← België

Arrest 141596 - - 04/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.596 Rolnummer: A. 138309/VII-34042 Zaak: Arrest 141596 - - 04/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-30 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 08:19 Fiche Arrest nr 141.596 van 4 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 141.596 van 4 maart 2005 in de zaak A. 138.309/XIV-15.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat P. ROBERT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX (alias: XXX), geboren op 15 april 1967 en van XXX nationaliteit, op 18 juli 2003 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 21 februari 2003 houdende uitsluiting van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 29 juni 2003 van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken, beide beslissingen aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 20 juni 2003; Gelet op de beschikking van 28 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het voorlopig advies opgemaakt door Auditeur M. STERCK; Gelet op de kennisgeving van dat voorlopig advies aan de partijen; XIV- 15.667 -1/5 Gelet op de beschikking van 18 oktober 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 15 december 2004 om 14.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. ROBERT, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat voor het feitenrelaas wordt verwezen naar het Auditoraatsverslag. Dat de feiten volledig en correct worden weergegeven op bladzijde 2 tot en met 4 van dit verslag, die bij deze als uitdrukkelijk herhaald worden beschouwd.
  3. Overwegende dat de eerste bestreden beslissing als volgt luidt: “(...) De Minister van Binnenlandse Zaken, Gelet op de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, inzonderheid de artikelen 5 en 14; Gelet op het artikel 8 van het Europese Verdrag ter Vrijwaring van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden; Gelet op de aanvraag tot regularisatie ingediend op 24 januari 2000 door de zich noemende XXX, geboren op 15 april 1967 te B. van XXX nationaliteit, alias XXX, geboren op 15 april 1967 te B. van XXX nationaliteit; Overwegende dat voor deze aanvraag het criterium

(4)werd aangevoerd; Overwegende dat betrokkene zich op 11 mei 1994 vluchteling verklaarde en dat het Commissariaat-generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen op 27.06.1994 een bevestigende beslissing nam van weigering van verblijf met bevel het grondgebied te verlaten, hem betekend, via de post, op 27.06.1994; Overwegende dat betrokkene op 15.09.1998 een aanvraag deed tot machtiging van verblijf op basis van artikel 9, 3 van de wet van 15.12.1980 welke op 21.09.1998 werd geweigerd; Overwegende dat hij zich op 30.10.1998 voor een tweede maal vluchteling verklaarde en dat de Dienst Vreemdelingenzaken op 17.11.1998 weigert de aanvraag in behandeling te nemen, beslissing hem rechtstreeks betekend; Overwegende dat betrokkene zich op 10.12.1998 voor de derde maal vluchteling verklaarde en dat de Dienst Vreemdelingenzaken weigert de aanvraag in behandeling te nemen, beslissing hem rechtstreeks betekend; Overwegende dat hij op 22.02.1999 een aanvraag deed tot machtiging van verblijf op basis van artikel 9, 3 van de wet van 15.12.1980; Overwegende dat betrokkene uit hoofde van valsheid in geschriften door een privé persoon; gebruik van deze valsheid; heling van voorwerpen verkregen door middel van een misdaad of wanbedrijf en poging tot oplichting op 30 juni 1998 door het Hof van beroep te Gent werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 2 jaar; Overwegende dat uit de voorgaande feiten blijkt dat hij, door zijn persoonlijk gedrag, de openbare orde heeft geschaad; Overwegende dat de zeer ernstige bedreiging voor de openbare orde die uit het gedrag van de betrokkene voortvloeit zodanig is dat zijn familiale en persoonlijke belangen en die van de XIV- 15.667 -2/5 zijnen in onderhavig geval geen voorrang mogen hebben op het vrijwaren van de openbare orde; Overwegende dat hij dienvolgens een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid betekent; BESLIST: - de zich noemende XXX, geboren op 15 april 1967 te B. van XXX nationaliteit, alias XXX, geboren op 15 april 1967 te B. van XXX nationaliteit is uitgesloten van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. (...).”.
  1. Overwegende dat op 20 juni 2003 de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een bevel uitvaardigt om het grondgebied van het Rijk te verlaten, in uitvoering van de eerste bestreden beslissing; dat dit bevel op dezelfde datum aan verzoeker werd ter kennis gebracht, met name op 20 juni 2003;
  2. Overwegende dat op 4 juli 2003 de XIVde kamer van de Raad van State in zijn arrest nr. 121.366 de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, gericht tegen voornoemde beslissingen verwerpt;
  3. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
  4. Overwegende dat uit de uiteenzetting van de middelen door verzoeker blijkt dat ze enkel gericht zijn tegen de bestreden uitsluitingsbeslissing van 21 februari 2003 en niet tegen de uitvoeringsmaatregel, met name voornoemd bevel, die zijn grondslag vindt in de eerste bestreden beslissing; 6.
  5. Overwegende dat verzoeker, wat de eerste voorwaarde van voornoemd artikel 17, § 2, betreft, in een eerste middel de schending aanvoert van het adagium “Audi Alteram partem”, zijnde het recht om te worden gehoord; Overwegende dat de rechtsgrond van de eerste bestreden beslissing zijn grondslag vindt in de artikelen 5 en 14 van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); XIV- 15.667 -3/5 Overwegende dat verzoeker wordt uitgesloten door de Minister van Binnenlandse Zaken van de toepassing van voornoemde wet op basis van een ernstige strafrechtelijke veroordeling voor valsheid in geschriften en gebruik ervan, gepleegd door een privé-persoon, voor heling van voorwerpen verkregen door middel van een misdaad of wanbedrijf en voor poging tot oplichting; dat verzoeker op 30 juni 1998 door het Hof van Beroep te Gent voor voornoemde strafrechtelijke feiten werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van twee jaar; Overwegende dat deze veroordeling die inmiddels in kracht van gewijsde is getreden een objectief gegeven is, waarop de bevoegde Minister steunt om verzoeker uit te sluiten van de toepassing van de Regularisatiewet; Overwegende dat tegenspraak voeren over een objectief gegeven dat blijkt uit het administratief dossier en dat door de partijen niet wordt betwist, niet het voorwerp moet uitmaken van het “recht om gehoord te worden”, omdat het “horen” niets toevoegt aan voornoemde zware strafrechtelijke veroordeling; dat de hoorplicht bovendien niet is voorzien in de Regularisatiewet, wanneer de bevoegde Minister een uitsluitingsbeslissing neemt; Overwegende dat de Raad van State tevens verwijst naar de oordeelkundige analyse van het eerste middel in het Auditoraatsverslag die bij deze als uitdrukkelijk herhaald wordt beschouwd; Overwegende dat het eerste middel niet ernstig is; 6.
  6. Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending aanvoert van de artikelen 2, 4/, 5 en 14 van de Regularisatiewet, de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 op de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de verplichting om een beslissing te nemen, rekening houdend met alle elementen van de zaak en van artikel 8 van het E.V.R.M.; Overwegende dat de Raad van State verwijst naar de oordeelkundige, correcte en volledige analyse van het tweede middel in het Auditoraatsverslag; dat deze analyse bij deze als uitdrukkelijk herhaald wordt beschouwd en het antwoord uitmaakt op het tweede middel; Overwegende dat het tweede middel niet ernstig is, XIV- 15.667 -4/5 BESLUIT: Artikel
  7. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  8. De kosten worden voorbehouden. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier maart tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV- 15.667 -5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.596 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.