← België

Arrest 141403 - - 01/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.403 Rolnummer: A. 130751/XIV-13082 Zaak: Arrest 141403 - - 01/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-22 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 08:13 Fiche Arrest nr 141.403 van 1 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.403 van 1 maart 2005 in de zaak A. 130.751/XIV-13.082 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat B. VAN PRAET, kantoor houdende te 9200 DENDERMONDE, Grote Markt 36 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 19 december 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 21 november 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 10 oktober 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 9 januari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 26 januari 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 maart 2004; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; XIV-13.082-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. GABRIELS, die loco advocaat B. VAN PRAET verschijnt voor de verzoekende partij en van attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;

  1. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 13 augustus 2002 en zich vluchteling verklaart op dezelfde dag; dat op 10 oktober 2002 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 21 november 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “U verklaarde tijdens het verhoor in dringend beroep de Iraanse nationaliteit te hebben en afkomstig te zijn van Isfahan. Op 18/04/1381 (Iraanse jaartelling, stemt overeen met 09/07/2002) zou u samen met uw echtgenoot voorbij een manifestatie gekomen zijn. Een vrouw zou uw echtgenote benaderd hebben en haar enkele folders met de titel ‘dood aan het regime van de mollahs’ toegestopt hebben. Uw echtgenote zou ze snel in haar tas gestoken hebben. Onmiddellijk hierna zou een agent van de ‘Ettelaat’ (ministerie van Informatie) uw echtgenote aangesproken hebben en haar gevraagd hebben de inhoud van haar tas te tonen. Uw echtgenote zou hiertegen geprotesteerd hebben waardoor hij de tas met geweld afrukte en uw vrouw op de grond gevallen zou zijn. U zou ingegrepen hebben en de agent een vuistslag toegekend hebben. De agent zou op iets scherp op de grond terechtgekomen zijn en het bewustzijn verloren hebben. U en uw echtgenote zouden weggevlucht zijn en ondergedoken in het huis van de schoonvader van uw tante in Shahinshahr. Twee dagen later zou u vernomen hebben dat uw huis op 18/04/1381 doorzocht werd en dat agenten de dag erna bij uw vader waren langs geweest en hem ter ondervraging meegenomen hadden naar het politiebureau. Daar diende hij een verklaring te ondertekenen dat hij u zou aangeven als hij nieuws van u had. Hij zou hier tevens vernomen hebben dat de agent die u had geslagen in een coma was geraakt zijn en zich in levensgevaar bevond. U zou hierop besloten hebben uw land te verlaten. Op 06/05/1381 (28/07/2002), zou u Iran verlaten hebben om op 22/05/1381 (13/08/2002) in België aan te komen en dezelfde dag asiel aan te vragen. U zou hier vernomen hebben dat een convocatie voor uw vader zou zijn toegekomen in zijn winkel waarin stond dat hij zich op 25/04/1381 (16/07/2002) diende aan te melden op de rechtbank. Omwille van medische redenen zou hij hier niet op ingegaan zijn. Uw moeder zou in zijn plaats gegaan zijn en volgehouden hebben dat u en uw ouders al jaren de familiebanden verbroken hadden en geen contact meer hebben. Bij u thuis zou reeds eerder een convocatie gericht aan u zijn toegekomen waarin stond dat u zich eveneens diende aan te bieden op de algemene rechtbank. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat er een aantal tegenstrijdigheden bestaan tussen uw opeenvolgende verklaringen op de verschillende asielinstanties waardoor de geloofwaardigheid van uw asielrelaas wordt ondermijnd. Zo beweerde u tijdens het verhoor op de dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) dat jullie geen idee hadden wat op de papieren stond die uw echtgenote werden toegestoken tijdens de manifestatie. Jullie zouden slechts vermoed hebben dat het reclamefolders betrof toen uw vrouw de papieren in haar tas stak (zie gehoorverslag DVZ, vraag 42). Tijdens het verhoor in dringend beroep op het commissariaat-generaal (CGVS) verklaarde u daarentegen dat u voor de tussenkomst van de agent en voor uw vrouw de papieren in haar tas stak had gezien dat het politieke pamfletten betrof met het opschrift ‘dood aan het regime van de mollahs’ (zie gehoorverslag CGVS, p 6-7). Vervolgens beweerde u op de dienst Vreemdelingenzaken dat uw huisbaas op 25/04/1381 (16/07/2002) een gerechtelijke oproepingsbrief aan u gericht, ontving. U zou hierop besloten XIV-13.082-2/5 hebben uw land te verlaten (zie gehoorverslag DVZ, vraag 42). Tijdens het verhoor in dringend beroep stelde u echter uitdrukkelijk dat u voor het verhoor op dienst Vreemdelingenzaken geen weet had van een convocatie voor u of uw vader. U zou dit slechts hierna van uw neef vernomen hebben. U zou trouwens niet weten wanneer exact de convocatie die aan u gericht was, toekwam (zie gehoorverslag CGVS, p 9-10). Bovenstaande tegenstrijdigheden en ongerijmdheden, die behoren tot de kern van uw asielrelaas, doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van uw verklaringen. Wat er ook van zij, er dient hieraan te worden toegevoegd dat uw concrete vluchtaanleiding niet als een vorm van vervolging onder de Conventie van Genève valt te catalogiseren. U zou een agent van Ettelaat geslagen hebben waardoor deze in een coma is geraakt en in levensgevaar verkeert. De daaruit voortvloeiende problemen, namelijk strafrechtelijke vervolging omwille van doodslag of het toebrengen van slagen en verwondingen, behoren tot de gemeenrechtelijke sfeer. U slaagde er niet in aannemelijk te maken dat u een onevenredige sanctie dient te vrezen op basis van motieven opgenomen in het verdrag van Genève. Bijgevolg is het door u aangehaalde vluchtmotief kennelijk vreemd aan de Conventie van Genève. Met betrekking tot de door u neergelegde gerechtelijke convocatie, gericht aan uw vader, dient te worden vastgesteld dat het een grotendeels onleesbare kopie betreft waardoor niet kan geoordeeld worden over de authenticiteit ervan. Met betrekking tot de door u neergelegde militaire kaart dient te worden vastgesteld dat deze niet van die aard is om bovenstaande vaststellingen te wijzigen.”; 2.
  2. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert, dat luidt als volgt: “Onverminderd alle andere middelen aan te voeren na onderzoek van het administratief dossier of ambtshalve op te werpen door de Raad van State, stelt verzoeker volgende middelen tot nietigverklaring voor: Het commissariaat-generaal heeft ten onrechte geoordeeld dat verzoeker niet aantoont dat er sprake zou zijn van een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie, en dat de minister van Binnenlandse Zaken niet zijn appreciatiebevoegdheid heeft overschreden door hen het verblijf op het grondgebied te weigeren. Uit de feitelijke gegevens die verzoeker voorlegt, blijkt integendeel duidelijk dat hij een gegronde reden had om Iran te verlaten, en dat hij wel degelijk een risico loopt van schending van de Conventie van Genève in geval van terugleiding, waardoor hij immers zonder enige twijfel onmiddellijk opnieuw zou worden geconfronteerd met vervolging omwille van de bovenvermelde feiten met politieke grondslag. Verzoeker meent wel degelijk aan de criteria van de Conventie van Genève te voldoen, in die zin dat hij zich wel degelijk buiten zijn land van herkomst bevindt buiten zijn wil, omwille van problemen die te maken hebben met politieke verdenkingen lastens hem. Door negatief te besluiten, is er aldus sprake van machtsafwending in hoofde van het commissariaat-generaal, in die zin dat men de Belgische asielprocedure derwijze gebruikt dat ze er niet langer op gericht is om de gerechtvaardigde aanvragen tot politiek asiel te onderzoeken en te beoordelen, maar om de immigratiestromen te beperken (om welke reden dan ook). Hiervoor kan o.m. worden verwezen naar het feit dat haast alle persberichten met betrekking tot het CGVS niet verwijzen naar het inhoudelijk werk van deze instanties, maar louter naar de aantallen van de verwerkte en nieuwe binnengekomen aanvragen, hetgeen in wezen irrelevant is bij de aan hen toevertrouwde taak. De terugleiding van verzoeker naar Iran zou zeer ernstige gevolgen hebben voor zijn fysieke en psychische integriteit, omdat hij in Iran zonder enige twijfel opnieuw bloot zou staan aan vervolging omwille van de bovenvermelde feiten met politieke achtergrond. Het commissariaat-generaal heeft hier ten onrechte geen rekening mee gehouden, en overschrijdt aldus zijn appreciatiebevoegdheid. Bovendien schiet de beslissing aldus tekort wat de motivering ervan betreft (zie punt 3). De bevestigende beslissing tot weigering van verblijf is onvoldoende gemotiveerd, en is louter gebaseerd op een aantal foutieve vaststellingen van zogenaamde bedrieglijke verklaringen, vaagheden ed. Deze kunnen nochtans allemaal perfect worden weerlegd. Verzoeker heeft tijdens de manifestatie wel degelijk de eerste twee zinnen van de pamfletten kunnen lezen, hetgeen hem en zijn echtgenote ertoe bracht om ze snel weg te stoppen, aangezien het om ‘verboden’ pamfletten bleek te gaan. Bij de DVZ verklaarde hij enkel dat hij de precieze, verdere inhoud nooit heeft kunnen lezen. XIV-13.082-3/5 De gerechtelijke oproepingsbrief gericht aan verzoeker werd aan derden bezorgd toen verzoeker zich nog in Iran bevond, maar hij heeft het bestaan ervan pas vernomen nadat hij in België was aangekomen en reeds door de DVZ was verhoord. De reden dat verzoeker besliste om het land te verlaten, lag niet in de oproepingsbrief - die hij op dat moment niet kende - maar in het feit dat hij vernomen had dat hij gezocht werd, dat de agent die hij geslagen had in coma zou liggen en dat hij geen enkel vertrouwen kon stellen in de werking van het Iraans gerechtelijk systeem, zodat hij - terecht - voor zijn leven vreesde. Het klopt dat verzoeker niet exact weet wanneer de convocatie precies toekwam. De concrete vluchtaanleiding van cliënt betreft wel degelijk een voorval dat onder de Conventie van Genève valt, aangezien de feiten voorafgaand aan de slag die verzoeker toebracht aan de agent, duidelijk een ‘opgezet spel’ waren met politieke achtergrond, om verzoeker en zijn echtgenote als deelnemers aan de manifestatie - ofschoon zij in feite slechts passanten waren - in diskrediet te brengen en te vervolgen. Voor elk eventueel mondeling verhoor vraagt verzoeker om de bijstand van een tolk die de Perzische taal machtig is. Ten bewijze van de gestelde feiten legt verzoeker de genummerde en gebundelde stukken over, waarvan hieronder de inventaris wordt opgegeven.”; 2.
  3. Overwegende dat er slechts sprake kan zijn van machtsafwending wanneer een bestuursoverheid de bevoegdheid die haar door de wet is verleend met het oog op het bereiken van een bepaald oogmerk van algemeen belang, gebruikt om een ander doel na te streven en wanneer dit ongeoorloofd oogmerk het enige doel is van de betrokken bestuurshandeling; dat de verzoekende partij met de algemene verwijzing naar persberichten over het aantal asielaanvragen niet aantoont dat de commissaris-generaal bij het nemen van de bestreden beslissing een ongeoorloofd doel heeft nagestreefd, noch dat dit het enige doel is van de bestreden beslissing; dat het middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partij zich beperkt tot het tegenspreken van een aantal gevolgtrekkingen van de commissaris-generaal en tot de bevestiging van haar eigen standpunt dat zij bij een eventuele terugkeer naar Iran zal vervolgd worden omwille van feiten met een politieke grondslag; dat haar betoog betreffende de inhoud van de pamfletten feitelijke grondslag mist nu uit het verhoorverslag van de dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat zij heeft verklaard dat zij de inhoud van de papieren die haar werden toegestoken tijdens de manifestatie niet kende; dat de verzoekende partij de door de commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheid niet weerlegt, doch zich beperkt tot een algemene bewering, zonder deze te staven met concrete elementen; dat zij aldus niet aannemelijk maakt dat de bestreden beslissing is genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid die door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de XIV-13.082-4/5 vestiging en de verwijdering van vreemdelingen aan de commissaris-generaal is gegeven; dat het enige middel ongegrond is;
  4. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  5. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op één maart tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-13.082-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.403 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.