← België

Arrest 141632 - - 07/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.632 Rolnummer: A. 58698/IX-1160 Zaak: Arrest 141632 - - 07/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-30 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-07-02 08:52 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) DE Fiche Arrest nr 141.632 van 7 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.632 van 7 maart 2005 in de zaak A. 58.698/IX-

  1. In zake : Hilde LEFEVRE, wonende te HARELBEKE, Brouwerspark 10 tegen : de Nationale Kas voor Beroepskrediet, thans de NV Beroepskrediet, die woonplaats kiest bij advocaat M. STERCK, kantoor houdende te STEKENE, Stadionstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hilde LEFEVRE op 30 juni 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 27 april 1994 van het directiecomité van de Nationale Kas voor Beroepskrediet waarbij Christel CARNIER, Chantal LIENARD, Guido CROES, Ivo EELEN, Jean-Marc GOBLET en Raoul LECOCQ worden benoemd tot eerstaanwezend procuratiehouder met ingang van 1 april 1994; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 2 juni 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-1160-1/7 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 13 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 januari 2005; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. Verzoekster is sinds 1977 in dienst bij de Nationale Kas voor Beroepskrediet en is er bekleed met de graad van procuratiehouder. Zij voldoet aan de door artikel 8 van het personeelsstatuut van 16 oktober 1984 gestelde voorwaarden om tot eerstaanwezend procuratiehouder te worden bevorderd. Zij is tevens de procuratiehouder met de grootste anciënniteit. 1.
  5. Het directiecomité van de Nationale Kas voor Beroepskrediet bevordert in zijn vergadering van 27 april 1994 Christel CARNIER, Raoul LECOCQ, Guido CROES, Ivo EELEN, Jean-Marc GOBLET en Chantal LIENARD tot eerstaanwezend procuratiehouder met ingang van 1 april
  6. De eerste vier personen behoren tot de Nederlandse taalrol, de laatste twee tot de Franse taalrol. IX-1160-2/7 Deze benoemingen worden aan het personeel meegedeeld in het bedrijfsblad INTERNplus van mei
  7. Verzoekster neemt langs deze weg kennis van de benoemingen op 9 mei
  8. 1.
  9. Bij koninklijk besluit van 23 december 1996 tot wijziging van de wet van 17 juni 1991 tot organisatie van de openbare kredietsector en van het bezit van de deelnemingen van de openbare sector in bepaalde privaatrechtelijke financiële vennootschappen en van diverse andere bepalingen, wat betreft de Nationale Kas voor Beroepskrediet, wordt de “Nationale Kas voor Beroepskrediet” omgevormd tot een privaatrechtelijke naamloze vennootschap, de “NV Beroepskrediet”. Dit koninklijk besluit is in werking getreden op 31 maart
  10. Over de bevoegdheid van de Raad van State. 2.
  11. Overwegende dat de verwerende partij aanvoert dat de Raad van State niet bevoegd is om van het onderhavige beroep kennis te nemen, aangezien haar personeelsleden door een arbeidsovereenkomst met haar verbonden zijn en de Raad van State niet bevoegd is om kennis te nemen van geschillen betreffende arbeidsovereenkomsten; dat zij betoogt dat zij ingevolge artikel 72 van de wet van 17 juni 1991 tot organisatie van de openbare kredietsector en van het bezit van de deelnemingen van de openbare sector in bepaalde privaatrechtelijke financiële vennootschappen, niet langer een openbare instelling is, maar een publiekrechtelijke vennootschap is geworden, die enkel nog een reglementaire bevoegdheid heeft ten aanzien van de erkende instellingen en dat personeelsaangelegenheden geregeld worden door het gemeen arbeidsrecht; dat de genoemde wet van 17 juni 1991 immers de gelijkschakeling beoogde van de werkingsvoorwaarden van de onderscheiden kredietinstellingen onder meer door aan de verwerende partij de mogelijkheid te geven een soepel personeelsbeleid te voeren met toepassing van de diverse sociaalrechtelijke statuten die beantwoorden aan de specifieke behoeften van de vennootschap; dat zij hierbij verwijst naar het advies dat de Raad van State, afdeling Wetgeving, uitbracht over de genoemde wet van 17 juni 1991, namelijk IX-1160-3/7 dat de “bestuursorganen op de meest aangewezen wijze gebruik zouden kunnen maken van de mogelijkheden van het gemeen recht inzake arbeidsovereenkomsten zowel ten aanzien van hun toekomstige als hun bestaande personeel”; Overwegende dat het personeelsstatuut volgens de verwerende partij bovendien uitdrukkelijk en herhaaldelijk verwijst naar de toepassing van de wettelijke bepalingen inzake arbeidsovereenkomsten; dat het feit dat zij het statuut eenzijdig vaststelt en eenzijdig kan wijzigen, wel de reglementaire aard bevestigt van dat statuut maar de conclusie niet wettigt dat het personeel zich in een statutaire relatie bevindt; dat het Hof van Cassatie in een arrest van 13 juni 1973 heeft geoordeeld dat louter het bestaan van algemene en onpersoonlijke bepalingen op zich onvoldoende is om te besluiten tot het statutair karakter van een arbeidsbetrekking en dat de juridische aard van de betrekkingen tussen een werknemer en een werkgever bepaald wordt door de aard van de rechtshandeling die deze betrekking heeft doen ontstaan; dat verzoekster bij haar indiensttreding een arbeidsovereenkomst heeft ondertekend; 2.
  12. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederant- woord aanvoert dat de zinsnede die de verwerende partij citeert niet de mening weergeeft van de Raad van State, maar afkomstig is uit de memorie van toelichting bij het wetsontwerp en dat het advies integendeel stelt dat er onzekerheid blijft bestaan over de vraag in welke mate de organen van de kredietinstellingen bevoegd zullen zijn om gebruik te maken van het gemeen recht van de arbeidsovereenkomst ten aanzien van statutaire personeelsleden die vóór de inwerkingtreding van de wet in dienst zijn getreden; dat zij voorts betoogt dat het opportuniteitsoordeel over het ontnemen van de mogelijkheid van een soepel personeelsbeleid aan de publiekrechtelijke kredietinstellingen een politieke visie weergeeft die juridisch niet relevant is; Overwegende dat verzoekster ook nog stelt dat zij niet in dienst werd genomen met een arbeidsovereenkomst, dat zich geen dergelijk document in het administratief dossier bevindt, terwijl voor een publiekrechtelijke instelling die IX-1160-4/7 onder het regime van de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut viel, in principe de statutaire tewerkstelling gold en het bestaan van een arbeidsovereenkomst in die omstandigheden niet kan worden vermoed; dat ten slotte, gesteld dat zij toch bij arbeidsovereenkomst in dienst zou zijn genomen, op haar van toepassing is wat door de Raad van State werd gewezen in zijn arrest nr. 9.202, VANDEVELDE, van 23 februari 1962, namelijk dat de benoeming van een opsteller van de Nationale Kas voor bediendenpensioenen tot onderbureauchef een eenzijdige beslissing is waarvoor de Raad van State bevoegd is zelfs indien het regime van het dienstcontract op de bevorderde ambtenaar van toepassing zou zijn; 2.
  13. Overwegende dat verzoekster in een laatste memorie benadrukt dat zij niet met een arbeidsovereenkomst is aangeworven, dat het document waarmee zij in dienst is genomen, verschilt van datgene waarmee de personeelsleden wier benoeming thans wordt bestreden, zijn aangeworven en dat in dit document gesproken wordt van een “benoeming”; 2.
  14. Overwegende dat de verwerende partij bij haar laatste memorie een document voegt genoemd “Arbeidsovereenkomst - Aanhangsel nr. 9" van 31 december 1996, ondertekend door de verwerende partij en door verzoekster, waarin een regeling overeengekomen wordt met betrekking tot de door verzoekster te presteren verminderde arbeidsduur; Overwegende dat de rechtspositie van het personeel van de Nationale Kas voor Beroepskrediet ten tijde van de bestreden beslissing luidens de besluitwet van 23 december 1946 betreffende het krediet voor ambachtsmaterieel, het beroepskrediet en het krediet aan de middenstand en houdende verandering van de Hoofdkas voor het Klein Beroepskrediet in een Nationale Kas voor Beroeps- krediet en de wet van 16 maart 1954 betreffende de controle op sommige instellingen van openbaar nut vastgesteld werd bij een “personeelsstatuut”; dat dergelijk statuut eerst was vastgesteld op 30 juni 1949 en vervolgens op 16 oktober 1984; dat derhalve ten tijde van de bestreden beslissing de rechtspositie was IX-1160-5/7 vastgesteld door het statuut van 16 oktober 1984; dat luidens artikel 11, § 4, van de voornoemde wet van 16 maart 1954, zoals ingevoegd bij artikel 88 van de wet van 30 juni 1975 betreffende het statuut van de banken, de private spaarkassen en bepaalde andere financiële instellingen, het kader en het statuut van het personeel van de instellingen van categorie C die een financiële activiteit uitoefenen, in casu de Nationale Kas voor Beroepskrediet, door de beheersorganen worden vastgesteld; dat blijkens de toelichting bij die wetsbepaling hiermee beoogd wordt “distorsies in de concurrentievoorwaarden” tussen financiële instellingen van de overheidssector en van de private sector weg te nemen en meer bepaald de overheidssector toe te laten om dezelfde mogelijkheden te benutten die banken en private spaarkassen hebben “om zonder verwijl hun technische organisatie aan te passen aan de behoeften van hun clientèle”; dat het “statuut” bijgevolg de rechtspositie is waarbij het de beheersorganen toegelaten is personeel onder contractuele regeling te plaatsen; dat verzoekster op 16 februari 1977 op proef in dienst werd genomen; dat volgens het document waarmee zij wordt aangeworven zij verzocht wordt een afschrift daarvan “na het behoorlijk voor akkoordverklaring te hebben ondertekend, te willen terugsturen”; dat zulks niet kan worden gelijkgesteld met een eenzijdige aanstelling zodat, alhoewel niet als zodanig verwoord, door de ondertekening door verzoekster van dat document een overeen- komst is tot stand gekomen; dat de aanwerving van verzoekster ofschoon onder een statuut geplaatst, geschied is op contractuele basis; dat verzoekster zulks trouwens lijkt te aanvaarden aangezien zij na het instellen van haar onderhavige vordering, doch voor het neerleggen van haar laatste memorie, zelf een “aanhangsel” bij haar “arbeidsovereenkomst” zonder enige terughoudendheid blijkt te hebben ondertekend; dat de conclusie dan ook is dat alleen de arbeidsrechtbanken op grond van artikel 578, 1/, van het Gerechtelijk Wetboek kennis kunnen nemen van geschillen die betrekking hebben op arbeidsovereenkomsten; dat de Raad van State bijgevolg geen bevoegdheid terzake heeft, IX-1160-6/7 BESLUIT: Artikel
  15. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  16. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven maart 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-1160-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.632 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.