id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.404 Rolnummer: A. 111115/XIV-6837 Zaak: Arrest 141404 - - 01/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-22 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 08:13 Fiche Arrest nr 141.404 van 1 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 141.404 van 1 maart 2005 in de zaak A. 111.115/XIV-
(54)55, nr 4) en uit geen enkel stuk van het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij een bedrieglijk aanvraag tot asiel zou hebben gedaan. Dat zulks immers zou impliceren dat de verzoekende partij gebruik zou hebben gemaakt van bv valse identiteitspapieren of reisdocumenten of van valse of vervalste documenten in het algemeen, of een aanvraag zou hebben gedaan, die valse inlichtingen zou bevatten ofwel essentiële gegevens zou verzwijgen. Dat zulks in casu op geen enkel ogenblik wordt beweerd, laat staan dat het zou bewezen voorkomen en overigens is het gebruik van valse documenten op zichzelf niet eens voldoende om te besluiten tot een bedrieglijke aanvraag (Parl. St. Kamer 1986-87, nr 689:10, 7). Dat in dat verband de bestreden beslissing vermeldt ‘Uit vergelijking van de diverse verhoorverslagen (...) blijkt dat door een aantal tegenstrijdigheden de geloofwaardigheid van uw asielrelaas en deze van uw echtgenoot in het gedrang komt. Deze tegenstrijdigheden weren gedetailleerd opgesomd in de beslissing van uw echtgenoot’. XIV-6837-3/8 Terwijl, de beslissingen dienen gemotiveerd te worden zowel in feite als in rechte en een verwijzing naar een ander dossier ten deze niet volstaat. Dat bedrog niet vermoed wordt en dient bewezen te worden. Dat er overigens absoluut geen tegenstellingen kunnen ontwaard worden tussen de verklaringen van de man en de vrouw. En doordat de bestreden beslissing stelt dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond zou zijn om de volgende reden: ‘Uit uw verklaringen ... blijkt uitdrukkelijk dat u Oekraïns staatsburger bent (paspoort afgeleverd op 17 januari 1998). Bijgevolg dient uw vrees voor vervolging ten opzichte van Oekraïne geëvalueerd te worden. De door u aangehaalde problemen ten aanzien van de Russische Federatie, waar u verbleef van november 1998 tot april 2000 en problemen zou gekend hebben, worden door de commissaris-generaal niet in overweging genomen’. Terwijl, een persoon ook vluchteling kan worden tijdens zijn verblijf buiten zijn land van herkomst. Dat in casu de verzoekende partij en haar man tijdens hun verblijf in Rusland zijn toegetreden tot de Mormoonse kerk en dat zulks geleid heeft tot ernstige moeilijkheden met de plaatselijke autoriteiten, gaande tot een regelrechte foltering door de politie. Dat evenwel de houding van de Oekraïnse autoriteiten ten aanzien van de Mormoonse kerk identiek is en dat deze problematiek bijgevolg ten onrechte niet werd onderzocht door de commissaris-generaal. Dat de verzoekende partij verwijst naar de beginselverklaring van de ‘Ukrainian National Assembly’ (UNA) beweging die dus aan de grondslag lag van de moeilijkheden van de verzoekende partij in Oekraïne en waarin duidelijk staat dat ‘UNA de Orthodoxie verdedigt. Vernietig alle religieuze sekten (Adventisten, Mormonen, Baptisten, etc). Dat de asielaanvraag van de verzoekende partij bijgevolg niet als kennelijk ongegrond kan worden bestempeld, maar dat dit aspect eerst en vooral had dienen onderzocht te worden. En doordat de bestreden beslissing het verwijt maakt aan de verzoekende partij, dat zij is teruggekeerd naar Oekraïne. Terwijl hetgeen toen is gebeurd, alleen maar een bevestiging is van de intolerante houding van de Oekraïnse bevolking in het algemeen en de overheid in het bijzonder ten aanzien van Russen (meer dan 2 miljoen Russen vluchtten uit Oekraïne weg in een jaar tijd), die dan nog behoren tot hetgeen in Oekraïne genoemd wordt ‘een sekte’ in werkelijkheid, de Mormoonse kerkgemeenschap.”; 2.
- Overwegende dat de eerste verwerende partij in haar memorie van antwoord het volgende stelt: “In haar enig middel beroept verzoekster zich op de schending van de artikelen 52 en 62 van de Vreemdelingenwet, van de artikelen 2 en 3 van de Uitdrukkelijke Motiveringswet, van artikel 6 EVRM. Tevens zou er sprake zijn van ‘afwezigheid van redenen’, een manifeste appreciatiefout en schending van de rechten van de verdediging. Verweerder antwoordt dat de bewijslast in deze fase van de procedure bij verzoekster ligt. Daar verzoekster grotendeels verwijst naar het asielverhaal van haar echtgenoot en uit de beslissing van deze laatste blijkt dat zijn asielrelaas bedrieglijk is kan dit argument ook ten aanzien van verzoekster weerhouden worden. Op basis van deze vaststellingen kon verweerder terecht besluiten tot de bedrieglijkheid van de verklaringen. Vermits verzoekster onvoldoende hulp heeft ingeroepen van de Russische autoriteiten of van haar eigen nationale (Oekraïnse) autoriteiten heeft zij nooit de rechtsmiddelen uitgeput die ter hare beschikking stonden. De bewering van verzoekster dat zij ook in Oekraïne zou vervolgd worden omwille van haar Mormoons geloof is zuiver hypothetisch. Het volstaat geenszins daarvoor te verwijzen naar de beginselverklaring van het radicale UNA om deze bewering als een waarheid te beschouwen. De Oekraïnse samenleving bestaat immers uit meer geledingen dan het UNA. Bovendien is het onduidelijk op welke wijze het UNA op de hoogte zou zijn van de activiteiten van verzoekster in Rusland. Verweerder begrijpt de respons van verzoekster op het argument dat zij vrijwillig is teruggekeerd naar Oekraïne geenszins. Dit gegeven ondergraaft immers het feit dat verzoekster een religieuze of nationalistische vervolging vreest in Oekraïne volledig.”; 2.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord zich aansluit bij het verweer van de eerste verwerende partij; XIV-6837-4/8 2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord het volgende toevoegt: “Het is onjuist dat in deze fase van de procedure de bewijslast bij de verzoekende partij zou liggen. Het hangt er natuurlijk vanaf over welke bewijslast men het heeft: in het middel heeft de verzoekende partij het er alleen over dat de bewijslast van de onontvankelijkheid van het asiel duidelijk bij de verwerende partij ligt. Het komt aan de verwerende partij toe te bewzijen dat er bedrog is of dat er een kennelijke ongegrondheid zou bestaan van het asielverzoek. De verzoekende partij voegt bij haar dossier een kaart van de stad Yevpaoria, met daarop de Poesjkinastraat (onderaan links) en het politiebureau, dat tegelijkertijd de plaatselijke gevangenis is, in die zin dat er in de kelder een cellencomplex is. De kaart kan worden teruggevonden op het internet onder de volgende website: www.snezhinsk.ru/asteroids/eng/spe2000/maps.htm. Nogmaals, niet de verzoekende partij moet het bewijs leveren van het niet-bedrog, maar wel de commissaris-generaal van het bedrog, dat immers niet vermoed wordt. In verband met de uitzetting uit het appartement in oktober 1998 verklaarde de echtgenoot van de verzoekende partij dat zulks het gevolg was van een rechterlijke beslissing, terwijl de verzoekende partij daar de nodige uitleg bij gaf, met name dat het appartement destijds ter beschikking werd gesteld door het bedrijf ‘Vympel’ en dat de Rechtbank had beslist dat ze er binnen de 5 dagen weg moesten: waar is de tegenstrijdigheid ? De verzoekende partij wijst er nogmaals op dat er alleen in het dossier van haar echtgenoot sprake is van bedrog en niet in het dossier van de verzoekende partij, die nochtans haar asiel heeft gesteund op net hetzelfde vluchtverhaal. Het bedrog als onontvankelijkheidsgrond, werd dus niet aangehouden in dit dossier. Op het 2de en 3de argument ontwikkeld in het verhaal, met name het feit dat het onvoldoende is te verwijzen naar een beslissing die werd genomen in een ander dossier en het feit dat iemand ook vluchteling kan worden tijdens zijn verblijf buiten het land van herkomst, wordt helemaal niet geantwoord door de verwerende partijen. Dit laatste aspect werd overigens ook niet onderzocht. Wat meer is, de verzoekende partij heeft thans vastgesteld dat de interviews bij de commissaris-generaal in het Frans en zelfs mogelijks in het Engels zijn doorgegaan, zodat de verzoekende partij, na kennisname van het administratief dossier, een nieuw middel ontwikkelt, met name: Schending van de art. 4 van de Grondwet, van de art. 39 e.v. van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken van de artikelen 51/4 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Doordat er stukken vertaald werden naar het Frans (stukken vertaald door de tolk nr. 469) als naar het Engels (tolk nr. 482) en uit het dossier niet blijkt naar welke taal de tolk nr. 352 vertaald heeft, terwijl de hierboven aangeduide wetsbepalingen voorschrijven dat de procedure op straffe van nietigheid (artikel 58 van de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken) diende te verlopen in het Nederlands, nu de verzoekende partij geen taal gekozen had en de minister in het Nederlands in functie van het onderzoek en overeenkomstig het art. 51/4 van de Vreemdelingenwet had bepaald en bijgevolg zowel in de procedure voor de dienst Vreemdelingenzaken als in de procedure voor het commissariaat-generaal uitsluitend deze taal diende gebruikt te worden door de overheidsinstanties. Dat het gebruik van het Engels voor een Belgische administratie als taal van de procedure, ongrondwettelijk is, strijdig is met de wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken en met het hierboven reeds vermelde artikel van de Vreemdelingenwet. Dat de taalwetgeving van openbare orde is en het interview dus nietig is. Het eerste middel is gegrond en het tweede middel, dat van openbare orde is, is ontvankelijk en gegrond.”; 2.
- Overwegende dat artikel 62 van de wet 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent doch betwist dat de gegeven motieven de XIV-6837-5/8 beslissing kunnen dragen; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat het middel l vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 6 mei 1993, die artikel 52 van de Vreemdelingenwet heeft gewijzigd, blijkt dat de asielaanvrager zijn aanvraag moet kunnen staven met een coherent en geloofwaardig verhaal, dus dat hij in zijn land van herkomst verdrukt wordt en bloot staat aan vervolging of foltering (Parl. St., Kamer, 1992-93, nr. 903/5,8); dat de asielaanvrager derhalve altijd moet aantonen dat hij vervolgd wordt; dat dit geen omkering van de bewijslast betekent, maar een afwijzing als de aanvrager geen gegeven aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen zijn voor vervolging (Parl. St.,Senaat, 1992-93, nr. 555-2, 83); Overwegende dat de commissaris-generaal vaststelt dat de verzoekende partij hoofdzakelijk naar België kwam omwille van de problemen van haar echtgenoot; dat, nu ten aanzien van laatstgenoemde reeds een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen en waarvan de onwettigheid niet is gebleken, er ten aanzien van de verzoekende partij evenmin kon worden besloten tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het Internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); dat voorts, daargelaten de vaststelling over de tegenstrijdigheden tussen de verklaringen van de verzoekende partij en haar echtgenoot, de verzoekende partij eraan voorbijgaat dat de commissaris-generaal in de bestreden beslissing van haar echtgenoot enerzijds heeft vastgesteld dat haar echtgenoot niet alle rechtsmiddelen had uitgeput in Oekraïne en, anderzijds, dat de meerderheid van de inwoners in de Krim etnische Russen zijn en de gehele Krim een apart statuut met een eigen regering en parlement heeft, zodat de echtgenoot van de verzoekende partij wel bescherming had kunnen bekomen tegen de agressie van de Oekraïense nationalisten; Overwegende dat de commissaris-generaal door de verwijzing naar onder andere het feit dat de verzoekende partij in november 1999 naar Oekraïne was teruggekeerd om er een appartement te kopen, duidelijk rekening heeft gehouden met de persoonlijke problemen van de verzoekende partij; dat de verzoekende partij echter geen valabele argumenten aanbrengt die de vaststelling van de commissaris-generaal aangaande de impact van deze terugkeer naar Oekraïne voor haar vermeende vrees voor vervolging kunnen ontkrachten; XIV-6837-6/8 Overwegende dat de verzoekende partij aldus niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het enige middel in die mate ongegrond is; Overwegende dat de verzoekende partij in de memorie van wederantwoord met een nieuw middel de schending van een aantal bepalingen opwerpt die betrekking hebben op een voorgehouden onwettige vertaling van bepaalde stukken uit het dossier; dat de verzoekende partij niet aangeeft waarom en derhalve niet aannemelijk maakt dat het haar niet mogelijk zou zijn geweest tijdig inzage van het administratief dossier te krijgen en dit middel in het verzoekschrift tot nietigverklaring op te werpen; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is; Overwegende, wat de aangevoerde schending van de rechten van verdediging betreft, dat de bestreden beslissing geen jurisdictionele, doch een administratieve beslissing is, die niet genomen is in het kader van een tuchtrechtelijke procedure, en dat de rechten van verdediging er daarom niet op van toepassing zijn; dat het door de verzoekende partij ingeroepen artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden enkel van toepassing is op jurisdictionele procedures doch geenszins op administratieve beroepsprocedures zoals een dringend beroep in het kader van de behandeling van een asielaanvraag; dat het middel in die mate niet-ontvankelijk is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-6837-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op één maart tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-6837-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.404 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div