← België

Arrêt 141511 - Office des étrangers - 02/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.511 Rolnummer: A. 159735/E-22041 Zaak: Arrêt 141511 - Office des étrangers - 02/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-02 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-07-02 08:52 Versie(s): Fiche Arrest nr 141.511 van 2 maart 2005 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE Nr. 141.511 van 2 maart 2005 A. 159.735/G-81 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Mr. K. TRIMBOLI, advocaat, Munthofstraat 135 1060 Brussel, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. DE RAAD VAN STATE, ALGEMENE VERGADERING VAN DE AFDELING ADMINISTRATIE, Gezien de vordering die XXX op 4 februari 2005 heeft ingesteld om met toepassing van de procedure van uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te verkrijgen van de hem op 2 februari 2005 ter kennis gebrachte beslissing van 21 januari 2005 waarbij de Minister van Binnenlandse Zaken zijn aanvraag om een machtiging tot verblijf als student niet-ontvankelijk verklaart, alsook van het terzelfder tijd ter kennis gebracht bevel van 25 januari om het grondgebied te verlaten; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de nietigverklaring van dezelfde beslissing vordert; Gezien het administratief dossier, Gelet op de beschikking van 11 februari 2005, waarbij de zaak, verwezen wordt naar de algemene vergadering van de afdeling Administratie, overeenkomstig het advies dat op 10 februari 2005 is uitgebracht door de heer R - G-81 - 1/6 Ph. BOUVIER, auditeur-generaal van de Raad van State, met toepassing van artikel 92, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Gelet op de beschikking van 11 februari 2005, waarvan aan de partijen kennis is gegeven en waarbij de terechtzitting van de algemene vergadering wordt bepaald op 22 februari 2005 om 11 uur; Gehoord het verslag van de heer LEROY, kamervoorzitter, Gehoord de opmerkingen van Mr. CASTIAU, loco Mr. K. TRIMBOLI, advocaat, die voor de verzoekende partij verschijnt, en van Mr. F. MOTUSLKY, advocaat, die voor de verwerende partij verschijnt; Gehoord het eensluidend advies van de heer BOUVIER, auditeur- generaal van de Raad van State; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij naar eigen zeggen sedert 2001 onregelmatig in België verblijft; dat zij op 10 december 2002 en op 12 september 2003 met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen aanvragen om machtiging tot verblijf heeft ingediend; dat zij op 30 september 2004 een "reactivering" van haar aanvraag om een machtiging tot verblijf heeft ingediend, waarin de artikelen 9, derde lid, en 58, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, artikel 2 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, en de circulaire van 19 februari 2003 worden aangevoerd; dat de verwerende partij bij de bestreden beslissing, genomen op 21 januari 2005, de aanvraag om een machtiging tot verblijf gebaseerd op artikel 58, § 3, van de wet van 15 december 1980 onontvankelijk heeft R - G-81 - 2/6 verklaard, en de verzoekende partij een bevel heeft gegeven om binnen vijf dagen het grondgebied te verlaten; dat die beslissingen op 2 februari 2005 ter kennis van de verzoekende partij zijn gebracht; Overwegende dat de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid afwijkt van het gemeen recht; dat ze de uitoefening van de rechten van verdediging, die nochtans de sluitsteen vormt van een billijk proces, tot een minimum herleidt; dat ze het lid van het auditoraat niet in de mogelijkheid stelt de zaak echt te onderzoeken, dat zij de beide partijen het voordeel van het dubbel onderzoek van het verzoekschrift ontneemt en hen aldus belet om met kennis van zaken aan de administratieve rechter een doordachte uiteenzetting te geven; dat daarom het gebruik van die procedure uitzonderlijk moet blijven; Overwegende dat de procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid alleen kan worden toegestaan wanneer is voldaan aan de voorwaarde bepaald in artikel 8, § 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, die luidt: "Als de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, bevat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen"; dat de vereiste uiteenzetting, wil ze deugdelijk zijn, het bewijs moet bevatten dat een gewone schorsingsprocedure de realisatie van het aangevoerde ernstig nadeel niet op doeltreffende wijze zal kunnen beletten en zulks rekening houdend met de door artikel 9, tweede lid, 6/ van het genoemde koninklijk besluit van 9 juli 2000 aan de betrokkene verleende mogelijkheid om hangende dat geding, volgens de procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid een vordering tot het bevelen van voorlopige maatregelen in te stellen, in welk geval de beide vorderingen dan overeenkomstig artikel 12 van hetzelfde besluit tezamen onderzocht worden; dat binnen het bestaande wettelijk kader, dat geen schorsende werking verleent aan de vordering tot schorsing; deze -in voorkomend geval samen toe te passen- reglementaire bepalingen aan een verzoekende partij een zo volledig R - G-81 - 3/6 mogelijke rechtsbescherming verleent; dat het vereiste dat artikel 8, § 1, eerste lid, van het genoemde koninklijk besluit van 9 juli 2000 strikt nageleefd moet worden, des te minder als een onaanvaardbare beperking van het recht op een daadwerkelijke rechtsbescherming kan worden gezien, daar de verwerping van een vordering tot schorsing om de loutere reden dat de aangevoerde dringende noodzakelijkheid niet aangetoond is, de verzoekende partij niet belet een vordering tot schorsing van dezelfde beslissing in te dienen volgens de gewone procedure en later, in voorkomend geval, gebruik te maken van het mechanisme bepaald in artikel 12 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000; Overwegende dat de verwerende partij niet systematisch blijkt na te gaan of de afgegeven bevelen om het grondgebied te verlaten daadwerkelijk worden uitgevoerd, behalve in uitzonderlijke gevallen waarin er een dwangmaatregel aan wordt gekoppeld met het oog op de repatriëring; dat in die omstandigheden de loutere verwijzing naar het afgegeven bevel om het grondgebied te verlaten niet volstaat om het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid aan te tonen; Overwegende dat de verzoekende partij ter adstructie van haar vordering de uiterst dringende noodzakelijkheid als volgt toelicht: "Aangezien de uiterst dringende noodzakelijkheid vaststaat voorzover het beroep gericht is tegen het bevel om het grondgebied uiterlijk binnen vijf dagen na de kennisgeving te verlaten; Dat zulks betekent dat verzoeker vanaf 7 februari 2005 op ieder moment opgepakt kan worden om naar zijn land te worden teruggestuurd, en daartoe kan worden vastgehouden; Dat hij daardoor het voordeel van het onderzoek van zijn aanvraag op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 zou verliezen;" Overwegende dat, in het onderhavige geval, de verzoekende partij niet aanvoert dat tegen haar een dwangmaatregel is uitgevaardigd met het oog op haar repatriëring; dat de loutere vrees dat de bestreden beslissing op ieder ogenblik uitgevoerd kan worden het bewijs niet bevat dat over een schorsing van het bevel om het grondgebied te verlaten volgens de gewone procedure slechts uitspraak zal worden gedaan nadat de verzoekende partij daadwerkelijk verwijderd is; dat de uiterst dringende noodzakelijkheid niet bewezen is, R - G-81 - 4/6 BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing volgens de procedure van de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel 2. Dit arrest zal per fax ter kennis worden gebracht. Artikel 3. De beslissing over de kosten wordt in beraad gehouden. Aldus uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting, op twee maart tweeduizend en vijf door de algemene vergadering van de afdeling Administratie van de Raad van State, samengesteld uit: de HH. R. ANDERSEN, voorzitter van de Raad van State, J.-CL. GEUS, kamervoorzitter, Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, M. LEROY, kamervoorzitter, J. MESSINE, kamervoorzitter, R. STEVENS, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. O. DAURMONT, staatsraad, de HH. J. BOVIN, staatsraad, P. LEWALLE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. S. GEHLEN, staatsraad, de HH. J. VANHAEVERBEEK, staatsraad, R - G-81 - 5/6 G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, P. NIHOUL, staatsraad Mevr. C. DEBROUX, staatsraad, de Hr. C. ADAMS, staatsraad, Mevr. D. LANGBEEN, hoofdgriffier, De Hoofdgriffier, De Voorzitter, D. LANGBEEN R. ANDERSEN R - G-81 - 6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.511 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.