← België

Arrest 141426 - - 01/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.426 Rolnummer: A. 118747/XIV-9278 Zaak: Arrest 141426 - - 01/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-22 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 08:15 Fiche Arrest nr 141.426 van 1 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.426 van 1 maart 2005 in de zaak A. 118.747/XIV-

  1. In zake :
  2. XXX,
  3. XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat H. VAN VRECKOM, kantoor houdende te 1400 NIVELLES, Rue St-André 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, van Russische nationaliteit, op 25 maart 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 22 februari 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 28 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 8 april 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 22 maart 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 mei 2004; XIV-9278-1/5 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. DE CALUWE, die loco advocaat H. VAN VRECKOM verschijnt voor de verzoekende partijen en van attaché G. DESNYDER, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  4. Overwegende dat de verzoekende partijen België binnenkomen, respectievelijk op 3 juli 2000 en op 27 september 2000; dat zij zich respectievelijk op 4 juli 2000 en op 2 oktober 2000 vluchteling verklaren; dat op 28 februari 2001 de minister van Binnenlandse Zaken telkens beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 22 februari 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissingen zijn; 2.1.
  5. Overwegende dat de verzoekende partijen in een eerste middel de schending opwerpen van artikel 63/3, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat zij aanvoeren dat de bevoegdheid van de commissaris-generaal in de ontvankelijkheidsfase beperkt is, dat de aanvrager voorlopig moet worden toegelaten wanneer zich een verder onderzoek opdringt, dat de commissaris- generaal enkel dient na te gaan of de asielaanvraag terecht als kennelijk ongegrond is bestempeld dan wel of de verzoekende partijen gegevens hebben aangebracht die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging, dat niet moet worden onderzocht of de verzoekende partijen een gegronde vrees voor vervolging konden inroepen doch enkel of zij zich in één van de in artikel 52 van de Vreemdelingenwet bepaalde voorwaarden bevonden die toelaten hen uit te sluiten van de procedure, zonder onderzoek ten gronde, dat uit de behandelingstermijn van 30 dagen blijkt dat de ontvankelijkheidsprocedure zich tot een oppervlakkig onderzoek beperkt, dat de verzoekende partijen in casu meer dan acht maanden na hun aanvraag zijn gehoord, dat de behandelende jurist nog eens twee maanden later, op 10 januari 2001 heeft besloten voor verder onderzoek een beroep te doen op het CEDOCA, dat de commissaris-generaal aldus niet onmiddellijk op grond van de voorhanden zijnde gegevens kon besluiten tot het manifest ongegronde karakter van de asielaanvraag doch dit pas heeft besloten na een uitgebreid onderzoek ten gronde, dat de commissaris-generaal de aangebrachte gegevens die wijzen op een gronde vrees voor XIV-9278-2/5 vervolging onvoldoende ernstig heeft bevonden, dat de commissaris-generaal aldus met bevoegdheidsoverschrijding een beslissing na een onderzoek ten gronde heeft genomen die formeel wordt voorgesteld als een beslissing in dringend beroep en dat de verzoekende partij verstoken zijn gebleven van de normale beroepsmiddelen tegen een beslissing ten gronde, met name het beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen; 2.1.
  6. Overwegende dat de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet de commissaris-generaal de mogelijkheid bieden om een bevestigende beslissing te nemen inzake de niet-ontvankelijkheid van een asielaanvraag op basis van de bedrieglijkheid of de kennelijke ongegrondheid ervan; dat een onderzoek in de ontvankelijkheidsfase door de commissaris-generaal, waarbij wordt besloten tot de bedrieglijkheid en/of de kennelijke ongegrondheid van een asielaanvraag noodzakelijkerwijze een vergelijking inhoudt van de verklaringen van de betrokkene met bekende objectieve criteria die op het specifieke geval van toepassing zijn; dat daarbij dient te worden onderzocht of er redelijkerwijze van uit mag worden gegaan dat de feiten die de asielaanvrager naar voren brengt tijdens zijn asielaanvraag, waarachtig zijn en beantwoorden aan de criteria van de Vluchtelingenconventie van Genève; dat indien uit dit onderzoek blijkt dat de verstrekte gegevens niet redelijkerwijze onder de criteria van het Vluchtelingenverdrag zijn te brengen, kan worden besloten tot de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag; dat dit onderzoek echter niet gelijk kan worden gesteld met het onderzoek ten gronde van de asielaanvraag; dat de verzoekende partij met de verwijzing naar de duur van de behandeling van het dringend beroep en het feit dat een vraag betreffende de situatie van de etnische Litouwers in Rusland werd gesteld aan het CEDOKA niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal met de bestreden beslissing de grenzen van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is toegekend, heeft overschreden; dat de gestelde vraag alvorens een beslissing te nemen veeleer van zorgvuldigheid getuigt; dat het verder een feit van algemene bekendheid is dat een toevloed van asielaanvragen heeft geleid tot een achterstand in de behandeling, zodat uit het lange tijdsverloop alvorens een beslissing wordt genomen niet kan worden afgeleid dat al die tijd effectief aan het onderzoek van die zaak werd besteed; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.
  7. Overwegende dat de verzoekende partijen in een tweede middel de schending opwerpen van de artikelen 52 en 62 van de Vreemdelingenwet en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat de verzoekende partijen aanvoeren dat uit de bestreden beslissing geen bedrog noch een kennelijk ongegrond karakter van de asielaanvragen blijken, dat met betrekking tot de voorgehouden bedrieglijkheid, in de bestreden beslissingen enkel wordt gesteld dat de aangehaalde vrees voor vervolging niet overeenstemt met de informatie van de commissaris-generaal, dat eerdere problemen onvoldoende ernstig zouden zijn en dat de verzoekende partijen zouden hebben nagelaten de hulp van de Russische overheid in te XIV-9278-3/5 roepen, dat, met betrekking tot het kennelijk ongegrond karakter, in de bestreden beslissingen de moord op de moeder van de tweede verzoekende partij en de broodroof, bedreigingen en eerdere vluchtpogingen niet worden weerlegd met de verwijzing naar algemene informatie, dat de verzoekende partij bovendien zelf andere informatie van algemene aard hadden ingeroepen waarop in de bestreden beslissing wordt geantwoord dat deze geen betrekking heeft op de verzoekende partijen persoonlijk en dat er dus geen feitelijke ondersteuning van de twee rechtsgronden is; 2.2.
  8. Overwegende dat artikel 62 van de Vreemdelingenwet betrekking heeft op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent en die motieven inhoudelijk aanvecht; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht opwerpt en dat het middel vanuit dit standpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat de verzoekende partijen niet ingaan op de vaststellingen dat zij als personen van Russische origine staan geregistreerd, dat zij, na de feiten tot juni 1993, geen problemen hebben gekend tot mei 1997 en dat zij geen initiatief hebben genomen om de bescherming van de Russische autoriteiten hebben ingeroepen; dat er geen tegenstrijdigheid bestaat tussen de beoordeling van de informatie van de commissaris-generaal betreffende de situatie van de Litouwers en de informatie van de verzoekende partijen daaromtrent; dat de commissaris-generaal immers rekening kan houden met objectieve informatie betreffende de algemene situatie in het land van herkomst en daarbij van oordeel kan zijn dat het tegendeel niet wordt bewezen door andere informatie van algemene aard, waarmee niet wordt aangetoond dat de situatie van de verzoekende partijen zelf anders zou zijn dan deze die blijkt uit de algemene informatie van de commissaris-generaal; dat de verzoekende partijen aldus niet aannemelijk maken dat de bestreden beslissingen zijn genomen op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid waarover de commissaris-generaal krachtens de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet beschikt; dat het tweede middel ongegrond is;
  9. Overwegende dat de verzoekende partijen geen gegrond middel tot nietigverklaring hebben aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het XIV-9278-4/5 grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op één maart tweeduizend en vijf, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-9278-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.426 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.