id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.564 Rolnummer: Zaak: Arrest 141564 - - 03/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-09 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 08:18 Fiche Arrest nr 141.564 van 3 maart 2005 - Beslissing : Bevolen Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.564 van 3 maart 2005 in de zaken A. 156.794/XII-
- A. 156.795/XII-
- In zake : Paul VANDENDAELE, die woonplaats kiest bij advocaat R. Bernard, kantoor houdende te De Pinte, Hemelrijkstraat 1 tegen : de STAD GENT. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Paul Vandendaele op 22 oktober 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 26 augustus 2004 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent tot goedkeuring van het agendapunt “Dienst Administratie - Personeel - Structurele reformatie van de opleidingsvormen OV1 en OV2 van het Instituut Bert Carlier - Krevelstraat 20 - 9000 Gent” (zaak A.156.794/XII-4289); Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien het verzoekschrift dat Paul Vandendaele op 22 oktober 2004 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 28 september 2004 van de gemeenteraad van de stad Gent waarbij hij wordt geaffecteerd als adjunct-directeur aan het GITO, vestigingsplaats Jozef Crickstraat 61 - 9040 Sint-Amandsberg, met behoud van graad en wedde (zaak A.156.795/XII-4290); Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoeker de nietigverklaring vordert van hetzelfde raadsbesluit; Gezien het administratief dossier in de beide zaken; XII-4289-1/7 Gezien de verslagen opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de kennisgeving van de verslagen aan partijen; Gelet op de beschikkingen van 31 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 februari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat R. Bernard, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat H. Vermeire, die loco advocaat P. Devers verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord, in de zaak A.156.794/XII-4289, het andersluidend advies en, in de zaak A.156.795/XII-2490, het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker onderdirecteur is bij het stedelijk instituut voor buitengewoon secundair onderwijs, instituut Bert Carlier, van de stad Gent; dat naar aanleiding van een aantal problemen, gemeld door de vertrouwenspersoon van het stedelijk onderwijsdepartement, en na een aantal gesprekken met sommige betrokkenen, het OVSG (Onderwijssecretariaat van de steden en gemeenten van de Vlaamse Gemeenschap vzw) door verwerende partij wordt gevraagd om een onafhankelijk onderzoek, een analyse van de situatie op de school en een advies om de in het instituut gerezen problemen op te lossen; dat na kennisname van voornoemd advies, het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent op 26 augustus 2004 zijn goedkeuring stempelt op het agendapunt “Dienst Administratie - Personeel.- Structurele reformatie van de opleidingsvormen OV1 en OV2 van het Instituut Bert Carlier - Krevelstraat 20 - 9000 Gent”, waarin onder meer te lezen staat dat “wordt voorgesteld om de heer Paul Vandendaele per 1 september 2004 te werk te stellen in een gelijkwaardige betrekking met behoud van functietitel en de daaraan verbonden wedde” en dat zijn functie in het instituut Bert Carlier tijdelijk waargenomen zal worden door een vervanger met het oog op het “uitklaren posities en functies”, hetgeen “behelst”: “het nemen van een aantal XII-4289-2/7 structurele maatregelen”, verzoeker “afschrift te geven van het verslag van OVSG” en verzoeker te horen om “samen te zoeken naar een gelijkwaardige opdracht”; dat dit de in de eerste zaak bestreden beslissing is; dat vervolgens tussen verzoeker en verwerende partij daadwerkelijk meerdere gesprekken plaatsvinden en ook briefwisseling wordt gevoerd; dat de gemeenteraad van de stad Gent uiteindelijk op 28 september 2004 beslist om verzoeker te affecteren als adjunct-directeur aan het GITO, vestigingsplaats Jozef Crickstraat 61 - 9040 Sint-Amandsberg, met behoud van graad en wedde; dat dit de in de tweede zaak bestreden beslissing is; Overwegende dat het wegens de onderlinge samenhang tussen de in beide zaken bestreden maatregelen passend voorkomt de vorderingen samen te voegen en er met een arrest uitspraak over te doen; dat, meer nog, de aard van die onderlinge samenhang in de huidige stand van de procedure zo wordt begrepen dat de in de eerste zaak bestreden beslissing slechts een principiële goedkeuring behelst van de doorlichting door het OVSG alsmede het voornemen om een aantal, niet nader gespecificeerde noch geconcretiseerde structurele maatregelen te nemen, en wat meer bepaald verzoekers rechtspositionele toestand betreft geen eindbeslissing is die reeds op zichzelf rechtsgevolgen sorteert, maar slechts een aan de in de tweede zaak bestreden beslissing voorafgaande en voorbereidende handeling; dat immers de goedkeuring van het bedoelde agendapunt, zo lijkt, enkel inhoudt dat “wordt voorgesteld” om verzoeker elders te werk te stellen en een beslissing om hem te horen ten einde nog te pogen, “samen te zoeken” naar een andere opdracht; dat in de huidige stand van de procedure ambtshalve wordt aangenomen dat de vordering in de eerste zaak niet ontvankelijk is; dat die vaststelling overigens niet uitsluit, zo lijkt, dat een eventuele onwettigheid die het bestuur zou hebben begaan bij het nemen van bedoelde beslissing kan uitstrekken tot het in de tweede zaak getroffen besluit; dat immers de gemeenteraad zijn besluit om verzoeker een nieuwe tewerkstelling te geven in essentie steunt op het collegebesluit en op het, bijgevolg aan beide besluiten ten grondslag liggende, OVSG-advies; dat hierna enkel nog de tweede zaak wordt onderzocht; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; XII-4289-3/7 Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat uit de motivering van de bestreden maatregel blijkt dat de overplaatsing is gesteund op het als zware tekortkomingen aangerekend persoonlijk gedrag van verzoeker, met name op “mogelijke onenigheden en vermeende pesterijen die zich onder leiding van [verzoeker] hebben voorgedaan”, wat volgens het in de considerans van het raadsbesluit vermeld OVSG-advies refereert aan “het gedrag en de leiderschapsstijl” van verzoeker die als “een groot knelpunt” worden beschreven en aan zijn eigen “gedrag als intimiderend, pestend, bedreigend, mobbing”, reden waarom een klacht in het kader van de wetgeving op de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk “in de informele bemiddelingsfase [zit]”; dat een dergelijke maatregel slechts kan worden genomen nadat dit personeelslid de gelegenheid heeft gekregen om op een nuttige wijze zijn standpunt over de feiten en de voorgenomen maatregel naar voren te brengen; dat verzoeker in het derde middel van zijn verzoekschrift aanvoert dat hem die gelegenheid precies niet is gegeven en dat daardoor ook het motiveringsbeginsel is geschonden; dat hij onder meer toelicht dat de bestreden beslissing “in haar motieven ten volle verwijst naar de beslissing die op 26.08.2004 door het college van burgemeester en schepenen werd genomen”, “stopt op de feiten die tot en met de datum van 09.09.2004 hebben plaatsgegrepen” en “slechts fragmentarisch [verwijst] naar de standpunten die door verzoeker aan de verwerende partij werden meegedeeld”; dat hij uiteenzet dat verwerende partij zich “heeft laten (mis)leiden door feiten die in het verslag en de analyse van het O.V.S.G. werden weerhouden, maar die in realiteit een totaal foutief en onwaar karakter hebben” en dat de klacht in het kader van de wet op de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk hem niet bekend is; Overwegende dat verzoeker weliswaar niet ernstig kan beweren van het bestaan van een klacht geen weet te hebben; dat dit immers wordt vermeld in het OVSG-verslag dat hem met een 26 augustus 2004 gedateerd, aangetekend schrijven ter kennis is gebracht; dat hij naderhand en vóór het bestreden besluit ook meermaals de gelegenheid heeft gekregen om zijn standpunt naar voren te brengen in een onderhoud met verwerende partij, met name op 1, 9 en 15 september 2004 en in de tussendoor en erna gevoerde briefwisseling; dat evenwel uit de notulen van die vergaderingen blijkt dat verzoeker steeds verzocht heeft om concrete informatie te krijgen over het aan hem aangewreven gedrag dat een overplaatsing zou kunnen verantwoorden, ten einde zich er tegen te kunnen verweren; dat verwerende partij misschien terecht heeft geantwoord dat de interviews in het kader van de XII-4289-4/7 zogenaamde pestwetgeving vertrouwelijk zijn; dat het feit blijft dat verwerende partij aan verzoeker op geen enkele wijze enig concreet inzicht heeft gegeven over de tenlasteleggingen, opdat hij er zich nuttig tegen kon verweren; dat zij in de huidige procedure geen nota heeft neergelegd en ook ter terechtzitting op het middel niet repliceert; dat zij voor de Raad geen poging onderneemt om te duiden -en de Raad het ook niet spontaan ziet- hoe verzoeker de verwijten aan zijn adres op nuttige wijze heeft kunnen tegenspreken en aldus zijn standpunt in de zaak aan de gemeenteraad kenbaar maken; Overwegende voorts dat de gemeenteraad blijkens de motivering van zijn besluit niettemin in wezen heeft gesteund op de conclusies van het OVSG- verslag, waarvan verzoeker precies de correctheid wil kunnen bestrijden; dat verzoeker ook terecht vaststelt dat de bestreden beslissing geen melding maakt van -en dus geen rekening lijkt te houden met- de notulen van het onderhoud met verzoeker op 15 september 2004 of de latere briefwisseling; dat de gemeenteraad niet verantwoordt waarom hij het OVSG-advies wel bijvalt en bijgevolg de door verzoeker betwiste feiten -die de gemeenteraad prima facie niet zelf in ogenschouw heeft genomen- voetstoots als voldoende deugdelijk en vaststaande meent te kunnen beschouwen; dat in de concrete omstandigheden van de zaak een loutere verwijzing in de considerans naar de analyse van het OVSG niet voldoende lijkt om tot een zorgvuldig gemotiveerde besluitvorming te komen; Overwegende dat verwerende partij de beide in het middel aangevoerde beginselen prima facie en in de aangegeven mate veronachtzaamd heeft, zodat het middel ernstig is; Overwegende dat verzoeker in het inleidend verzoekschrift “wenst te benadrukken [...] dat de verwerende partij in het verleden tot tweemaal toe ook beslissingen in hoofde van zijn persoon heeft genomen, dewelke telkenmale verdoken tuchtmaatregelen bleken te zijn”; dat hij verwijst naar de arresten nr. 48.940 van 5 juli 1994, nr. 50.291 van 22 november 1994, nr. 82.449 van 28 september 1999 en nr. 86.839 van 19 april 2000; dat hij dan, wat de tweede schorsingsvoorwaarde betreft, verwijst naar de lasterlijke aantijgingen die hij als foutief tot vals bestempelt, naar de publieke vernedering en naar het feit dat ze onherstelbaar een onmiddellijke weerslag hebben op zijn zelfrespect en werkvoldoening evenals op de achting van het publiek en de collega’s; dat hij toelicht gedurende twintig jaar ononderbroken op dezelfde school de functie van XII-4289-5/7 onderdirecteur te hebben uitgeoefend met een onbesproken reputatie, vlekkeloos carrièreverloop en gunstige tot zeer gunstige evaluatieverslagen; dat hij opmerkt uit de school te worden verwijderd juist op basis van een beweerde bijzonder negatieve reputatie, die hij ook zal meebrengen ten aanzien van de nieuwe school waar hij is overgeplaatst; Overwegende dat verwerende partij, die als gezien geen nota heeft neergelegd, ter terechtzitting enkel opmerkt dat het ingeroepen nadeel moet worden gerelativeerd omdat verzoeker zijn graad en wedde behoudt; dat verzoeker evenwel op het bijzonder krenkende morele nadeel steunt dat de bestreden beslissing hem berokkent; dat dit in de gegeven omstandigheden van de zaak niet kan worden gerelativeerd; dat immers precies de aard van de klacht die tot de bestreden beslissing heeft geleid en waarvan verzoeker niets meer weet dan dat hem intimidatie, mobbing of pestgedrag zou worden verweten, in de concrete omstandigheden aan verzoeker een negatief aureool bezorgt waardoor hij zich terecht vernederd kan achten door de bestreden beslissing die hem na twintig jaar dienst als onderdirecteur op dezelfde locatie verwijdert uit die specifieke betrekking zonder dat hij weet wat er hem precies verweten wordt én zonder dat hij die verwijten heeft kunnen pogen te keren; dat aan de besproken schorsingsvoorwaarde eveneens is voldaan, BESLUIT: Artikel
- De zaken A. 156.794/XII-4289 en A. 156.795/XII-4290 worden voor wat de vordering tot schorsing betreft gevoegd. Artikel
- De vordering tot schorsing in de zaak A. 156.794/XII-4289 wordt verworpen. XII-4289-6/7 Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van het besluit van 28 september 2004 van de gemeenteraad van de stad Gent waarbij Paul Vandendaele wordt geaffecteerd als adjunct-directeur aan het GITO, vestigingsplaats Jozef Crickstraat 61 - 9040 Sint-Amandsberg, met behoud van graad en wedde. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vorderingen tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie maart 2005, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-4289-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.564 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.