id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 februari 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.341 Rolnummer: A. 140864/VII-33357 Zaak: Arrest 141341 - - 28/02/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-04 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 08:11 Fiche Arrest nr 141.341 van 28 februari 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 141.341 van 28 februari 2005 in de zaak A. 140.864/VII-33.357 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat N. DIRICKX, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 213, bus 15 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 14 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 3 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 12 november 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 18 juli 2003; Gelet op de beschikking van 10 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de toelichtende memorie; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; Gelet op de beschikking van 12 januari 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 15 februari 2005; VII-33.357-1/7 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat N. DIRICKX, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Attaché M. HUYGHE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. De verzoekende partij kwam België binnen op 17 oktober 2001 en verklaarde zich vluchteling op 18 oktober 2001. 1.2. Op 12 november 2001 nam de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 3 juli 2003 bevestigde de Commissaris-generaal voor de vluchteling- en en de staatlozen deze beslissing als volgt : “A. Vluchtrelaas U verklaart een Afghaans staatsburger te zijn van Pashtun-origine, sjiiet en afkomstig van Kabul. Op 23/06/1380 (Afghaanse kalender, komt overeen met 14/09/2001 in de Gregoriaanse kalender) heeft u Afghanistan verlaten om op 26/07/1380 (18/10/2001) in België aan te komen waar u diezelfde dag nog asiel aanvroeg. U bent niet in het bezit van een geldig Afghaans identiteitsdocument. Volgens uw verklaringen voor het Commissariaat-generaal op 21 mei 2003, had u vanaf 1371
(1992)een apotheek in Kabul stad. Eén jaar na de komst van de Mudjaheddin in Kabul in 1371
(1992)sloot u uw apotheek gedurende twee jaar wegens de oorlogsomstandigheden in de omgeving. U werkte toen als zakenman, waarvoor u soms naar Mazar-I-Sharif reisde. Tijdens het regime van de Mudjaheddin had u problemen met hen omdat u niet gelovig was. Zo moest u in 1372
(1993), toen u onderweg was van Kabul naar Mazar-I-Sharif, een boete betalen aan de Jami- aat-Islami (Islamitische Associatie), omdat u niet had deelgenomen aan het gebed, en werd u geslagen. In 1372
(1993)werd u ook gedurende één dag aangehouden en geslagen door de Shurai Nezar (militaire vleugel van de Jamiaat-Islami) omdat u niet naar de moskee ging. Ongeveer een maand later werd u gedurende één nacht vastgehouden door de Jamiaat-Islam omwille van religieuze redenen. Vervolgens werd u nog verschillende keren lastig gevallen door de Shorai Nezar omdat u van Kandahar afkomstig was en sjiiet was. Ongeveer twee maanden en tien dagen voor uw vertrek werd u door de Taliban gearresteerd, geslagen en gedurende één dag opgesloten in Pul-é Tchargi omdat u niet naar de moskee ging. Andere keren kreeg u, omwille van religieuze redenen, waarschuwingen van de Taliban. Ongeveer tien dagen voor uw vertrek uit Afghanistan kwamen leden van de Taliban in uw apotheek. Ze zeiden dat u met hen moest meekomen om uw legerdienst te vervullen. Ze drongen echter niet bij u aan aangezien er veel klanten in de apotheek waren. 's Avonds kwamen ze echter VII-33.357-2/7 naar uw huis, u weigerde mee te gaan waarop ze u en uw vader hebben geslagen. U werd vervolgens meegenomen naar Kot-é Senghi waar u drie dagen en drie nachten vast zat in een kelder. U werd er van beschuldigd een ongelovige te zijn en u werd bedreigd door een zekere mawlawi Razaq. U kwam uiteindelijk vrij door bemiddeling van uw schoonbroer, waarna u naar Herat werd gebracht. Vanuit Herat bent u naar Europa gevlucht. Actueel vreest u voor uw leven in Afghanistan wegens het niet naleven van de regels van de Sharia, de islamitische wetgeving. B. Motivering Er dient vooreerst te worden vastgesteld dat uw opeenvolgende verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en voor het Commissariaat-generaal (CGVS) een aantal tegenstrijdigheden bevatten. Hierdoor wordt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ernstig ondermijnd. Zo legde u volgende tegenstrijdige verklaringen af over uw problemen met de Taliban: voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u dat u begin 1380 (begin maart 2001) door de Taliban werd opgepakt omdat u thuis een schotelantenne had en dat u gedurende één week werd opgesloten in Pul-é Tcharki en dat u gedurende die periode werd geslagen (zie gehoorverslag DVZ vraag 42, p 6). Ook tijdens het eerste interview voor het Commissariaat-generaal beweerde u dat u gedurende één week werd opgesloten in Pul-é Tcharki wegens het kijken naar tv (zie gehoorverslag CGVS II, p 4). Echter, tijdens het tweede interview voor het Commissariaat-generaal maakte u, toen u verschillende keren werd gevraagd naar uw problemen met de Taliban voorafgaand aan het incident dat u concrete vluchtaanleiding vormde, geen gewag van een opsluiting van één week in Pul-é Tcharki wegens een schotelantenne of tv (zie gehoorverslag CGVS II, p 13-14). Verder stelde u uitdrukkelijk dat u alleen omwille van religieuze redenen problemen hebt gehad met de Taliban (zie gehoorverslag CGVS II, p 14). Daarnaast verklaarde u uitdrukkelijk dat u, naast de laatste arrestatie die uw concrete vluchtaanleiding vormde slechts één keer werd gearresteerd, en dit gedurende één dag en wel omwille van het feit dat u niet naar de moskee ging (zie gehoorverslag CGVS II, p 14). U verklaarde uitdrukkelijk dat u geen andere keren werd gearresteerd door de Taliban (zie gehoorverslag CGVS II, p 14). Het is niet aannemelijk dat u een opsluiting van één week, tijdens dewelke u werd geslagen, zou vergeten. Voor de Dienst Vreemdelingenzaken en tijdens het eerste interview voor het Commissariaat-generaal verklaarde u dat uw echtgenote in jullie thuis les gaf aan kinderen en dat de Taliban haar dit verboden en dat jullie een waarschuwing kregen hiervoor van de Taliban (zie gehoorverslag DVZ vraag 42, p 6; gehoorverslag CGVS I, p 4). Maar toen u tijdens het tweede interview voor het Commissariaat-generaal werd gevraagd of uw echtgenote concrete problemen heeft gehad met de Taliban, antwoordde u negatief (zie gehoorvers!ag CGVS II, p 15). Verder beweerde u, toen u werd gevraagd waar en wanneer uw echtgenote les gaf, dat dit op school was en tijdens het regime van de Mudjaheddin (zie gehoorverslag CGVS II, p 15). Met betrekking tot uw laatste incident met de Taliban dat uw concrete vluchtaanleiding vormde, legde u volgende tegenstrijdige verklaringen af: Voor de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde u dat de Taliban twee opeenvolgende dagen in uw apotheek kwamen (zie gehoorverslag DVZ vraag 42, p 6), terwijl u tijdens de twee interviews voor het Commissariaat-generaal slechts gewag maakt van één bezoek van de Taliban aan uw apotheek (zie gehoorverslag CGVS I, p 4, gehoorverslag CGVS II, p 1l). Verder beweerde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u, tijdens uw detentie in Kot-é Sanghi, twee dagen buiten vastgebonden zat (zie gehoorverslag DVZ vraag 42, p 6), maar voor het Commissariaat-generaal verklaarde u dan weer uitdrukkelijk dat u gedurende heel uw detentie in de kelder had gezeten (zie gehoorverslag CGVS II, p 12). Betreffende uw problemen met de Mudjaheddin verklaarde u tijdens het eerste interview voor het Commissariaat-generaal dat u meerdere keren werd geslagen door de Mudjaheddin omdat u sjiiet was en omdat u niet naar de moskee ging, maar dat u voor de rest geen andere problemen met de Mudjaheddin heeft gehad (zie gehoorver- slag CGVS I, p 5). Echter, tijdens het tweede interview voor het Commissari- aat-generaal, maakte u gewag van twee arrestaties door de Mudjaheddin, één die één dag duurde en één die één nacht duurde (zie gehoorverslag CGVS II, p 8-9). Dergelijke opeenvolgende tegenstrijdige verklaringen ondermijnen op fundamentele wijze de geloofwaardigheid van uw asielrelaas. VII-33.357-3/7 U bent niet in het bezit van enig reis-of identiteitsdocument dat de controle van uw reisweg of identiteit mogelijk maakt, Aan het attest van de Vereniging van Afghaanse. Vluchtelingen en Immigranten in België, dat uw nationaliteit en uw politieke problemen met de Taliban en de Mudjaheddin bevestigt, kan geen bewijswaarde worden gehecht vermits het is opgesteld op basis van uw verklaringen, aangezien u verklaard heeft dat u de voorzitter pas in België hebt leren kennen (zie gehoorverslag CGVS II, p 5). De brief van het Onthaalcentrum te Kapellen betreft uw verblijf in het centrum, maar voegt verder niets toe aan uw asielrelaas. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd, Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al. 2). Ik vestig de aandacht van de Minister van Binnenlandse zaken op het feit dat het op dit ogenblik vanuit humanitair standpunt aangewezen is om in het geval van gedwongen terugkeer zo nodig het bekomen van opvang of humanitaire hulp mogelijk te maken.”. Dit is de bestreden beslissing; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat als volgt luidt : “Enig middel: schending van artikel 52 van de Wet van 15 december 1980 en schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en schending van het motiveringsbeginsel De Commissaris-generaal meende enkele zgn contradicties te moeten onderkennen, terwijl het niet in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van het verzoek tot erkenning als vluchteling past een dergelijk onderzoek naar de waarheid van de aangevoerde feiten te voeren. Er moet enkel worden nagegaan of de aangehaal- de feiten waarschijnlijk kunnen worden geacht. Een dergelijk diepgaand onderzoek dat toelaat te ontdekken welke delen van het verhaal van verzoeker waar zijn en welke op beweerdelijke contradicties zouden berusten, kan enkel worden gevoerd in de procedure ten gronde. Uit de voorbereidende werken van artikel 52 van de vreemdelingenwet van 15 december 1980 blijkt dat het onderzoek naar de ontvankelijkheid de verzoeken dient weg te filteren die “manifestement abusives ou non fondée” zijn (Parl. 1986, 1987, 689/1 p.7). Zo dienen de verzoeken die bedrieglijk zijn onontvankelijk te worden verklaard, zoals in casu wordt beweerd. Bedrieglijk zijn aanvragen waar de aanvrager bedrog pleegt, verklaringen aflegt die manifest tegenstrijdig zijn met bekende feiten of gebruik maakt van een valse identiteit of nationaliteit. Welnu, verzoeker heeft geen bedrieglijke aanvraag gedaan. Hij heeft geen verklaringen afgelegd die manifest tegenstrijdig zijn met bekende feiten. Dit staat bovendien nergens in de beslissing. De feiten die verzoeker heeft aangebracht zijn van zodanige aard dat ze niet zonder een onderzoek ten gronde konden worden afgedaan als bedrieglijk. Bovendien betreft het feiten kaderend binnen de voorwaarden van de Conventie van Genève. De beslissing maakt een schending van artikel 52 van de Wet van 15 december 1980 en een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel uit. VII-33.357-4/7 Dat de Raad van State in de uitoefening van het wettelijk toezicht bevoegd is na te gaan of de Commissaris-generaal bij de beoordeling van deze beslissing is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens en of hij die correct heeft beoordeeld en of hij op grond daarvan in redelijkheid tot een besluit is gekomen. Welnu de Raad zal vaststellen dat men de feiten niet heeft beoordeeld op een correcte wijze en eerder uit zgn tegenstrijdigheden conclusies heeft getrokken. Dat deze zgn tegenstrijdigheden geen tegenstrijdigheden uitmaken: 1.verzoeker werd vervolgd en gearresteerd door de Taliban omdat hij interesse toonde voor andere godsdiensten en omdat hij een schotelantenne had. Hij werd in het openbaar gezien met een boekje dat informatie had over andere godsdiensten. Dit was de rechtstreekse aanleiding voor zijn arrestatie. 2.tijdens de macht van de Taliban werd verzoeker één maal gearresteerd en dit een week, tijdens de Mudjaheddin een nacht. Die week verbleef hij in Kot e Shangi, twee dagen op het gelijkvloers (=buiten) en de rest in de kelder. Die bewuste nacht verbleef hij in Pul-é Tcharki. In beide regimes werd hij af en toe geslagen en gearresteerd omdat hij niet naar de moskee ging. Dit betrof steeds enkele uren. 3.de echtgenote van verzoekster heeft steeds les gegeven. Tijdens de periode van de Mudjaheddin op school, tijdens de Taliban in het geheim en thuis. Bijgevolg meent verzoeker dat de Commissaris-generaal ernstig tekort komt aan de op hem rustende motiveringsplicht.”; 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de toelichtende memorie verwijst naar het verzoekschrift; 2.
- Overwegende dat verzoeker er vooreerst ten onrechte van uit gaat dat om tot de bestreden beslissing te komen een onderzoek naar de gegrondheid nodig zou zijn geweest; dat in het kader van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag de Commissaris-generaal immers, om een exact beeld te krijgen van de situatie waarin de vreemdeling zich bevindt op het tijdstip van zijn vluchtelingenverklaring, de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te kunnen nemen; dat het de Commissaris-generaal dan ook niet verweten kan worden met het oog daarop de opeenvolgende verklaringen van verzoeker zorgvuldig te onderzoeken en onderling te vergelijken; dat in casu een eenvoudige vergelijking van verzoekers verklaringen duidelijke tegenstrijdigheden naar voren bracht; dat dit niet als een onderzoek naar de gegrondheid kan worden beschouwd; dat artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) de Commissaris-generaal toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer de aanvraag klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is; dat in dit verband het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag kan worden aangetoond door vast te stellen dat de verklaringen van de betrokkene door tegenstrijdigheden en ongeloofwaardigheden aangetast zijn; dat de bewering van verzoeker dat enkel tijdens de procedure ten gronde kan worden onderzocht welke delen van zijn verhaal waar zijn en welke op contradicties zouden berusten, bijgevolg niet kan worden bijgetreden; dat de aangevoerde schending van artikel 52 van de Vreemdelingenwet en van het zorgvuldigheidsbeginsel dan ook niet kan worden aangenomen; VII-33.357-5/7 Overwegende dat verzoeker verder de door de Commissaris-generaal in de bestreden beslissing vastgestelde tegenstrijdigheden tracht te minimaliseren en stelt dat de tegenstrijdigheden eigenlijk geen tegenstrijdigheden uitmaken, waarna hij zijn verklaringen herformuleert; dat echter uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoekers verklaringen in het verzoekschrift niet stroken met zijn verklaringen afgelegd op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal; dat de vastgestelde tegenstrijdigheden nauwkeurig in de bestreden beslissing worden uiteengezet en alle hun grondslag vinden in het administratief dossier; dat verzoeker door een loutere herformule- ring van zijn verklaringen de vastgestelde contradicties niet weerlegt; dat in zoverre verzoeker wil aantonen dat de Commissaris-generaal de feitelijke gegevens van de zaak verkeerd zou hebben beoordeeld, erop gewezen wordt dat de appreciatie van de feitelijke gegevens in de eerste plaats zaak is van de overheid; dat het de Raad van State niet toekomt zich de discretionaire bevoegdheid van die overheid aan te matigen, doch enkel moet nagaan of de overheid deze beoordeling op in rechte en in feite aanneembare redenen heeft gesteund en of zij daarbij de grenzen van de redelijkheid niet heeft overschreden; dat het oordeel van de Commissaris-generaal, gelet op de feitelijke gegevens van het dossier, niet kennelijk onredelijk is; dat de bestreden beslissing genomen is in overeenstemming met de wetsbepalingen betreffende de motivering van de bestuurshandelingen, aangezien zij aldus de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat de motivering de beslissing blijkt te kunnen dragen en bijgevolg afdoende en deugdelijk is; dat het enige middel ongegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig februari tweeduizend en vijf, door: VII-33.357-6/7 Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-33.357-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.341 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div