendingen werden afgestempeld met de datumstempel van de werkpost groot formaat i.p.v. met de datumstempel die voorzien is voor normaal formaat. Door zijn handelwijze heeft hij schade berokkend aan zijn werkgever en kan de betrokkene niet meer benuttigd worden bij de post.” 1.
  1. Op 27 januari 2004 legt de postmeester aan verzoeker de afzetting op. 1.
  2. Verzoeker tekent beroep aan bij de commissie van beroep. De commissie van beroep geeft op 15 september 2004 het volgende advies : “Betrokkene werd betrapt op het verzenden van persoonlijke briefwisseling die hij frankeerde met reeds gebruikte postzegels. Hij gaf toe dat hij sinds het einde van 2002 zegels opraapte. Hij zou ze volgens zijn bewering slechts een maal gebruikt hebben om briefwisseling te verzenden en dat hij juist bij deze ene maal betrapt werd. Hij volgde de orders medegedeeld bij middel van een bericht aan het personeel dat alle gevonden zegels, dienden te worden afgegeven in het vacatiesecretariaat niet op. Hij hield ze voor zichzelf en maakte er misbruik van. Al gaat men er van uit dat het slechts eenmaal is gebeurd dan nog staat vast dat hij het bedrijf bestal en fraude pleegde door op die manier te handelen. De ernst van de feiten kan niet worden ontkend. De leden zijn van oordeel dat dergelijke praktijken niet kunnen worden getolereerd. Het vertouwen is zodanig geschonden dat een verdere tewerkstelling onmogelijk wordt. De leden gaan UNANIEM AKKOORD met ‘de schorsing in het belang van de dienst’ en de ‘afzetting’.”. IX-4713-3/9 1.
  3. Op 1 oktober 2004 zet de postmeester verzoeker definitief af met ingang van diezelfde dag. Die beslissing luidt als volgt : “Gelet op mijn beslissing van 27 januari 2004 waarbij aan de heer VAN CRAENENBROECK A.A.A., eerstaanwezend postman van het kantoor Antwerpen X de afzetting wordt opgelegd om de volgende redenen : op 18 december 2003 werden 8 brieven normaal formaat voor de Filippijnen in de bak voor Brussels Airport gevonden. De brieven waren afgestempeld op datum van 17 december 2003 met de datumstempel van de afdeling groot formaat. Ze waren gefrankeerd met postzegels die reeds gebruikt werden. De afzender van deze brieven was de heer VAN CRAENENBROECK. Betrokkene geeft toe dat hij sinds einde 2002 postzegels opraapte en hergebruikte; Overwegende dat de door betrokkene ingediende rechtvaardiging voor de feiten geen nieuwe elementen bevatten die een mindere straf kunnen rechtvaardigen, dat betrokkene bij de aanwerving een verklaring heeft ondertekend over diefstal, verduistering, achterhouding en de mogelijke gevolgen daarvan, dat met het ‘bericht aan het personeel’ van 11 december 2003 het personeel er nogmaals aan herinnerd werd dat gevonden voorwerpen zoals afgevallen postzegels dienen afgegeven te worden in het vacatiesecretariaat, dat dit bericht vier maal per jaar wordt uitgehangen, dat de zendingen werden afgestempeld met de datumstempel van de werkpost ‘groot formaat’ in plaats van met de datumstempel die voorzien is voor normaal formaat; Overwegende dat betrokkene door zijn handelwijze schade heeft berokkend aan zijn werkgever en dat hij daarom niet meer kan benuttigd worden bij De Post; Overwegende dat betrokkene uit de dienst werd verwijderd en geschorst in het belang van de dienst met ingang van 31 december 2003, wegens dezelfde feiten; Overwegende dat de Commissie van Beroep in zijn zitting van 15 september 2004 het volgende advies uitbracht : ‘Betrokkene werd betrapt op het verzenden van persoonlijke briefwisseling die hij frankeerde met reeds gebruikte postzegels. Hij gaf toe dat hij sinds het einde van 2002 zegels opraapte. Hij zou ze volgens zijn bewering slechts eenmaal gebruikt hebben om briefwisseling te verzenden en dat hij juist bij deze ene maal betrapt werd. Hij volgde de orders medegedeeld bij middel van een bericht aan het personeel dat alle gevonden voorwerpen, ook zegels, dienden afgegeven te worden in het vacatiesecretariaat niet op. Hij hield ze voor zichzelf en maakte er misbruik van. Al gaat men er van uit dat het slechts eenmaal is gebeurd dan nog staat vast dat hij het bedrijf bestal en fraude pleegde door op die manier te handelen. De ernst van de feiten kan niet worden ontkend. De leden zijn van oordeel dat dergelijke praktijken niet kunnen worden getolereerd. Het vertrouwen is zodanig geschonden dat een verdere tewerkstelling onmogelijk wordt. De leden gaan unaniem akkoord met de opgelegde afzetting’; Overwegende dat dit advies ongunstig is voor betrokkene en dat bijgevolg mijn beslissing van 27 januari 2004 behouden blijft”. Dit is de bestreden beslissing; IX-4713-4/9 IX-4713-5/9
  4. Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. Overwegende dat luidens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de bestreden beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de akte of het reglement een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.1.
  5. Overwegende dat, wat betreft de eerste voorwaarde, verzoeker in zijn tweede middel aanvoert dat de opgelegde straf kennelijk buiten verhouding staat tot de ernst van de feiten; dat hij hierbij uiteenzet dat het in totaal slechts gaat over de waarde van 6 euro, dat het slechts gaat om een éénmalig feit, dat hij 31 jaar dienst heeft en dat hij op 57-jarige leeftijd nog slechts een zeer geringe kans heeft op de arbeidsmarkt; dat er door de verwerende partij geen “strafklacht” werd neergelegd hoewel in de verklaring die hij bij zijn indiensttreding ondertekende, vermeld staat dat er zonder enige uitzondering bij diefstal en verduistering klacht wordt neergelegd; dat hij daaruit afleidt dat de verwerende partij aan de feiten minder zwaar tilde dan bedoeld in die verklaring; dat ook “het lange tijdsverloop tussen de feiten en de bestreden beslissing” in die richting wijst; dat hij “zich niet van de indruk kan ontdoen” dat de keuze voor de afzetting werd ingegeven door andere omstandigheden, met name het feit dat hij een aanvraag had ingediend om vanaf 1 oktober 2004 verlof voorafgaand aan pensioen te bekomen en dat, hem met ingang van die datum afzetten, het voor de verwerende partij “ongetwijfeld een goedkopere oplossing uitmaakt”; 2.1.
  6. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat wat de zwaarte van de sanctie betreft de Raad van State slechts een marginale toetsingsbevoegdheid heeft en dat dit staat tegenover de grote discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij; dat zij wijst op de verklaring die verzoeker bij zijn indiensttreding ondertekende en op de berichten die stellen dat afgevallen postzegels moeten worden afgegeven op het secretariaat; dat de commissie van beroep unaniem akkoord ging met de afzetting en dat het bijgevolg redelijkerwijze niet ondenkbaar is, en derhalve aannemelijk, dat de tuchtoverheid de samenwerking met verzoeker wenste te beëindigen; dat de feiten van die aard zijn dat verzoeker misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen van zijn werkgever en dat hij aan DE POST financieel schade heeft berokkend; dat er geen rekening moest worden IX-4713-6/9 gehouden met zijn jarenlange dienst omdat de feiten van een dergelijke aard zijn dat zij een vertrouwensbreuk veroorzaken zodat verdere samenwerking uitgesloten is; dat de bevoegde overheid van oordeel was dat de afzetting gerechtvaardigd was omdat de vertrouwensrelatie tussen de betrokken ambtenaar en DE POST onherstelbaar was verbroken; dat de afzetting dan de enige straf is die de werkrelatie tussen verzoeker en DE POST definitief beëindigt; 2.1.
  7. Overwegende dat uit de beslissing blijkt dat de straf is opgelegd voor het enkele feit van het gebruiken van reeds gebruikte postzegels; dat verzoeker daaromtrent beweert - en daarin niet wordt tegengesproken - dat het om een eenmalig feit gaat en om een totale waarde van 6 Euro; dat de strafmaat wordt gemotiveerd door een verwijzing naar de verklaring die verzoeker ondertekende bij zijn indiensttreding en naar de waarschuwing die werd verspreid dat afgevallen postzegels moesten worden afgegeven op het secretariaat; dat hij daardoor zijn bedrijf bestolen heeft en fraude heeft gepleegd; dat ten slotte ook nog wordt gesteld dat “de ernst van de feiten niet kan worden ontkend” en dat ”het vertrouwen zodanig geschokt is dat een verdere tewerkstelling onmogelijk wordt”; 2.1.
  8. Overwegende dat de verwerende partij terecht aanvoert dat, wat betreft de zwaarte van de straf, de Raad van State slechts over marginale toetsingsbevoegdheid beschikt bij het beoordelen van de redelijkheid van de strafmaat; dat dit betekent dat hij alleen die straf als strijdig met het evenredigheids- beginsel kan bevinden die dermate buiten verhouding staat tot de zwaarte van de feiten dat geen enkele in redelijkheid oordelende overheid ze voor die feiten zou opleggen en waarbij rekening moet worden gehouden met het feit dat de overheid bij de bepaling van de strafmaat niet alleen rekening dient te houden met de persoonlijke situatie van de betrokken ambtenaar, maar ook en vooral, met het belang van de dienst waarvoor zij instaat; dat in deze er geen enkele twijfel over mag bestaan dat verzoekers gedrag laakbaar is en een straf verdient; dat evenwel in deze de vraag rijst of hiervoor in redelijkheid de zwaarst mogelijke straf aan bod moet komen; dat de relatief kleine waarde van wat verzoeker zich op een onrecht- matige wijze heeft toegeëigend in correlatie staat tot de zwaarte van die misdraging en dat derhalve in redelijkheid de twijfel ontstaat of hiervoor de zwaarste straf moest worden opgelegd; dat de verwerende partij terecht zwaar tilt aan de feiten maar dat zij door de zwaarste straf op te leggen evenwel voorbijgaat aan de omstandigheid dat voor nog veel zwaardere feiten er geen andere en zwaardere straf meer kan staan, zodat door de zwaarst mogelijke sanctie op te leggen in deze geen of te IX-4713-7/9 weinig acht is geslagen op het bestaan van een reeks mogelijke tuchtstraffen van verschillende zwaarte en van het daarin vervatte beginsel dat niet alle misdragingen in redelijkheid op dezelfde wijze kunnen worden gestraft; dat ook de zeer zware gevolgen die verbonden zijn aan de afzetting in de afweging van de strafmaat moeten worden betrokken en dat die gevolgen bezwaarlijk als in een juiste verhouding staande tot de aan verzoeker ten laste gelegde feiten kunnen worden beschouwd; dat tenslotte de vermelding dat “de vertrouwensrelatie tussen de betrokken ambtenaar en DE POST onherstelbaar was verbroken” een gevolgtrek- king is van de verwerende partij die, gelet op de omstandigheden van de zaak, overtrokken overkomt; dat het middel ernstig is; 2.2.
  9. Overwegende dat, wat de tweede voorwaarde betreft, verzoeker aanvoert dat hij van de ene dag op de andere zijn werk en inkomen kwijtraakt, dat hij daardoor zeer zwaar aangeslagen is, depressief is en kampt met lichamelijke klachten; dat hij tevens lijdt onder de afkeuring van zijn collega*s en zijn onmiddellijke omgeving; dat hij daarnaast ook het risico loopt om gedurende een zekere tijd te worden uitgesloten van werkloosheidsuitkering, wat het financiële evenwicht van zijn gezin in gevaar zal brengen; 2.2.
  10. Overwegende dat de verwerende partij daarop antwoordt dat een financieel nadeel herstelbaar is en dat een moreel nadeel wordt goedgemaakt door de morele genoegdoening welke een annulatiearrest meebrengt; 2.2.
  11. Overwegende dat de tuchtstraf van afzetting, behoudens bijzondere omstandigheden, uit zichzelf het gevaar van een moeilijk te herstellen en ernstig nadeel inhoudt, gelet op de schandvlek welke zij meebrengt op de moeilijk- heden inzake reclassering die eruit voortvloeien; dat te dezen niet blijkt dat er in casu dergelijke bijzondere omstandigheden zouden zijn, die het gegrond zijn van dergelijk moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen wegnemen, 2.
  12. Overwegende dat aldus is voldaan aan de voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, IX-4713-8/9 BESLUIT: Artikel
  13. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 1 oktober 2004 waarbij André VAN CRAENENBROECK wordt afgezet uit zijn betrekking van eerstaanwezend postman. Artikel
  14. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig februari 2000 en vijf, door : de H. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-4713-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.322 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.391 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.