← België

Arrest 141457 - - 02/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.457 Rolnummer: A. 116071/XIV-8319 Zaak: Arrest 141457 - - 02/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-15 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 08:15 Fiche Arrest nr 141.457 van 2 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.457 van 2 maart 2005 in de zaak A. 116.071/XIV-8319. In zake : 1. XXX, 2. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat D. MONFILS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Eedgenotenstraat 51 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, beide van Mongoolse nationaliteit, op 25 januari 2002 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 18 januari 2002 tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 19 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 30 januari 2002 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 5 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 februari 2005; XIV-8319-1/6 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. HAEGEMANS die, loco Advocaat D. MONFILS verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché L. VANDERVOORT, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. XXX en XXX, beide van Mongoolse nationaliteit, zijn op 30 augustus 1999 in België aangekomen en hebben zich vluchteling verklaard op 8 september 1999. 1.2. Op 19 december 2000 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.3. Op 18 januari 2002 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissingen tot bevestiging van de beslissingen van de Minister van Binnenlandse Zaken van 19 december 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. De motivering van de beslissing ten aanzien van verzoeker luidt als volgt : “(...) Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 08.11.2001 op uw gekozen woonplaats. (...).”. XIV-8319-2/6 De motivering van de beslissing ten aanzien van verzoekster luidt als volgt : “(...) Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 08.11.2001 op uw gekozen woonplaats. (...).”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.1. Overwegende dat verzoekers als eerste middel aanvoeren : “-Eerste middel: schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Verzoeker werpt een eerste middel op wegens schending van het motiveringsbeginsel en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van administratieve akten en het artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen.

  1. a)Eerste deel van het middel: Volgens J. Salmon, “une décision administrative est dépourvue de base juridique (et est par conséquent entachée d'un vice de motivation) lorsque celle sur laquelle a cru pouvoir se fonder l'autorité administrative était inapplicable en l'espèce” (J. Salmon, Le Conseil d'Etat, Bruylant, 1994, tome I, p. 474). In casu heeft het Commissariaat-Generaal haar beslissing uitdrukkelijk gegrond op artikel 52 (paragraaf 2, alinéa 4) van de wet van 15 december 1980. Dit artikel kan in casu nochtans niet worden toegepast, daar het slechts betrekking heeft op de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn aangestelde (cfr : “de Minister die de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onder zijn bevoegdheid heeft...”) en geenszins op het Commissariaat- Generaal. De Commissaris Generaal is niet de aangestelde van de Minister van Binnenlandse Zaken en handelt in volledige onafhankelijkheid, overeenkomstig artikel 57-2 van de wet van 15 december 1980. De bepalingen, welke toepasselijk zijn op zijn handeling, bevinden zich niet in artikel 52 van de wet, maar wel verder in de wet. De aangevochten beslissing is aldus manifest aangetast door een eerste schending van het motiveringsbeginsel (motieven naar recht).
  2. b)Tweede deel van het middel Verzoeker verwijt het Commissariaat Generaal tenslotte zijn beslissing op artikel 52 van de wet van 15 december 1980 gebaseerd te hebben, zonder verder te verduidelijken welk van de onderdelen van dit erg lang artikel van toepassing is in concreto. Welnu, dit artikel omvat ongeveer twintig verschillende toepassingsgevallen - zodat het noodzakelijk is te specifiëren welk van toepassing is, opdat een lezer die buitenstaander is de betwiste beslissing zou begrijpen. Het Commissariaat Generaal was tot voor kort trouwens duidelijker in zulke zaken, waarbij het met meer precisie artikel 52.2.4 van de wet beoogde.”; XIV-8319-3/6 2.1.2.1. Overwegende dat artikel 63/3 van de Vreemdelingenwet de bepalingen bevat met betrekking tot de inrichting van een georganiseerd administratief beroep; dat dit artikel echter nergens uitdrukkelijk de gronden opsomt waarop de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bij dringend beroep de bestreden beslissing kan bevestigen of kan beslissen dat verder onderzoek noodzakelijk is; dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bij de beoordeling in dringend beroep dezelfde beoordelingsbevoegdheid heeft als die waarover de gemachtigde van de Minister in eerste aanleg beschikt; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beslissing kan steunen op de in artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) bepaalde onontvankelijkheidsgronden; 2.1.2.2. Overwegende dat volgens verzoekers de bestreden beslissing de motiveringsplicht schendt omdat ze niet specifieert welk onderdeel van artikel 52 van de Vreemdelingenwet van toepassing is; dat uit de eenvoudige lezing van de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn beslissing baseert op de overweging dat verzoekers “zonder geldige reden geen gevolg heeft gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 08/11/01 op de door u gekozen woonplaats.”; dat verzoekers de reden van de bevestigende beslissingen kennen, zodat het doel van de motiveringsplicht bereikt is; dat bovendien uit de ontwikkeling van het middel blijkt dat verzoekers zeer goed weten dat de bestreden beslissingen steunen op artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.1. Overwegende dat verzoekers als tweede middel aanvoeren : “- Tweede middel: schending van het motiveringsbeginsel en meer bepaald van de wet van 29 juli 1991 met betrekking tot de formele motivering van administratieve handelingen en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 over de toegang op het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en schending van de artikelen 52.2.4 van de wet van 15 december 1980, in zoverre dat de betwiste beslissing een ongeschikte interpretatie van dit artikel gebruikt, waar ze de weigering van het verblijf automatisch afleidt uit de afwezigheid van een antwoord op een vraag tot inlichtingen of van een reactie op een oproeping Verzoeker brengt een tweede middel naar voor dat tegelijkertijd gebaseerd is op de schending van het motiveringsbeginsel (met name van de wet van 29 juli 1991 met betrekking tot de formele motivering van administratieve handelingen en van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 over de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen) en van het artikel 52 van de voornoemde wet. Wanneer men de beslissing leest, lijkt inderdaad dat het in de geest van de overheid die tegenpartij is zeer duidelijk is dat de afwezigheid van enig antwoord op een vraag tot inlichtingen binnen de termijn van een maand of de afwezigheid van reactie op een oproeping, de weigering van de hoedanigheid van politiek vluchteling tot onmiddellijk gevolg heeft. XIV-8319-4/6 De termen die gebruikt worden door de overheid die tegenpartij is, laten inderdaad geen enkele twijfel op dit vlak bestaan (Cfr “U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven ...”) Het gaat hier echter om een fout begrip van het artikel 52 van de wet van 15 december 1980 over de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen en bijgevolg om een foute toepassing van een rechtsregel, namelijk nog om een foute motivering op juridisch vlak. Dit artikel voorziet wel degelijk dat “de Minister kan beslissen dat de vreemdeling ...” (artikel 52.2.4). Het feit dat de wetgever het woord “kan” gebruikt, bewijst dus wel degelijk dat de wetgever niet op automatische wijze de afwezigheid van inlichtingen wenst te sanctioneren met het ontzeggen van de hoedanigheid van vluchteling. Door een motivering te gebruiken die nochtans toelaat zich zulk automatisme in te denken, ter ondersteuning van haar beslissing en door er bovendien een stijlclausule van te maken die systematisch hernomen wordt in al haar beslissingen, heeft de overheid niet alleen een te ruime opvatting aan de rechtsregel gegeven en heeft ze de betekenis ervan niet gerespecteerd, maar heeft ze haar beslissing bovendien met een schending van het motiveringsbeginsel aangetast.”; 2.2.2.1. Overwegende dat verzoekers de schending van de uitdrukkelijke motiveringsplicht aanvoeren; dat volgens verzoekers de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een verkeerde toepassing maakt van artikel 52 van de Vreemdelingenwet omdat de afwezigheid van enig antwoord op een vraag tot inlichtingen of de afwezigheid van reactie op een oproeping niet automatisch gesanctioneerd dient te worden met het ontzeggen van de hoedanigheid van vluchteling; 2.2.2.2. Overwegende dat, ingeval de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen gehinderd wordt bij de uitvoering van zijn opdracht door verzoekers (door het niet antwoorden of niet verschijnen), hem geen enkele andere mogelijkheid rest dan de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat, overeenkomstig artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet de Minister of diens gemachtigde kan beslissen dat de vreemdeling die het Rijk binnengekomen is zonder te voldoen aan de in artikel 2 gestelde voorwaarden, die zich vluchteling verklaart en vraagt als dusdanig erkend te worden, niet toegelaten zal worden in die hoedanigheid in het Rijk te verblijven : “(...) 4/ wanneer de vreemdeling, binnen een maand na de verzending geen gevolg heeft gegeven aan een oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan opgeven; (...).”; dat de bestreden beslissingen correct zijn gebaseerd op dit artikel; dat de bestreden beslissingen afdoende zijn gemotiveerd; dat het tweede middel niet gegrond is, XIV-8319-5/6 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twee maart tweeduizend en vijf, door : de H. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, Mevr. K. LIEVENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, K. LIEVENS. A. BEIRLAEN. XIV-8319-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.457 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.