← België

Arrest 141401 - - 01/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.401 Rolnummer: A. 140229/XIV-16314 Zaak: Arrest 141401 - - 01/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-22 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 08:13 Fiche Arrest nr 141.401 van 1 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.401 van 1 maart 2005 in de zaak A. 140.229/XIV-16.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat S. SUINEN, kantoor houdende te 4000 LUIK, Rue Courtois 32 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Afghaanse nationaliteit, op 8 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 4 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 12 juni 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 11 juli 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 26 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 9 februari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 maart 2004; XIV-16.314-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat T. CLAESSENS, die loco advocaat S. SUINEN, verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 9 juni 2003 en zich vluchteling verklaart op 10 juni 2003; dat op 12 juni 2003 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 4 juli 2003 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “A. Vluchtrelaas U verklaart de Afghaanse nationaliteit te bezitten en afkomstig te zijn uit Mazar-I-Sharif. U beweert van Tadjiekse origine te zijn. Samen met uw familie woonde u afwisselend in de stad Mazar-i-Sharif (winter) en in het district Chemtal (zomer). Uw vader werkte vroeger voor de financiële dienst van Jamiat-I-Islami en dit tot de val van Jamiat in Mazar-I-Sharif. Op 8 sambula 1381 (Afghaanse kalender; komt overeen met 30 augustus 2002) werd uw vader en broer vermoord in het district Chemtal. Zij werden vermoord op bevel van Hasji Isaq Rahgozar (gouverneur van de provincie Balkh) en Rahman (militaire commandant van Jamiat-I-Islami van de provincie Balkh). H. R. was tevens de neef van uw vader en deze zijn zus was gehuwd met H. I. R.. Tussen uw vader en deze twee personen waren er reeds sedert lang spanningen omwille van een erfenis en geld. Nu werd door deze twee personen beweert dat uw vader historische vondsten in Chemtal had ontdekt en hij deze aan hen diende te geven. Uw vader had echter niets gevonden, hij was een excuus om uw vader te doden. Uw broer werd eveneens vermoord omwille van die erfenis, waardoor ook u vreest gedood te worden. Drie dagen na de moord kwamen manschappen van H. R. bij u thuis langs op zoek naar u. U kon echter ontsnappen en verbleef een nacht bij de buren. Vervolgens ging u naar uw oom in Mazar-I- Sharif waar u twee dagen verbleef. U kloeg de moord aan bij Majid Rozi (commandant garnizoen provincie Balkh), die echter niets kon doen. U verliet vervolgens Afghanistan richting Tadjikistan, waar u zes maanden verbleef. U was niet van plan Tadjikistan te verlaten, doch manschappen van H. I. R. en H. R. vielen u aan in de stad Dushanbe waarna u besloot Tadjikistan te verlaten, richting België. U vroeg hier asiel aan op 10 juni
  3. U beweert dat het huis van uw moeder en andere eigendommen in beslag werd genomen. B. Motivering Vooreerst wordt vastgesteld dat u onvoldoende elementen heeft aangehaald waaruit zou blijken dat u uw land heeft verlaten uit een gegronde vrees voor vervolging zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie. Er dient te worden opgemerkt dat de moeilijkheden die u hebt gekend en waarvoor u dan besloot Afghanistan te verlaten, niet van die aard zijn dat zij kunnen ressorteren onder het toepassingsgebied van de Conventie van Genève. U verliet namelijk Afghanistan uit vrees gedood te worden omwille van een erfeniskwestie. Dit betreft eerder een familiaal conflict en houdt als dusdanig geen verband met de Vluchtelingenconventie. Verder zijn er een aantal tegenstrijdigheden vast te stellen die de geloofwaardigheid van uw relaas verder ondermijnen. Zo zei u op de dienst Vreemdelingenzaken dat Habib Rahman commandant van Jamiat-I-Islami was van Chemtal (zie gehoorverslag DVZ, vraag 42), terwijl u op het commissariaat-generaal aanhaalde dat hij commandant was van de provincie Balkh XIV-16.314-2/5 (zie gehoorverslag CGVS, p 5a). Daarnaast vertelde u nog op de dienst Vreemdelingenzaken dat u een schriftelijke verklaring richtte aan Majid Rozi (zie gehoorverslag DVZ, vraag 42). Tijdens uw interview in dringend beroep vermeldde u van met hem een gesprek te hebben gehad (zie gehoorverslag CGVS, p 10). Deze uiteenlopende verklaringen ondermijnen deels de geloofwaardigheid van uw relaas. Daarnaast maakte u geen gewag van het feit dat u tijdens uw verblijf in Tadjikistan had met de manschappen van H. I. R. en H. R. En dit terwijl u op het commissariaat-generaal uitdrukkelijk verklaarde dat u Tadjikistan heeft verlaten omwille van problemen met deze manschappen en u aanvankelijk geenszins van plan zou zijn geweest om Tadjikistan te verlaten. Dergelijke omissie is in het kader van uw asielrelaas onbegrijpelijk. Tot slot bent u niet in het bezit van enige documenten waardoor noch uw reisroute noch uw identiteit kan bevestigd worden. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de minister van Binnenlandse Zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de Vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (koninklijk besluit van 19/05/1993; artikel 17, par. 2, al. 2). Ik vestig de aandacht van de minister van Binnenlandse Zaken op het feit dat het op dit ogenblik vanuit humanitair oogpunt aangewezen is om in geval van gedwongen terugkeer zo nodig het bekomen van opvang of humanitaire hulp mogelijk te maken.”; 2.
  4. Overwegende dat de verzoekende partij in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat de verzoekende partij een kennelijke beoordelingsfout heeft begaan door te besluiten dat de problemen die de verzoekende partij in Afghanistan kende louter privaatrechtelijk van aard zijn en aldus niet zouden ressorteren onder de criteria van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), dat haar asielrelaas coherent is en er duidelijk in staat dat H. R. en H. I. R. oppermachtig zijn in Afghanistan, dat zij tegen de wandaden van laatsgenoemden tevergeefs klacht heeft proberen in te dienen, dat haar problemen hierdoor onvermijdelijk politiek werden getint, dat zij niet de bewijslast draagt en dat zij het voordeel van de twijfel moet genieten omdat haar asielrelaas geloofwaardig is, dat haar geen verwijt treft door niet in het bezit te zijn van documenten die haar verklaringen zouden staven, dat de vastgestelde tegenstrijdigheden miniem en verklaarbaar zijn en dat het feit dat zij op de dienst Vreemdelingenzaken geen melding maakte van haar doorreis in Tadzjikistan evenmin de geloofwaardigheid van haar asielrelaas in het gedrang brengt; 2.
  5. Overwegende dat de formele motiveringsplicht vervat in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en in artikel 62 van de Vreemdelingenwet, vereisen dat de rechtsonderhorige in de hem aanbelangende XIV-16.314-3/5 beslissing kan lezen op welke gronden die beslissing is gesteund, zodat hij met kennis van zaken kan oordelen of het zinvol is gebruik te maken van de rechtsmiddelen waarover hij in rechte beschikt; dat die gronden op eenvoudige wijze in de bestreden beslissing kunnen worden gelezen, namelijk dat de verzoekende partij onvoldoende elementen heeft aangehaald waaruit zou blijken dat zij Afghanistan heeft verlaten om redenen vervat in de Vluchtelingenconventie en dat haar opeenvolgende verklaringen tegenstrijdig zijn; dat daarmee aan de voornaamste vereiste van de formele motiveringsplicht is voldaan en dat het enige middel in die mate ongegrond is; Overwegende, in de mate dat de verzoekende partij de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij niet verder komt dan het minimaliseren van de vastgestelde tegenstrijdigheden; dat de verzoekende partij voorbijgaat aan het feit dat de bestreden beslissing als een geheel moet worden gelezen, zonder dat ieder afzonderlijk element die beslissing op zichzelf moet kunnen dragen; dat zij daarenboven verkeerdelijk stelt dat de commissaris-generaal heeft vastgesteld dat zij geen melding heeft gemaakt van haar doorreis in Tadzjikistan, terwijl in de bestreden beslissing duidelijk staat dat zij “geen gewag (maakte) van het feit dat (zij) tijdens (haar) verblijf in (Tadzjikistan) problemen had met de manschappen van H. I. R. en H. R.”; dat de verzoekende partij overigens niet verduidelijkt waarom zij op de dienst Vreemdelingenzaken geen melding heeft gemaakt van de door haar ondervonden problemen in Tadzjikistan; dat de verzoekende partij derhalve er niet in slaagt aannemelijk te maken dat haar asielrelaas geloofwaardig is, zodat haar betoog dat haar problemen “onvermijdelijk” politiek getint geworden zijn door de oppermacht van haar belagers in Afghanistan, niet kan worden bijgetreden; dat uit het voorgaande reeds blijkt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing niet op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het enige middel ook in die mate ongegrond is;
  6. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling XIV-16.314-4/5 inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  7. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  8. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op één maart tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-16.314-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.401 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.