id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.633 Rolnummer: A. 82851/IX-1693 Zaak: Arrest 141633 - - 07/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-31 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 08:20 Fiche Arrest nr 141.633 van 7 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.633 van 7 maart 2005 in de zaak A. 82.851/IX-
- In zake : Pieter VANHOUTTE, wonende te SINT-TRUIDEN, Wilderenlaan 100 tegen : het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van SINT-TRUIDEN, dat woonplaats kiest bij advocaat A. COOLSAET, kantoor houdende te ANTWERPEN, Arthur Goemaerelei
- tussenkomende partij : Rosanna PASCARIELLO, die woonplaats kiest bij advocaat K. LEUS, kantoor houdende te BRUSSEL, Goedheidstraat 5-
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Pieter VANHOUTTE op 9 maart 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van : “het aanwervingsexamen, georganiseerd door het Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn van de stad Sint-Truiden, [...] strekkende ‘tot het aanleggen van een werfreserve, geldig voor de duur van drie jaren, en de aanwerving van een O.C.M.W.-Secretaris (m/v), full-time in vast dienstverband’, de beslissing van voormeld O.C.M.W. van 12.01.1999 waarbij aan verzoeker wordt meegedeeld dat hij ‘niet slaagde in deel III van het examen met betrekking tot de vacature van het ambt van Secretaris, met aanleg van een werfreserve geldig voor de duur van IX-1693-1/33 drie jaar’ en de beslissing van voormeld O.C.M.W. van 30.12.1998 houdende de benoeming van mevrouw PASCARIELLO Rosanna ‘als Secretaris met full-time prestaties in vast dienstverband bij het O.C.M.W.-Sint-Truiden’ ”; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 7 januari 2000; Gelet op de beschikking van 18 januari 2000 die de tussenkomst van Rosanna PASCARIELLO toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de memorie van de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur B. THYS; Gelet op de beschikking van 31 januari 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 26 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 20 december 2004; Gehoord het verslag van kamervoorzitter J. DE BRABANDERE; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat A. COOLSAET, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. LEUS, die verschijnt voor de tussenkomende partij; IX-1693-2/33 Gehoord het eensluidend advies van auditeur B. THYS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Op 26 februari 1998 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn van Sint-Truiden de betrekking van secretaris van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn -hierna: OCMW- met ingang van 1 januari 1999, dit is de geplande datum van inrustestelling van de secretaris, vacant te verklaren, deze betrekking bij aanwerving te laten begeven en over te gaan tot het aanleggen van een wervingsreserve voor de duur van drie jaar. De aanwervingsvoorwaarden worden vastgesteld in overeenstemming met het koninklijk besluit van 20 juli 1993 tot vaststelling van de algemene bepalingen inzake het administratief en geldelijk statuut van de secretarissen en de ontvangers van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn. Het programma van het niet-vergelijkend examen wordt als volgt vastgesteld : “DEEL I. - 30 punten Een schriftelijke proef om te kunnen oordelen over de geestesrijpheid van de kandidaten, bestaande uit het maken van een synthese en het geven van eigen commentaar op een voordracht op het niveau van universitair of daarmee gelijkgesteld onderwijs, handelend over een onderwerp van algemene aard. Tijdens de voordracht mogen geen aantekeningen worden gemaakt en de tekst wordt niet aan de kandidaten gegeven. DEEL II. - 50 punten Een schriftelijke proef inzake beroepsgeschiktheid handelend over : * grondige kennis van de wetten met betrekking tot de werking van de centra voor maatschappelijk welzijn (30 punten) IX-1693-3/33 * algemene begrippen over administratief recht, grondwettelijk recht, de gemeentewet, burgerlijk recht (20 punten). DEEL III. - 20 punten Een conversatieproef in verband met grondwettelijk en administratief recht, O.C.M.W.-wetgeving, elementaire kennis van informatica, algemene en actuele onderwerpen”. Om te slagen moeten de kandidaten op elke proef en op elk onderdeel van een proef ten minste 50% van de punten behalen en 60% op het algemeen totaal. De samenstelling van de examenjury wordt als volgt bepaald : “ - een afgevaardigd deskundige namens het Provinciebestuur; - een O.C.M.W.-Secretaris van een O.C.M.W. met tenminste dezelfde omvang als het O.C.M.W. - Sint-Truiden; - een licentiaat germaanse filologie; - een extern deskundige met een universitair einddiploma;”. De examenjury wordt voorgezeten door de afgevaardigde van het provinciebestuur. Het secretariaat van de examenjury wordt waargenomen door de secretaris van het OCMW van Sint-Truiden. Luc KUPERS, secretaris van het OCMW van Hasselt, Chris SCHOETERS, germaniste, en Jeanine COEKAERTS, extern deskundige, worden aangewezen om in de examenjury te zetelen. Het desbetreffende besluit van de raad voor maatschappelijk welzijn maakt er gewag van “dat deze aangelegenheid reeds, met gunstig gevolg, werd voorgelegd aan de Overlegvergadering Gemeente/O.C.M.W. van 20.2.1998” en dat “dit alles dient voorgelegd te worden aan [...] [het] Onderhandelingscomité tussen Vakbonden en Overheid”. 1.
- Onder verwijzing onder meer naar het overlijden van de secretaris op 11 april 1998, naar het gunstig advies van 20 februari 1998 van het overlegcomité IX-1693-4/33 gemeente-OCMW en naar het protocol dat op 12 mei 1998 tot stand is gekomen in het bijzonder onderhandelingscomité, besluit de raad voor maatschappelijk welzijn op 28 mei 1998 de betrekking van secretaris van het OCMW met ingang van 11 april 1998 vacant te verklaren. De aanwervingsvoorwaarden worden opnieuw vastgesteld. In tegenstelling met de op 26 februari 1998 vastgestelde aanwervingsvoorwaarden, is thans geen maximumleeftijd meer bepaald. Ook de samenstelling van de examenjury wordt herhaald, behoudens de nominatieve aanduiding van de juryleden. 1.
- Op vraag van het OCMW van Sint-Truiden aan het provincie- bestuur van Limburg laat Frank BARET, directeur van de afdeling personeel, financiën en werking bestuursorganen van de 11de directie, lokale besturen en gewesttaken van het provinciebestuur, met een brief van 31 juli 1998 weten dat hij als afgevaardigde van het provinciebestuur de examenjury zal voorzitten. 1.
- Nadat de vacature en de aanwervingsvoorwaarden zijn bekend- gemaakt, worden er 22 geldige kandidaturen ingediend, waaronder die van verzoeker. 1.
- De examenjury vergadert op 21 oktober 1998 teneinde afspraken te maken over de onderlinge taakverdeling en over de beoordeling van de verscheidene examenproeven. De afsprakennota vermeldt met betrekking tot de conversatieproef : “Inpikken op schriftelijke proeven Vooral aandacht voor motivatie en interesse voor de functie Visie op de taak in een groot ocmw Leiderschapsstijl en occasioneel leiderschap Frank zal een algemene vraag uitzoeken die ze mogen vooraf voorbereiden”. 1.
- De drie examenproeven hebben respectievelijk plaats op 12 en 27 november 1998 en op 14 december
- IX-1693-5/33 Verzoeker behaalt voor de eerste examenproef 15 punten op 30; voor de twee onderdelen van de tweede examenproef respectievelijk 23 punten op 30 en 11 punten op 20 en, ten slotte, voor de derde, mondelinge examenproef 6 punten op
- Drie kandidaten slagen voor het gehele examen : Rosanna PASCARIELLO, dat is de tussenkomende partij, behaalt in het totaal 82 punten op 100; Inge BORGERHOFF 79,5 punten op 100 en Sarah HERMANS 61 punten op
- Het “aanwervingsexamen” maakt het eerste voorwerp uit van het onderhavige beroep tot nietigverklaring. 1.
- Met een brief van 23 december 1998 aan de voorzitter van het OCMW van Sint-Truiden uit verzoeker kritiek op de examenverrichtingen, op zijn uitslag voor de mondelinge proef en vraagt hij een afschrift van het volledige dossier. 1.
- Op 30 december 1998 besluit de raad voor maatschappelijk welzijn de tussenkomende partij tot secretaris van het OCMW te benoemen. Inge BORGERHOFF en Sarah HERMANS worden opgenomen in een wervingsreserve geldig voor de duur van drie jaar, te rekenen vanaf 14 december
- Het raadsbesluit houdende de benoeming van de tussenkomende partij tot secretaris maakt het derde voorwerp uit van het onderhavige beroep tot nietigverklaring. 1.
- Met een aangetekende brief van 12 januari 1999 delen de voorzitter en de waarnemend secretaris aan verzoeker mede dat hij niet slaagde voor de derde examenproef. Een afschrift van het benoemingsbesluit van 30 december 1998 is bijgevoegd, evenals “alle gevraagde stukken [...] met betrekking tot onderhavig werfexamen”. IX-1693-6/33 Deze “beslissing [...] van 12.01.1999 waarbij aan verzoeker wordt meegedeeld dat hij ‘niet slaagde in deel III van het examen [...]’” maakt het tweede voorwerp uit van het onderhavige beroep tot nietigverklaring. 1.
- Met een aangetekende brief van 14 januari 1999 vraagt verzoeker nog enkele stukken op. Tevens wijst hij erop dat de eindbeoordeling van de kandidaten is opgenomen in een afzonderlijk document, dat enkel is ondertekend door de voorzitter en de secretaris van de examenjury, maar dat niets van deze beoordeling is terug te vinden in de processen-verbaal van de examenjury en dat de secretaris van de examenjury bij de conversatieproef zelfs niet aanwezig was. Hij deelt mede daarover “toelichting” te willen ontvangen. 1.
- Met een aangetekende brief van 21 januari 1999 bezorgen de voorzitter en de waarnemend secretaris de gevraagde stukken aan verzoeker.
- Over de rechtspleging. 2.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord opwerpt dat de memorie van antwoord niet ontvankelijk is, omdat niet blijkt dat het bevoegde orgaan van het OCMW van Sint-Truiden, te weten de raad voor maatschappelijk welzijn of -mits een behoorlijke delegatie- het vast bureau, advocate Ann COOLSAET als raadsvrouw van het OCMW in deze zaak heeft aangesteld; 2.1.
- Overwegende dat blijkens een uittreksel uit de notulen van de vergadering van 27 mei 1999 van de raad voor maatschappelijk welzijn van Sint-Truiden, het voorstel van het vast bureau om voornoemde als raadsvrouw van het OCMW in de onderhavige zaak aan te stellen, wordt bekrachtigd; dat de opwerping feitelijke grondslag mist; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker ook vraagt om het bedoelde uittreksel uit de debatten te weren, omdat het laattijdig is overgelegd; IX-1693-7/33 2.2.
- Overwegende dat krachtens artikel 19, derde lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de partijen zich voor de Raad van State kunnen laten vertegenwoordigen door een advocaat en dat krachtens deze bepaling advocate Ann COOLSAET door de loutere ondertekening van de memorie van antwoord geacht wordt de bevoegde procesvertegenwoordiger van de verwerende partij in het geding te zijn; dat, voorzover verzoeker de regelmatigheid van haar aanstelling betwist, niets eraan in de weg staat dat deze, in welke stand het geding zich inmiddels ook bevindt, wordt verantwoord door de overlegging van een aanstellingsbesluit; dat overigens geen rechtsregel aan het bestuur voorschrijft de beslissing voor te leggen waarbij het een advocaat aanstelt om zich in rechte te verweren, vooraleer zulks is gevraagd; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker eveneens aanvoert dat het overgelegde stuk ook behept is met andere gebreken, waarbij hij laat gelden dat de wetgeving inzake overheidsopdrachten niet correct werd toegepast daar het vast bureau blijk-baar enkel de aanstelling ‘bekrachtigde’ en dat afhankelijk van de wijze van gunning van de opdracht, het vast bureau bevoegd kan zijn maar deze bevoegdheid in bepaalde gevallen eveneens bij de raad voor maatschappelijk welzijn kan liggen; 2.3.
- Overwegende dat deze laatste kritiek bijzonder vaag en onduidelijk geformuleerd wordt en daardoor onbegrijpelijk is; dat ze alleen al om die reden moet worden verworpen; dat de memorie van antwoord regelmatig is ingediend;
- Over de ontvankelijkheid van het beroep. 3.
- Overwegende dat de verwerende partij opwerpt dat het beroep niet ontvankelijk is voorzover het de nietigverklaring beoogt van het aanwervingsexamen; dat zij betoogt dat dit examen eensdeels bestaat uit materiële handelingen die niet aanvechtbaar zijn voor de Raad van State en waarvan de meeste niet uitgaan van een administratieve overheid zoals bedoeld in artikel 14 van de IX-1693-8/33 gecoördineerde wetten op de Raad van State en anderdeels uit handelingen die louter voorbereidend zijn ten aanzien van het uiteindelijke benoemingsbesluit; 3.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat een aanwervingsexamen een complexe administratieve rechtshandeling betreft en dat de akten waaruit deze bestaat geen louter materiële of voorbereidende handelingen zijn, maar handelingen die elk op zich rechtsgevolgen teweegbrengen en nadelig kunnen zijn voor een kandidaat; dat hij betoogt dat, zelfs indien die handelingen geen direct nadeel zouden berokkenen of louter voorbereidend zouden zijn, zij dan nog niet door een onregelmatigheid aangetast mogen zijn, omdat zij anders de procedure vitiëren die tot het eindresultaat heeft geleid, dat is in de onderhavige zaak de beslissing van de examenjury waarbij verzoeker voor het examen niet geslaagd wordt verklaard; dat volgens verzoeker ook de omstandigheid dat bepaalde administratieve handelingen als zodanig niet geschorst of vernietigd kunnen worden, niet impliceert dat de onwettigheid van die handelingen niet kan worden aangevoerd in het kader van een beroep tegen een voor nietigverklaring vatbare beslissing; 3.
- Overwegende dat de tussenkomende partij stelt dat verzoeker in het thans voorliggende verzoekschrift slechts op een ontvankelijke wijze de nietigverklaring vermag te vragen van de beslissing van 14 december 1998 van de examenjury naar luid waarvan hij niet geslaagd is voor de conversatieproef en van het besluit van 30 december 1998 van de raad voor maatschappelijk welzijn houdende haar benoeming tot secretaris, welke aan verzoeker beide zijn medegedeeld op 12 januari 1999; dat volgens haar hij in het kader van dit beroep weliswaar middelen kan aanvoeren die gebaseerd zijn op de eventuele onregelmatigheid van één van de voorafgaande handelingen, maar niet meer de nietigverklaring ervan kan vorderen indien inmiddels de beroepstermijn met betrekking tot die handelingen is verstreken; 3.4.
- Overwegende dat de aanwerving van een secretaris van het OCMW van Sint-Truiden een complexe administratieve rechtshandeling uitmaakt, bestaande uit een reeks op elkaar volgende administratieve handelingen waarvan de IX-1693-9/33 laatste -dat is het besluit van 30 december 1998 van de raad voor maatschappelijk welzijn houdende de benoeming van de tussenkomende partij tot secretaris en de opneming van Inge BORGERHOFF en Sarah HERMANS in de wervingsreserve- beslissend is en de andere ten opzichte van die laatste handeling een voorbereidend karakter hebben; dat verzoeker de nietigverklaring van het resultaat van de gehele verrichting kan vorderen op grond van de onregelmatigheid van één van de samenstellende handelingen; dat hij ook de nietigverklaring kan vorderen van de voorafgaande administratieve handelingen die een onmiddellijk grievend karakter voor hem hebben gehad en die dus een zogenaamde vóórbeslissing uitmaken; 3.4.
- Overwegende dat verzoeker zowel de nietigverklaring vraagt van de eindbeslissing, namelijk van het besluit van 30 december 1998 van de raad voor maatschappelijk welzijn houdende de benoeming van de tussenkomende partij tot secretaris, als van de beslissing van 14 december 1998 van de examenjury om hem niet geslaagd te verklaren voor de conversatieproef; dat hij die laatste rechtshandeling, als vóórbeslissing, ontvankelijk aanvecht samen met de eindbeslissing; 3.4.
- Overwegende dat voorzover verzoeker, door de nietigverklaring te vragen van “het aanwervingsexamen”, iets anders zou bedoelen dan de hiervoor vermelde beslissing van 14 december 1998 van de examenjury, hij niet duidelijk maakt welke andere voorbereidende beslissingen met betrekking tot het examen hij precies viseert; dat indien hij de louter materiële verrichtingen bedoelt welke het vaststellen van de examenuitslag voorafgaan, vastgesteld moet worden dat deze niet voor nietigverklaring vatbaar zijn; dat echter hun onregelmatigheid, indien deze zou worden vastgesteld, eventueel wel kan leiden tot de nietigverklaring van de examenuitslag en van de benoeming van de tussenkomende partij; dat de exceptie enkel wat dat betreft gegrond is; IX-1693-10/33
- Over de grond van de zaak. 4.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en machts- overschrijding; 4.1.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste onderdeel van het middel uiteenzet dat artikel 31 van de voornoemde organieke wet -hierna ook genoemd : OCMW-wet-, naar luid waarvan de vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn met gesloten deuren moeten worden gehouden, alsook de zorgvuldigheidsplicht werden geschonden, doordat uit de notulen van de vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn van 26 februari 1998 en 29 september 1998 blijkt dat “M. Jammaers, bestuurssecretaris” bestendig op deze vergaderingen aanwezig is geweest, terwijl met de beslotenheid van de vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn alleen maar bestaanbaar is dat personeelsleden of andere personen die vertrouwd zijn met een bepaald agendapunt daarover worden gehoord, althans indien hun aanwezigheid beperkt blijft tot de duur die voor het geven van de gewenste inlichtingen noodzakelijk is; dat volgens verzoeker de verwerende partij, door de voormelde schending van de zorgvuldigheidsplicht, “het geheel zodanig [trachtte] te sturen dat de aanwervingsprocedure zou leiden tot een vooropgesteld resultaat”, waardoor er ook sprake is van machtsoverschrijding; 4.1.1.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede onderdeel van het middel stelt dat artikel 30 van de OCMW-wet, naar luid waarvan behoudens het geval van dringende noodzakelijkheid geen enkel onderwerp buiten de agendapunten mag worden behandeld, alsook de zorgvuldigheidsplicht werden geschonden, doordat het besluit van 26 februari 1998 van de raad voor maatschappelijk welzijn als agendapunt vermeldt “
- Ambt van Secretaris: openverklaring betrekking”, terwijl de openverklaring van de betrekking van secretaris slechts een fractie is van hetgeen uiteindelijk werd genotuleerd; dat IX-1693-11/33 volgens verzoeker een raadslid uitgebreider zijn inzagerecht zal uitoefenen en interveniëren wanneer hij vooraf weet dat het agendapunt niet enkel de openverklaring omvat, maar ook de vaststelling van de benoemingsvoorwaarden, het examenprogramma, de examenjury en de puntenquotering; dat hij voorts vaststelt dat de besluiten van 28 mei 1998 en 30 december 1998 van de raad voor maatschappelijk welzijn zelfs geen agendapunt vermelden; dat ook hier verzoeker aanvoert dat de verwerende partij zich schuldig heeft gemaakt aan machtsoverschrijding; 4.1.2.
- Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat artikel 31 van de OCMW-wet, zoals het luidde toen de bestreden besluiten genomen werden, bepaalt dat de vergaderingen van de raad voor maatschappelijk welzijn met gesloten deuren worden gehouden; dat te dezen, blijkens de notulen van de vergaderingen van 26 februari 1998 en 29 september 1998, bestuurssecretaris M. JAMMAERS aanwezig was tijdens die vergaderingen om de waarnemend secretaris bij te staan; dat voornoemde een personeelslid is van het OCMW en mede tot geheimhouding verplicht; dat zij ook een welomschreven opdracht had, precies met het doel bij te dragen tot de goede werking van de raad; dat niet blijkt dat zij die opdracht te buiten is gegaan; dat wat verzoeker in zijn laatste memorie daaromtrent nog laat gelden, niet meer is dan zijn persoonlijke mening omtrent wat genotuleerd diende te worden, omtrent de bekwaamheid van de dienstdoend secretaris om als secretaris op te treden en omtrent de noodzakelijkheid om zich in die hoedanigheid te laten bijstaan; dat het voorschrift van de beslotenheid van de vergadering van artikel 31 van de OCMW- wet, zelfs in de veronderstelling dat het van openbare orde is, niet werd overtreden; dat te dezen ook geen schending van de zorgvuldigheidsplicht kan worden ontwaard; dat, voorzover verzoeker in dit onderdeel van het middel “machtsoverschrijding” aanvoert, hij allicht doelt op “machtsafwending”, dat wil zeggen dat de overheid een van haar bevoegdheden zou hebben gebruikt voor een ander doel dan datgene waarvoor ze haar werd toegekend; dat echter niet valt in te zien hoe de aanwezigheid van bestuurssecretaris M. JAMMAERS er zou hebben kunnen toe bijdragen dat de aanwervingsprocedure leidde tot “een vooropgesteld resultaat”; IX-1693-12/33 4.1.2.
- Overwegende, inzake het tweede onderdeel, dat artikel 30, tweede lid, van de OCMW-wet bepaalt dat, behoudens bij dringende noodzakelijkheid, buiten de agendapunten geen enkel onderwerp mag worden behandeld en dat tot de dringende noodzakelijkheid moet worden besloten door ten minste twee derde van de aanwezige leden; dat de bepaling er in de eerste plaats op gericht is de algehele uitoefening van de politieke prerogatieven van de gemeenteraadsleden te waarborgen; dat een agendapunt openverklaring van de betrekking van secretaris redelijkerwijze ook de bespreking van de modaliteiten waaronder die betrekking zal worden begeven omvat; dat, ook indien zou worden aangenomen dat verzoeker er belang bij heeft dat de raadsleden met kennis van zaken beraadslagen over de problemen in verband met het open verklaren van een betrekking waarvoor hij zal solliciteren, hij geen enkel concreet gegeven aanreikt waardoor te dezen dat belang geschaad had kunnen zijn; dat verzoeker evenmin aantoont dat de beweerde onzorgvuldigheid in de agendering een aanwijzing is van de machtsafwending die hij aan de verwerende partij toeschrijft; 4.1.
- Overwegende dat het eerste middel in zijn geheel niet gegrond is; 4.2.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn tweede middel de schending aanvoert van de OCMW-wet, inzonderheid de artikelen 26bis, 42 en 43 en het zorgvuldigheidsbeginsel, machtsoverschrijding en schending van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel; dat hij uiteenzet dat de voorwaarden voor aanwerving in de betrekking van secretaris van het OCMW door de raad voor maatschappelijk welzijn tot twee keer toe werden vastgesteld, namelijk op 26 februari 1998 en op 28 mei 1998, maar dat de beide raadsbesluiten op enkele punten van elkaar verschillen : - het raadsbesluit van 26 februari 1998 bepaalt dat de maximumleeftijd van 50 jaar niet mag worden overschreden; in het raadsbesluit van 28 mei 1998 is geen dergelijke bepaling opgenomen; - het raadsbesluit van 26 februari 1998 duidt de leden van de examenjury nominatief aan; het raadsbesluit van 28 mei 1998 doet dat niet; IX-1693-13/33 - het raadsbesluit van 26 februari 1998 wordt gemotiveerd door de inrustestelling van de secretaris op 1 januari 1999; het raadsbesluit van 28 mei 1998 wordt gemotiveerd door het overlijden van de secretaris op 11 april 1998; dat volgens verzoeker de raadsbesluiten van 26 februari 1998 en 28 mei 1998 niet rechtsgeldig zijn om de volgende redenen : - het raadsbesluit van 26 februari 1998 werd niet voorafgaandelijk aan de vakbonden van het personeel voorgelegd; - het raadsbesluit van 28 mei 1998 werd niet aan het overlegcomité gemeente- OCMW voorgelegd; hetgeen op 20 februari 1998 aan het overlegcomité werd voorgelegd, volstond niet vermits de aanwervingsvoorwaarden nog werden gewijzigd; - het kwam niet aan de raad voor maatschappelijk welzijn toe om de aanwervingsvoorwaarden tot twee keer toe vast te stellen met het oog op het realiseren van één en dezelfde aanwerving, deze twee beslissingen naast elkaar te laten bestaan en nu eens terug te grijpen naar de eerste beslissing, dan weer naar de tweede; dat verzoeker hierin wederom de onzorgvuldigheid van het bestuur en de “machtsoverschrijding” onderkent die hij reeds met betrekking tot het eerste onderdeel van het eerste middel heeft aangevoerd; 4.2.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord preciseert dat het raadsbesluit van 26 februari 1998 een “voorbereidende beslissing” was die nog diende te worden voorgelegd aan het overlegcomité en het bijzonder onderhandelingscomité; dat hij erop wijst dat de aanwerving van een secretaris voor het OCMW reeds op de vergadering van 20 februari 1998 van het overlegcomité werd behandeld, zodat de raad voor maatschappelijk welzijn op 26 februari 1998 niet de voorbereidende tekst voor het overleg, dat al had plaatsgehad, kon vaststellen; dat verzoeker voorts stelt dat, indien toch wordt aanvaard dat het raadsbesluit van 26 februari 1998 een louter voorbereidende beslissing was, dan volgens verzoeker moet worden vastgesteld dat er geen nominatieve aanduiding van de juryleden gebeurde, aangezien deze alleen voorkomt in dat raadsbesluit en niet in het raadsbesluit van 28 mei 1998; dat het gevolg daarvan volgens hem is dat alle IX-1693-14/33 handelingen van de examenjury nietig zijn; dat bovendien het raadsbesluit van 28 mei 1998 niet voorafgaandelijk aan het overlegcomité gemeente-OCMW werd voorgelegd; 4.2.2.
- Overwegende dat de betrekking van secretaris van het OCMW van Sint-Truiden open werd verklaard en de aanwervingsvoorwaarden werden vast- gesteld zowel met het besluit van 26 februari 1998 als met het besluit van 28 mei 1998 van de raad voor maatschappelijk welzijn; dat enerzijds uit het raadsbesluit van 26 februari 1998 niet blijkt, zoals de verwerende partij betoogt, dat het slechts een louter “voorbereidende tekst” vaststelde; dat de tekst wel al was onderworpen aan het overleg met de gemeente, maar anderzijds daarna nog het voorwerp diende uit te maken van onderhandelingen met de vakbonden van het personeel; dat die onderhandelingen dan eventueel nog tot aanpassingen konden leiden; dat enkel in die zin de tekst nog niet definitief was; 4.2.2.
- Overwegende dat de raad voor maatschappelijk welzijn op 28 mei 1998 zijn besluit van 26 februari 1998, behoudens enkele geringe aanpassingen -maximumleeftijd en vervroeging van de openverklaring-, heeft hernomen; dat zulks impliceert dat de regelingen van het raadsbesluit van 26 februari 1998, in zoverre zij deze niet uitdrukkelijk hernemen of uitdrukkelijk ervan afwijken, impliciet, maar zeker, zijn opgeheven en vervangen door het raadsbesluit van 28 mei 1998; dat derhalve de openverklaring en de aanwervingsvoorwaarden golden die door het raadsbesluit van 28 mei 1998 werden vastgesteld; dat het raadsbesluit van 26 februari 1998 slechts bleef gelden voorzover het aangelegenheden regelt die niet door het raadsbesluit van 28 mei 1998 worden geregeld en die regelingen met dat raadsbesluit van 28 mei 1998 bestaanbaar zijn, te weten, de nominatieve samenstelling van de examenjury; 4.2.2.
- Overwegende dat aan de pleegvormen opgelegd door artikel 26bis van de OCMW-wet en artikel 2 van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel alleszins is voldaan : IX-1693-15/33 - op 20 februari 1998 werd de aanwerving van een OCMW-secretaris aan het overlegcomité gemeente-OCMW voorgelegd; de omstandigheid dat bij raadsbesluit van 28 mei 1998 de aanwervingsvoorwaarden nog werden gewijzigd is niet ter zake : het valt niet in te zien dat de aangebrachte wijzigingen, te weten de openverklaring van de betrekking op 11 april 1998 in plaats van op 1 januari 1999 ingevolge het overlijden van de secretaris en het afschaffen van de maximumleeftijd van 50 jaar, onder één van de aangelegenheden zouden ressorteren waarover krachtens artikel 26bis van de OCMW-wet slechts een beslissing kan worden genomen na overleg met de gemeenteoverheid in het overlegcomité; - op 12 mei 1998 kwam in het bijzonder onderhandelingscomité een “eenparig akkoord” tot stand met betrekking tot “het vaststellen van de aanwervingsvoorwaarden, de samenstelling van de examencommissie, het examenprogramma en de puntenquotering, voor de vacante betrekking van OCMW-secretaris”; 4.2.2.
- Overwegende dat de omstandigheid dat de verwerende partij wellicht niet met de vereiste zorgvuldigheid heeft gehandeld, waardoor enige onduidelijkheid ontstaan kan zijn, niet zonder meer tot het besluit moet leiden dat de hele benoemingsprocedure gevitieerd is; 4.2.2.
- Overwegende dat verzoeker voorts niet uiteenzet waaruit de door hem aangevoerde schending van de artikelen 42 en 43 van de OCMW-wet zou bestaan; 4.2.2.
- Overwegende dat het tweede middel niet gegrond is; 4.3.1.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel “onwettige en incompetente samenstelling en werking van de examenjury, evenals machtsoverschrijding en schending van de beginselen van onpartijdigheid en zorgvuldigheid bij samenstelling en werking van de examenjury” aanvoert; dat hij vooreerst stelt dat de nominatieve aanduiding van de leden van de examenjury door IX-1693-16/33 de raad voor maatschappelijk welzijn bij besluit van 26 februari 1998, artikel 27, § 1, van de OCMW-wet schendt, luidens welk het vast bureau belast is met het afhandelen van de zaken van dagelijks bestuur; dat volgens verzoeker de nominatieve aanduiding van de leden van de examenjury een zaak is van dagelijks bestuur; dat hij voorts laat gelden dat geen beslissing voorligt waaruit blijkt dat Frank BARET als lid van de examenjury werd aangewezen en dat voornoemde alleszins niet door het bevoegde orgaan van het OCMW werd aangesteld en hij derhalve niet als voorzitter van de examenjury kon fungeren; dat verzoeker ook betoogt dat niet is voldaan aan het vereiste om vertegenwoordigers van de betrokken administratie in de examenjury te doen zetelen; dat volgens verzoeker evenmin is voldaan aan de verplichting om een competente jury samen te stellen en de samengestelde jury competent te laten fungeren; dat hij dienaangaande laat gelden dat Jeanine COEKAERTS secretaris is van het OCMW van Tielt-Winge, hetwelk een gemeente bedient met minder inwoners dan de stad Sint-Truiden en dat niet zoals het OCMW van Sint-Truiden rustoorden beheert, terwijl de deskundigheid van de ‘externe’ juryleden in een passende verhouding moet staan tot hetgeen van de examinandi verwacht wordt en tot de vacature die wordt ingevuld; dat verzoeker nog stelt dat Jeanine COEKAERTS hem heeft medegedeeld dat zij niet goed wist waarom zij als lid van de examenjury was aangewezen, wat erop wijst dat niet de motivatie en de deskundigheid van de juryleden de drijfveer was bij de samenstelling van de examenjury; dat verzoeker bovendien laat gelden dat ook de gevolgde werkwijze tot incompetentie aanleiding moest geven : het examenprogramma werd nauwelijks gespecificeerd, de voorzitter van het OCMW nam ter zake geen enkel initiatief en ook de examenjury deed dit niet op een behoorlijke wijze, zodat bij het mondeling examen iedereen werd geacht over alles te ondervragen, ofschoon in redelijkheid niet kan worden aangenomen dat germaniste Chris SCHOETERS in staat was de kandidaten over grondwettelijk en administratief recht en over de OCMW-wetgeving te ondervragen; dat nog volgens verzoeker zelfs een “schijn van incompetentie” vermeden moet worden en de verwerende partij over voldoende mogelijkheden beschikte om een competente jury samen te stellen; dat verzoeker ten slotte aanvoert dat de examenjury niet onpartijdig was samengesteld, aangezien een afgevaardigde deskundige van het IX-1693-17/33 provinciebestuur erin zetelde; dat volgens verzoeker het provinciebestuur bij de uitoefening van het administratief toezicht terughoudend moet zijn ten aanzien van de beslissingen waaraan het zelf heeft meegewerkt, wat volgens hem in de onderhavige zaak des te meer geldt omdat Frank BARET de feitelijk leidende ambtenaar is die bij het betreffend provincie-bestuur het OCMW-toezicht uitoefent; 4.3.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog toelicht dat de raad voor maatschappelijk welzijn krachtens artikel 24 van de OCMW-wet weliswaar over de volheid van bevoegdheid beschikt, doch slechts voorzover de wet het niet anders bepaalt en dat de wet dat nu precies gedaan heeft voor de aangelegenheden van dagelijks bestuur; dat hij ook stelt dat Frank BARET niet door de verwerende partij werd aangesteld maar door het provinciebestuur en dat betrokkene dienvolgens niet als voorzitter van de examenjury kon optreden; dat verzoeker daarbij verklaart dat volgens wat Jeanine COEKAERTS hem heeft medegedeeld het examen sterk gedomineerd werd door het provinciebestuur; dat de verplichting om vertegenwoordigers van de betrokken administratie in de examenjury op te nemen gelegen is in de motiveringsplicht met betrekking tot de deskundigheid van de jury; dat voorts volgens verzoeker de verwerende partij een analyse had moeten maken van de inhoud van de functie van secretaris en vervolgens had moeten aantonen dat de door haar aangestelde juryleden bekwaam waren om aan de hand van die analyse en het examenprogramma de meest competente kandidaat te selecteren : die vereiste bekwaamheid vergt kennis van de toestand ter plaatse en zulke kennis is alleen aanwezig wanneer vertegenwoordigers van de betrokken administratie in de examenjury zijn opgenomen; dat hetzelfde volgens verzoeker ook geldt met betrekking tot de aanstelling van Jeanine COEKAERTS : haar aanstelling kon maar afdoende gemotiveerd zijn indien zij afkomstig was uit een gelijkwaardig of groter OCMW, nu blijkt zij ervaring te ontberen inzake het beheer van verzorgingsinstellingen; dat het onjuist is dat germaniste Chris SCHOETERS slechts bepaalde taken op zich heeft genomen : tijdens de conversatieproef heeft zij over dezelfde onderwerpen en op dezelfde wijze ondervraagd als de overige juryleden, hoewel het een verplichting van de IX-1693-18/33 examenjury is zijn werking deskundig te organiseren en die organisatie zichtbaar en controleerbaar te maken; 4.3.2.
- Overwegende dat artikel 27, § 1, eerste lid, van de OCMW-wet bepaalt dat de raad voor maatschappelijk welzijn in zijn midden een vast bureau opricht dat belast is met het afhandelen van de zaken van dagelijks bestuur en waaraan hij bovendien andere wel omschreven bevoegdheden kan overdragen; 4.3.2.
- Overwegende dat de eigen bevoegdheid van het vast bureau om “zaken van dagelijks bestuur” af te handelen inhoudt, het nemen van uitvoeringsmaatregelen van ondergeschikt belang in aangelegenheden die volledig tot de bevoegdheid van de raad blijven behoren; dat als dergelijke zaken onder meer kunnen worden beschouwd beslissingen over individuele aanvragen om steun- verlening; dat daartegen staat dat de secretaris binnen het OCMW het hoogste administratieve ambt bekleedt; dat alles wat zijn aanwerving betreft, zoals de nominatieve aanwijzing van de leden van de examenjury die de geschiktheid van de kandidaten voor de functie zullen moeten beoordelen, bezwaarlijk als een uitvoeringsmaatregel van ondergeschikt belang kan worden aangemerkt; dat ze niet valt onder de bevoegdheid van het vast bureau om zaken van dagelijks bestuur af te handelen; dat te dezen ook niet blijkt dat de raad voor maatschappelijk welzijn zijn bevoegdheid om de leden van de examenjury aan te stellen, aan het vast bureau zou hebben gedelegeerd; 4.3.2.
- Overwegende dat luidens het administratief statuut van het personeel van het OCMW van Sint-Truiden, de examenjury in alle gevallen moet worden voorgezeten door een afgevaardigde van het provinciebestuur; dat de raad voor maatschappelijk welzijn op 26 februari 1998 en op 28 mei 1998 heeft besloten dat een afgevaardigde deskundige namens het provinciebestuur in de examenjury zou zetelen; dat op de schriftelijke vraag van 27 juli 1998 van de voorzitter en de waarnemend secretaris van het OCMW van Sint-Truiden aan het provinciebestuur om een bevoegde afgevaardigde aan te duiden, Frank BARET, directeur van de afdeling personeel, financiën en werking bestuursorganen van de 11de directie, IX-1693-19/33 lokale besturen en gewesttaken, van het provinciebestuur, op 31 juli 1998 geantwoord heeft dat hij als afgevaardigde van het provinciebestuur de examenjury zou voorzitten; dat de raad voor maatschappelijk welzijn op 27 augustus 1998 daarvan akte heeft genomen; dat op dat stuk de aanwijzing van Frank BARET derhalve overeenkomstig de ter zake toepasselijke reglementering is geschied; 4.3.2.
- Overwegende dat verzoeker het bestaan niet aantoont van een rechtsregel die de verwerende partij ertoe zou verplichten vertegenwoordigers van haar eigen administratie in de examenjury op te nemen; dat niet evident is dat die verplichting zou voortvloeien uit de motiveringsplicht met betrekking tot de deskundigheid van de jury; dat men even goed zou kunnen stellen dat om de objectiviteit te vrijwaren het beter is dat geen vertegenwoordigers van de betrokken administratie deel uitmaken van de jury; dat verzoeker ook niet aantoont waarom voor de aanwerving van een OCMW-secretaris alleen een jury waarin vertegenwoordigers van de betrokken administratie zetelen voldoende deskundig zou kunnen zijn, terwijl een jury met uitsluitend externe deskundigen dat niet zou zijn; dat de taken van een OCMW-secretaris wettelijk bepaald zijn, zodat het in beginsel niet onontbeerlijk is dat de leden van de examenjury de plaatselijke situatie kennen om een deugdelijk oordeel over de kandidaten te kunnen vellen; dat, voorzover toch nodig, niets eraan in de weg staat dat de externe juryleden door het bestuur worden geïnformeerd over specifieke plaatselijke situaties; 4.3.2.
- Overwegende dat Jeanine COEKAERTS door de raad voor maatschappelijk welzijn in de examenjury opgenomen werd als “extern deskundige met een universitair einddiploma”; dat niet valt in te zien waarom voornoemde op grond van haar universitaire vorming en ervaring als OCMW-secretaris geen adequaat oordeel zou kunnen vellen over de kandidaten; dat het bezwaar van verzoeker als zou de voornoemde secretaris zijn van een OCMW dat geen rusthuis heeft en dat een gemeente bedient met minder inwoners dan de stad Sint-Truiden, voorzover het ter zake dienend is, overigens gecompenseerd wordt doordat ook de secretaris van het OCMW van Hasselt, dat wel groter is dan dat van Sint-Truiden, in de examenjury was opgenomen; dat het feit dat Jeanine COEKAERTS zou IX-1693-20/33 hebben verklaard in de examenjury te zijn opgenomen “zonder het zelf goed te weten en op handelen van haar O.C.M.W.-Voorzitter”, niet betekent dat zij incompetent is; 4.3.2.
- Overwegende dat verzoeker het niet aannemelijk maakt dat de germaniste Chris SCHOETERS geen deskundig oordeel over de kandidaten zou kunnen vellen; dat zij wellicht vanuit haar specialiteit oog zal hebben gehad voor andere bekwaamheidsaspecten van de kandidaten voor het examen dan de andere juryleden; dat het haar echter niet verboden is vragen te stellen over algemene en actuele onderwerpen; dat het aanwezig zijn van op diverse vlakken gespecialiseerde personen in de jury bijdraagt tot een veelzijdiger beoordeling van de kandidaten; 4.3.2.
- Overwegende dat ten slotte niet valt in te zien waarom aan de examenjury partijdigheid of zelfs maar een schijn van partijdigheid kan worden verweten doordat, zoals in onderhavig geval, een ambtenaar van het provinciebestuur, belast met de behandeling van de dossiers betreffende het administratief toezicht op de lokale besturen, in de examenjury is opgenomen; dat integendeel de aanwezigheid van een dergelijke ambtenaar in de examenjury, gelet op zijn ervaring, kan bijdragen tot het correcte verloop van de examenverrichtingen; dat voorzover verzoeker vreest dat eventuele bezwaren naar aanleiding van de benoeming bij het provinciebestuur behandeld zouden worden door dezelfde persoon, opgemerkt dient te worden dat het betrokken lid van de jury niet de enige is die de kandidaten beoordeelt, dat de kiesheid waartoe een ambtenaar gehouden is hem verbiedt kennis te nemen van bezwaren gericht tegen beslissingen waaraan hij zelf heeft meegewerkt, en dat nadien ook nog beroep kan worden ingesteld bij de hogere administratieve overheid en bij de Raad van State; 4.3.2.
- Overwegende dat het derde middel in geen enkel opzicht gegrond is; 4.4.
- Overwegende dat verzoeker in een vierde middel “gebrek aan afdoende motieven betreffende de beslissing van de examenjury, schending van de IX-1693-21/33 materiële motiveringsplicht en machtsoverschrijding” aanvoert; dat hij daarbij betwist dat de beslissing van de examenjury om hem niet geslaagd te verklaren voor de conversatieproef en dienvolgens voor het gehele aanwervingsexamen steunt op motieven die rechtens en feitelijk aanvaardbaar zijn; dat hij uiteenzet dat twee motieven kunnen worden onderscheiden: eensdeels de punten die hij heeft behaald op de conversatieproef, namelijk 6 punten op 20, en anderdeels de kwalitatieve beschrijving die de examenjury heeft neergelegd in een document dat “eindbeoordeling van de kandidaten” wordt genoemd; dat volgens verzoeker de voormelde punten op zich geen afdoende motivering kunnen vormen, omdat de conversatieproef geen kennisexamen betrof waarbij de gegeven antwoorden naast de examenstof konden worden gelegd en, bovendien, omdat de punten die hij heeft behaald voor het tweede deel van het examen, waarvan de inhoud krachtens het examenreglement voor een belangrijk deel overeenstemde met die van het derde deel, vragen doen rijzen over de ernst van de punten die hij heeft gekregen voor de conversatieproef; dat de bijkomende motieven die worden aangebracht in het document “eindbeoordeling van de kandidaten” niet in aanmerking kunnen worden genomen omdat : - het document is ondertekend door Frank BARET als voorzitter van de examenjury, terwijl deze niet als zodanig werd aangesteld door het bevoegde orgaan van het OCMW; - het document is, in tegenstelling tot de processen-verbaal, niet ondertekend door de overige juryleden; - het document is ondertekend door de secretaris van de examenjury niettegenstaande zij niet aanwezig was in het examenlokaal tijdens de conversatieproef, zodat haar handtekening niet de vereiste authenticiteit aan het document kan verlenen en het niet uitgesloten is dat het document post factum werd opgesteld nadat de examenjury was ontbonden; dat verzoeker daaraan toevoegt dat, voorzover de Raad van State van oordeel zou zijn dat de motieven aangebracht in het document “eindbeoordeling van de kandidaten” toch in aanmerking kunnen worden genomen, deze motieven niet duidelijk en concreet, niet juist, niet pertinent, niet volledig, niet redelijk en geenszins aangepast aan het belang van de beslissing zijn; dat hij aanvoert dat de IX-1693-22/33 bedoelde motieven meer vragen oproepen dan antwoorden geven, dat ze niet kunnen worden betrokken op het programma van het derde deel van het examen en op hetgeen tijdens de conversatieproef werd gevraagd en geantwoord, dat ze de toets aan de redelijkheid niet kunnen doorstaan wijl hij sedert vrijwel zes jaar tot algehele voldoening secretaris is van een OCMW met ongeveer 85 personeelsleden en met een uitgebreide dienstverlening en in die hoedanigheid meerdere en omvangrijke initiatieven tot een goed einde heeft gebracht, dat ze niet volstaan gezien zijn definitieve uitsluiting die eruit voortvloeit en de punten die hij heeft behaald voor het tweede deel van het examen en dat, indien men een definitieve selectie wilde maken op basis van functiemotivatie en visie, de raad voor maatschappelijk welzijn daarvoor in een afzonderlijke proef had moeten voorzien, en het hoe dan ook niet aan de examenjury toekwam in die zin een selectie te maken; dat verzoeker besluit dat de examenjury motieven heeft “gezocht” om hem niet geslaagd te verklaren : volgens hem heeft de examenjury daarbij blijk gegeven van weinig inspiratie, vermits hij meent te kunnen vaststellen dat de motieven die de hoge punten van de tussenkomende partij verantwoorden, de inversie zijn van die welke worden aangehaald om hem niet geslaagd te verklaren; 4.4.2.
- Overwegende dat verzoeker voor de conversatieproef 6 punten op 20 behaalde; dat de desbetreffende proef geen kennisexamen betrof waarbij de antwoorden van de kandidaten met de examenstof konden worden vergeleken, zodat de aan verzoeker toegekende punten op zich niet volstaan ter motivering van zijn niet geslaagd zijn; dat de motieven die de examenjury ertoe hebben gebracht verzoeker niet geslaagd te verklaren echter zijn verwoord in een document “eindbeoordeling van de kandidaten”; dat daarin over wat verzoeker betreft vermeld wordt : “De kandidaat totaliseert 49 op 80 punten voor het schriftelijk gedeelte. Hij bekomt een vrij laag cijfer voor de mondelinge proef, met name 6/
- De kandidaat geeft in zijn uiteenzetting blijk van merkwaardige niet functiegerichte motivatie voor dit ambt, hetgeen er op wijst dat hij de draagwijdte en de omvang van het ambt van secretaris in een OCMW als dit niet schijnt in te schatten. Zijn uiteenzetting inzake de visie op de organisatie en de personeelsproblematiek bevat geen structurele benadering maar een aanreiken IX-1693-23/33 van middelen en instrumenten. De leiderschapsstijl door hem voorgehouden is eerder vrijblijvend en zonder duidelijke visie. De jury meent dat de kandidaat onvoldoende maturiteit bezit voor een functie van deze omvang. Onvoldoende en ongeschikt.”; 4.4.2.
- Overwegende dat verzoeker ten onrechte laat gelden dat het voormelde document niet rechtsgeldig zou zijn; dat bij de behandeling van het derde middel reeds is besloten dat Frank BARET regelmatig als voorzitter van de examenjury kon fungeren; dat hij derhalve het voormelde document ook rechtsgeldig “namens de jury” kon ondertekenen; dat de omstandigheid dat de overige juryleden het document niet mede hebben ondertekend, niet impliceert dat het onwettig zou zijn; dat de voorzitter door de ondertekening van het document “namens de jury” immers doet blijken dat de opgenomen motieven die zijn van de gehele jury; dat zulks wordt bevestigd doordat de bedoelde motieven verenigbaar zijn met de nota’s welke de individuele juryleden tijdens de conversatieproef hebben genomen; dat het feit dat de nota’s van één van de vier juryleden niet meer beschikbaar zijn, daaraan geen afbreuk vermag te doen, aangezien geen regel of algemeen beginsel alle juryleden verplicht nota’s te nemen en deze bij het dossier te voegen, en wijl verzoeker van zijn kant geen enkel gegeven aanbrengt dat eraan kan doen twijfelen dat de motieven vermeld in het document “eindbeoordeling van de kandidaten” wel degelijk de motieven van de examenjury zijn; dat de omstandigheid dat de secretaris van de examenjury niet aanwezig was tijdens de conversatieproef er niet aan in de weg staat dat zij naderhand, door de ondertekening van het document “eindbeoordeling van de kandidaten”, kon attesteren welke motieven de examenjury ertoe hebben gebracht verzoeker voor die conversatieproef niet geslaagd te verklaren; dat zij immers niet attesteert dat verzoeker slechts 6 punten op 20 verdiende, wel dat dit het oordeel van de jury was; dat overigens verzoeker geen enkele rechtsregel aanwijst die de secretaris van de examencommissie zou verplichten het afleggen van de examenproeven fysiek bij te wonen; 4.4.2.
- Overwegende dat het document “eindbeoordeling van de kan- didaten” precies vermeldt om welke redenen verzoeker niet geslaagd werd verklaard IX-1693-24/33 voor de conversatieproef; dat de formele motivering niet vergt dat de motieven van de motieven kenbaar worden gemaakt; dat de aangevoerde motieven betrekking hebben op verzoekers motivatie voor de te begeven betrekking, zijn visie op de organisatie en de personeelsproblematiek en zijn leiderschapsstijl; dat ze afdoende zijn; dat verzoeker daarenboven niet aantoont dat de in het voornoemde document vermelde motieven niet terecht zouden zijn; dat, anders dan verzoeker stelt, deze motieven wel degelijk kunnen worden betrokken op het programma van het derde deel van het examen, hetwelk “een conversatieproef in verband met grondwettelijk en administratief recht, O.C.M.W.-wetgeving, elementaire kennis van informatica, algemene en actuele onderwerpen” omvat; dat het niet onredelijk kan worden geacht dat tijdens een dergelijke conversatieproef veeleer de algemene geschiktheid van de kandidaat voor de functie wordt getoetst dan diens strikt juridische kennis van bepaalde rechtsvakken, welke reeds tijdens het tweede deel van het examen werd getest; dat de omstandigheid dat verzoeker sedert vrijwel zes jaar “tot algehele voldoening” secretaris is van een OCMW met ongeveer 85 personeelsleden en met een uitgebreide dienstverlening en in die hoedanigheid meerdere en omvangrijke initiatieven tot een goed einde heeft gebracht, als zodanig niet eraan in de weg staat dat de examenjury tot de bevinding kan komen dat verzoeker “onvoldoende maturiteit” bezit voor een functie van secretaris bij een OCMW met de omvang van dat van Sint-Truiden; dat verzoeker ook niet aannemelijk maakt dat de voormelde motieven “gezocht” zouden zijn : de gelijkheid van de kandidaten vereiste dat ook de tussenkomende partij werd beoordeeld op haar motivatie voor de te begeven betrekking, haar visie op de organisatie en de personeelsproblematiek en haar leiderschapsstijl; dat de motivering van de punten van de tussenkomende partij dan ook betrekking heeft op dezelfde beoordelingscriteria; dat bezwaarlijk eruit kan worden afgeleid, zoals verzoeker doet, dat de examenjury blijk heeft gegeven van “weinig inspiratie”; 4.4.2.
- Overwegende dat het vierde middel niet gegrond is; 4.5.
- Overwegende dat verzoeker in zijn vijfde middel de schending van de formele motiveringsplicht aanvoert; dat hij daarbij uiteenzet dat de formele IX-1693-25/33 motiveringsplicht, opgelegd door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, geschonden is, doordat de beslissing van het OCMW van Sint-Truiden van 12 januari 1999 waarbij hem wordt meegedeeld dat hij niet slaagde voor het mondeling deel III van het examen, zelfs geen begin van motivering bevat, laat staan een afdoende motivering; dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog bijkomend aanvoert, vooreerst dat de verplichting om bestuurshandelingen formeel te motiveren een substantieel vormvereiste van openbare orde betreft, zodat het niet volstaat dat hij op een andere wijze dan door middel van de bestreden beslissing kennis heeft gekregen van de motieven en dat bovendien een aantal belangrijke stukken uit het administratief dossier hem niet ter kennis werden gebracht, zodat hij niet de volledige materiële motivering kende; 4.5.
- Overwegende dat de voorzitter en de waarnemend secretaris van het OCMW verzoeker met een brief van 12 januari 1999 hebben medegedeeld dat hij niet geslaagd was voor het derde deel van het examen; dat bij die voormelde brief onder meer de processen-verbaal van de examenproeven en het document “eindbeoordeling van de kandidaten” waren gevoegd; dat die laatste stukken de eigenlijke beslissing om verzoeker niet geslaagd te verklaren en haar formele motivering inhouden; dat voorzover die toezendingsbrief te beschouwen is als de weergave van de beslissing om verzoeker niet geslaagd te verklaren voor de mondelinge proef, hij aan de formele motiveringsvereisten voldeed aangezien zowel de opgave van de behaalde punten als de formele motivering van die puntentoekenning erbij gevoegd waren; dat verzoeker dus de motieven van de beslissing om hem niet geslaagd te verklaren kende en er zich met kennis van zaken tegen heeft kunnen verweren; dat zoals de behandeling van het vierde middel reeds heeft uitgewezen, de formele zowel als de inhoudelijke motivering van de beslissing ook afdoende waren; dat het middel niet gegrond is; 4.6.1.
- Overwegende dat verzoeker een zesde middel aanvoert, “genomen uit de verplichting, uit hoofde van verzoeker, om blijk te geven van het nodige belang en uit schending van de materiële motiveringsplicht”; dat hij uiteenzet IX-1693-26/33 dat hij het besluit van 30 december 1998 van de raad voor maatschappelijk welzijn houdende de benoeming van de tussenkomende partij tot secretaris aanvecht om zijn belang bij de zaak te vrijwaren; dat hij laat gelden dat dit benoemingsbesluit onwettig is, doordat de titels en verdiensten van de geslaagde kandidaten niet objectief werden vergeleken : de kwaliteiten van de tussenkomende partij werden gemaximaliseerd, terwijl de titels en verdiensten van de overige geslaagde kandidaten niet eens ter sprake werden gebracht; dat hij voorts stelt dat ook de materiële motivering van het benoemingsbesluit faalt, doordat het niet verwijst naar het besluit van 26 februari 1998 van de raad voor maatschappelijk welzijn, terwijl dat besluit de leden van de examenjury nominatief heeft aangesteld; 4.6.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog laat gelden dat het feit dat hij niet geslaagd is voor het aanwervingsexamen en hierdoor zijn titels en verdiensten niet met die van de andere kandidaten konden worden vergeleken, niet impliceert dat hij er geen belang bij zou hebben het onzorgvuldig handelen van het bestuur en zijn machtsoverschrijding aan te tonen door te wijzen op het gebrek aan vergelijking van de titels en verdiensten, in het benoemingsbesluit, van de kandidaten die wel slaagden; dat hij ook nog laat gelden dat het benoemingsbesluit, teneinde te voldoen aan de materiële motiveringsplicht, wel degelijk diende te verwijzen naar het raadsbesluit van 26 februari 1998 omdat daarbij de leden van de examenjury nominatief werden aangesteld : het benoemingsbesluit kan niet naar de inhoud van bedoeld besluit teruggrijpen zonder het expliciet te vermelden; 4.6.2.
- Overwegende dat verzoeker in eerste instantie terecht kan stellen dat hij het besluit van 30 december 1998 van de raad voor maatschappelijk welzijn houdende de benoeming van de tussenkomende partij tot secretaris moet bestrijden om zijn belang bij de zaak te behouden; dat hij daarvoor echter niet noodzakelijk een middel moet aanvoeren dat direct op bedoeld benoemingsbesluit kan worden betrokken; dat aangezien het benoemingsbesluit een complexe rechtshandeling afsluit, het volstaat dat hij de vernietiging van het benoemingsbesluit vordert op grond van de onwettigheid van één van haar onderdelen, in dezen, de beslissing van IX-1693-27/33 de examenjury om hem niet geslaagd te verklaren voor de conversatieproef; dat dit in acht genomen, verzoeker geen belang heeft om de schending aan te voeren van de verplichting die op de verwerende partij rust om de titels en verdiensten van de geslaagde kandidaten te vergelijken : hij was zelf -terecht of ten onrechte- geen geslaagde kandidaat en een vernietiging van het benoemingsbesluit louter op grond van een ontoereikende vergelijking van de titels en verdiensten van de kandidaten die dat wel waren of zelfs op grond van het ontbreken van een dergelijke vergelijking kan, zoals de verwerende partij terecht opwerpt, er niet toe leiden dat verzoeker voor een benoeming in aanmerking zou komen; 4.6.2.
- Overwegende dat het ontbreken in het benoemingsbesluit van een verwijzing naar het raadsbesluit van 26 februari 1998 geen schending van de materiële motiveringsplicht uitmaakt; dat die eventuele onvolledigheid in de motivering van het benoemingsbesluit de formele motivering, niet de materiële motivering van dat besluit betreft; dat verzoeker niet aantoont hoe hij door die onvolledigheid in zijn belangen zou zijn geschaad, nu hij kennis had van het raadsbesluit van 26 februari 1998 waarvan hem met een brief van 12 januari 1999 een afschrift was toegestuurd; dat het zesde middel niet gegrond is; 4.7.
- Overwegende dat verzoeker in een zevende middel de schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert; dat volgens hem de gelijke behandeling van de kandidaten voor een benoeming vergde dat het geheim karakter van het examen wordt gewaarborgd, wat te dezen niet het geval was, daar Jeanine COEKAERTS, lid van de examenjury, aan hem heeft verklaard “zijn geschrift te hebben herkend bij het quoteren van de examens”; dat hij daaruit afleidt dat het geheim karakter van het examen en dus het gelijkheidsbeginsel werden geschonden; dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord nog laat gelden dat de schending van het geheim karakter van het examen een schending van het gelijkheidsbeginsel impliceert wanneer voor de andere kandidaten wel het geheim karakter van het examen gewaarborgd is gebleven; IX-1693-28/33 4.7.
- Overwegende, vooreerst, dat het feit dat Jeanine COEKAERTS bij de verbetering van de schriftelijke proeven het geschrift van verzoeker zou hebben herkend, een bewering is die verzoeker niet staaft; dat het volstrekte behoud van de anonimiteit bij schriftelijke proeven trouwens geen substantiële voorwaarde uitmaakt die hoe dan ook moet worden gevrijwaard; dat, zelfs aangenomen dat voornoemde het geschrift van verzoeker inderdaad zou hebben herkend en dat daardoor de anonimiteit van de schriftelijke examenproeven van verzoeker in tegenstelling tot die van de examens van de andere kandidaten is teloorgegaan waardoor verzoeker zich niet meer in dezelfde positie als die andere kandidaten bevindt, verzoeker niet aannemelijk maakt en uit geen gegeven van het dossier blijkt dat hij daardoor enig nadeel heeft ondergaan; dat het verlies van de anonimiteit weliswaar een aanwijzing zou kunnen inhouden in de richting van een onregelmatige puntenquotering door of onder invloed van het betrokken jurylid, doch enkel indien andere gegevens worden verstrekt volgens welke die quotering inderdaad afwijkingen vertoont; dat verzoeker echter ten aanzien van zijn punten op de schriftelijke examenproeven geen enkele kritiek uit; dat in dezen benadeling overigens des te minder waarschijnlijk is daar het betrokken jurylid, waarmee verzoeker blijkbaar toch op goede voet verkeert, hem zelf zou hebben ingelicht; dat de, eveneens van voornoemd jurylid afkomstige informatie als zouden van verzoeker punten afgetrokken zijn wegens zijn slordig geschrift, niet gestaafd wordt door inhoudelijke gegevens gebaseerd op een vergelijking van de antwoorden; dat examinatoren overigens moeilijk punten kunnen toekennen op onleesbare antwoorden; dat het zevende middel eveneens niet gegrond is; 4.8.1.
- Overwegende dat verzoeker in een achtste middel de algehele schending van het zorgvuldigheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur en machtsoverschrijding aanvoert; dat hij uiteenzet dat het zorgvuldigheidsbeginsel het bestuur ertoe verplicht te vermijden dat de rechtmatige verwachtingen van de bestuurde worden gefrustreerd door de “lichtzinnigheid van de besluitvorming”, welke ter zake legio is en in zijn verzoekschrift reeds uitvoerig werd geduid; dat hij verklaart de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel in het onderhavige middel IX-1693-29/33 nogmaals en afzonderlijk te willen accentueren, welke onzorgvuldigheden die hij heeft onderkend dan “kort en niet limitatief” herneemt : “- de rechtstreekse contactname met verzoeker door juryleden, inzonderheid de heer BARET en mevrouw COEKAERTS, en de mededeling van gegevens door deze; - het domineren van het examen door het provinciebestuur en tussenkomst met betrekking tot het al dan niet verlenen van het inzagerecht en afschrift van het dossier aan verzoeker; - de hardnekkige geruchten die naar aanleiding van deze benoeming reeds geruime tijd en van voor de aanvang van het examen circuleerden in de regio Sint-Truiden en o.a. inhoudende dat de vrouw van een gemeenteraadslid eerste zou eindigen en benoemd worden; dat verzoeker hierop nog terugkomt; - het laten bijwonen van de raadszittingen door personen vreemd aan de Raad; - onduidelijke agendering; - twee maal vaststellen van de aanwervingsvoorwaarden en nu eens terug- grijpen naar de ene beslissing, dan naar de andere; - onvolledige aanduiding van de nominatieve examenjury; - schending van de verplichte onderhandeling met de vakorganisaties; - incompetente en partijdige samenstelling en werking van de examenjury; - geen behoorlijke feitenvinding daar waar besloten wordt verzoeker niet te laten slagen in deel III van het examen; - onrechtsgeldigheid van het essentiële document genaamd ‘eindbeoordeling van de kandidaten’ ”; dat verzoeker betoogt dat die onzorgvuldigheden op zich dienen te leiden tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen en eraan toevoegt dat de verwerende partij reden kon hebben om die onzorgvuldigheden te begaan teneinde aldus “de aanwervingsprocedure zodanig te sturen dat ze zou leiden tot een vooropgesteld resultaat”; dat hij daarbij in herinnering brengt dat “reeds geruime tijd en van voor de aanvang van het examen in de regio Sint-Truiden de hardnekkige geruchten circuleerden dat de vrouw van een gemeenteraadslid eerste zou eindigen in het examen en benoemd zou worden” en dat “het al even hardnekkige gerucht circuleert dat [de tussenkomende partij] inderdaad samenwonend zou zijn met een gemeenteraadslid/schepen van de stad Sint-Truiden”; dat de Raad van State in het kader van zijn inquisitoriale onderzoeksbevoegdheid, hiernaar een onderzoek kan voeren en dat indien de voormelde geruchten worden bevestigd, “machts- overschrijding” is aangetoond; IX-1693-30/33 4.8.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord opmerkt dat de verwerende partij verwijst naar hetgeen zij met betrekking tot de voorgaande middelen heeft gesteld, maar aldus geen antwoord geeft op twee van de aangevoerde onzorgvuldigheden, namelijk de rechtstreekse contactname met verzoeker door juryleden en mededelen van gegevens door deze, en het domineren van het examen door het provinciebestuur en tussenkomst met betrekking tot het al dan niet verlenen van het inzagerecht en afschrift van het dossier aan verzoeker; dat hij voorts nog stelt dat hij de voorzitter van het OCMW van Sint-Truiden in kennis heeft gesteld van de bedoelde geruchten, zodat indien de raad voor maatschappelijk welzijn daarvan niet op de hoogte was, dit moet worden toegeschreven aan een gebrekkige interne werking van het OCMW; dat met betrekking tot de aangevoerde “machtsoverschrijding” verzoeker nog laat gelden dat ook aangaande de onafhankelijkheid van de juryleden “hardnekkige geruchten circuleren in de regio Sint-Truiden”, welke “geruchten”, die de relatie van de tussenkomende partij met een schepen, de professionele en andere relaties van de juryleden onder elkaar, en dergelijke betreffen, hij dan meer uitgebreid en concreet weergeeft; 4.8.2.
- Overwegende dat voorzover verzoeker in het middel de schending van de zorgvuldigheidsplicht aanvoert, vooreerst moet worden vastgesteld dat hij die schending onderkent in de vermeende onregelmatigheden die hij grotendeels reeds in de vorige middelen heeft aangevoerd; dat bij de behandeling van die vorige middelen reeds is gebleken dat geen ervan gegrond is; dat voorts het feit dat Frank BARET op 18 december 1998 verzoeker heeft gecontacteerd in verband met diens vraag tot inzage en afschrift van het dossier en diens twijfel over de lage quotering van zijn conversatieproef, op het eerste gezicht geen onzorgvuldigheid uitmaakt die de wettigheid van de examenverrichtingen in het gedrang brengt; dat niet bewezen is dat Jeanine COEKAERTS met verzoeker contact zou hebben opgenomen en hoe dan ook niet blijkt dat dit beweerde contact gevolgen zou hebben gehad ten aanzien van de regelmatigheid van de examenverrichtingen; dat de bewering dat het provinciebestuur het aanwervingsexamen zou hebben “gedomineerd” een blote bewering is; IX-1693-31/33 4.8.2.
- Overwegende dat voorzover verzoeker in het middel “machts- overschrijding” aanvoert, hij andermaal blijkt te bedoelen “machtsafwending”; dat het bewijs van machtsafwending niet louter kan worden afgeleid uit “geruchten”, maar uit handelingen die in hun onderlinge samenhang beschouwd, het bewijs leveren dat de overheid andere belangen heeft willen nastreven dan die waartoe de bevoegdheid welke zij aanwendt dient te strekken; dat het niet aan de Raad van State toekomt een onderzoek te voeren naar louter “geruchten”, terwijl geen enkel objectief gegeven voorligt dat een overtuigende aanwijzing van machtsafwending verstrekt; dat het achtste middel eveneens ongegrond is; 4.9.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord een nieuw negende middel, schending van artikel 32 van de Grondwet, aanvoert, doordat hij met een aangetekende brief van 23 december 1998 aan de verwerende partij heeft gevraagd hem het volledige dossier te bezorgen “daarin inbegrepen alle raadsbesluiten en besluiten Vast Bureau, inbegrepen de toewijzing van bevoegdheden aan het Vast Bureau door de Raad, alle ingewonnen adviezen, alle examenschriften van alle kandidaten met aanduiding van de quoteringen per vraag (...), benoemingsbeslissing,...”, maar hij nu moet vaststellen dat de verwerende partij in het administratief dossier dat zij bij de Raad van State heeft neergelegd, een aantal documenten heeft opgenomen die hem nooit eerder werden bezorgd; 4.9.
- Overwegende dat de eventuele schending van artikel 32 van de gecoördineerde Grondwet bij het verstrekken door de verwerende partij van de met een brief van 23 december 1998 gevraagde documenten aan verzoeker, als zodanig geen gevolgen heeft voor de wettigheid van de door verzoeker ontvankelijk bestreden beslissingen; dat indien verzoeker meende dat de in het kader van de procedure voor de Raad van State voorgelegde nieuwe stukken nieuwe onregelmatigheden aan het licht brachten of bijkomende gegevens opleverden met betrekking tot reeds aangeklaagde onregelmatigheden, het hem toekwam daarover nieuwe middelen aan te voeren of de reeds aangevoerde middelen aan de hand ervan uit te werken; dat het negende middel niet gegrond is, IX-1693-32/33 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven maart 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, Mevr. S. VAN AELST, griffier. De griffier, De voorzitter, S. VAN AELST. J. DE BRABANDERE. IX-1693-33/33 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.633 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.