id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.638 Rolnummer: A. 141994/X-11585 Zaak: Arrest 141638 - - 07/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-18 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 08:20 Fiche Arrest nr 141.638 van 7 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.638 van 7 maart 2005 in de zaak A. 141.994/X-11.
- In zake : Mimi GEEROMS, die woonplaats kiest bij Advocaten J. GHYSELS en P. FLAMEY, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Aarlenstraat 25 tegen : de gemeente LONDERZEEL, die woonplaats kiest bij Advocaten D. LINDEMANS en F. DE PRETER, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Keizerslaan
- tussenkomende partijen :
- de n.v. ORBM, die woonplaats kiest bij Advocaat E. EMPEREUR, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 106,
- Pauwel VAN HOUT,
- Liesbeth SLACHMUYLDERS, die woonplaats kiezen bij Advocaten J. GHYSELS en P. FLAMEY, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Aarlenstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Mimi GEEROMS op 25 september 2003 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 28 juli 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel waarbij aan de n.v. ORBM de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het slopen van een bijgebouw, het aanleggen van een weg en het verplaatsen van een hoogspanningscabine op percelen, gelegen te Londerzeel, Molenstraat, kadastraal bekend Sectie F, nrs. 247 R, 250 W en 250 T en om "bij toepassing van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet buiten toepassing te laten" de beslissing van 26 augustus 2002 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel waarbij aan de n.v. BRICOMARKT de X-11.585-1/7 stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het oprichten van een opslagplaats op een perceel, gelegen te Londerzeel, Molenstraat, kadastraal bekend Sectie F, nr. 247 P; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 18 december 2003 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 januari 2004; Gehoord het verslag van Staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. GHYSELS, die verschijnt voor de verzoekende partij en voor de tweede en de derde tussenkomende partij, van Advocaat F. DE PRETER, die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat A. VERLINDEN die, loco Advocaat E. EMPEREUR verschijnt voor de eerste tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de n.v. ORBM met een verzoekschrift van 17 oktober 2003 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat Pauwel VAN HOUT en Liesbeth SLACHMUYLDERS met een verzoekschrift van 22 december 2003 vragen om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat de eerste tussenkomende partij zich ter terechtzitting bij monde van haar raadsman tegen deze tussenkomst verzet en doet gelden dat Pauwel VAN HOUT en Liesbeth SLACHMUYLDERS voldoende tijd hadden om hun verzoek eerder in te dienen dan na het neerleggen van het auditoraatsverslag, daar zij schuin tegenover de verzoekende partij wonen; X-11.585-2/7 Overwegende dat bij ontstentenis van kennisgeving en buiten het in artikel 7, juncto artikel 10, derde lid, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State bedoelde geval, een tussenkomst in beginsel kan worden toegelaten tot aan de sluiting van de debatten, voor zover deze de procedure niet vertraagt; dat ter terechtzitting is gebleken dat te dezen de tussenkomst van Pauwel VAN HOUT en Liesbeth SLACHMUYLDERS de rechten van de verdediging en de goede rechtsbedeling niet in het gedrang brengt of dreigt te brengen;
- De feiten Overwegende dat de rechtsvoorganger van de eerste tussenkomende partij op 12 oktober 2000 aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel een stedenbouwkundige vergunning vraagt voor het oprichten van een opslagplaats op een perceel gelegen te Londerzeel, Molenstraat, kadastraal bekend Sectie F, nr. 247 P; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel met een besluit van 26 augustus 2002 de gevraagde vergunning geeft met als voorwaarde onder meer het voorzien van "een bijkomende ontsluiting langsheen de terreinen van het voormalige bedrijf 'Lonki' om aldus het ganse gebied optimaal te kunnen ontsluiten (mogelijkheid tot 3 inritten en 2 uitritten)"; Overwegende dat de rechtsvoorganger van de eerste tussenkomende partij op 13 juni 2002 een stedenbouwkundige vergunning vraagt voor het slopen van een bijgebouw, het aanleggen van een weg en het plaatsen van een hoogspanningscabine op een terrein aan de Molenstraat 59-61-63 te Londerzeel, kadastraal bekend Sectie C, nrs. 247r, 250w en 250t; dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel met een besluit van 28 juli 2003 de gevraagde vergunning geeft; dat dit de bestreden beslissing is;
- De ontvankelijkheid Overwegende dat de verwerende partij en de eerste tussenkomende partij in een exceptie de onontvankelijkheid van de vordering opwerpen in zoverre wordt gevraagd "het besluit van 26.08.2002 bij toepassing van artikel 159 van de gecoördineerde Grondwet buiten toepassing te laten wegens onwettigheid"; X-11.585-3/7 Overwegende dat het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Londerzeel van 26 augustus 2002, waarmee een stedenbouwkundige vergunning wordt gegeven, een individuele beslissing is, waartegen geen beroep is ingesteld; dat de verzoekende partij zich na het verstrijken van de termijn van zestig dagen om een beroep tot nietigverklaring in te stellen niet op artikel 159 van de Grondwet kan beroepen; dat de vordering in die mate niet ontvankelijk is;
- Beoordeling 3.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij, wat de tweede voorwaarde betreft, in essentie aanvoert dat de woning van de verzoekende partij aan het kruispunt ligt waar de vergunde weg op de Molenstraat aansluit, dat in de bestreden beslissing wordt vermeld dat deze weg niet enkel een toegangsweg is voor het verkeer van en naar de loods maar ook een bijkomende ontsluitingsweg voor het naastgelegen distributiecentrum met een aantal warenhuizen, dat niet is bepaald dat het een éénrichtingsweg wordt, dat het bijkomende verkeer geluidshinder, trillingen, luchtvervuiling en een verhoogd risico op ongevallen zal veroorzaken, dat het verkeer niet aan een milieuvergunningsplicht is onderworpen, dat het bijkomende verkeer de leefsituatie van de verzoekende partij onmogelijk zal maken of ten zeerste zal belasten, dat de autolichten bij het indraaien op het kruispunt een lichtinslag in de woningen veroorzaken, dat het een ernstig nadeel is dat zich onmiddellijk voordoet en dat de nadelige gevolgen niet achteraf kunnen worden hersteld; 3.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in essentie antwoordt dat de verzoekende partij verkeerdelijk uitgaat van de premisse dat de kwestieuze weg in twee richtingen zal worden gebruikt, dat de weg voor éénrichtingsverkeer is ontworpen, dat uit het verkeerscirculatieplan blijkt dat enkel wegrijdend verkeer over de nieuwe weg is gepland, dat dit verkeer van reeds vergunde winkels wegrijdt, X-11.585-4/7 dat de Molenstraat, waar de verzoekende partij woont, nu reeds een erg drukke weg is hetgeen blijkt uit de verkeerstellingen, dat de verzoekende partij niet aantoont dat ter hoogte van haar woning een merkbare verhoging van de verkeersdrukte wordt veroorzaakt, dat de verwijzingen naar luchtvervuiling, trillingen, geluidsoverlast en verkeersonveiligheid vaag en nietszeggend zijn, dat het enige verschil wordt veroorzaakt door de lichten van de auto’s die op de woning van de verzoekende partij zullen zijn gericht, dat de hinder beperkt is vermits de activiteiten in het commerciële centrum en het industriële gebouw voornamelijk overdag plaatsvinden en dat dit geen ernstig nadeel vormt gezien de ligging van de woning aan een bestaande drukke verkeersweg; 3.2.
- Overwegende dat de eerste tussenkomende partij er in essentie aan toevoegt dat de Molenstraat reeds een drukke weg is, dat het verkeer dat van de nieuwe ontsluitingsweg gebruik zal maken voor het overgrote deel hetzelfde verkeer is dat nu voor de woning van de verzoekende partij doorrijdt, dat er geen bijkomende verkeersdrukte wordt veroorzaakt, dat de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de verkeershinder dus niet zal verminderen, dat, voor zover er toch een nadeel is, dit niet ernstig is gezien de bestaande drukte en dat nergens uit blijkt dat het voorgehouden nadeel moeilijk te herstellen is; 3.2.
- Overwegende dat de tweede en de derde tussenkomende partij er in essentie aan toevoegen dat de bedoelde weg wel degelijk in twee richtingen en ook voor de woningen, met nachtelijk en weekendverkeer, zal worden gebruikt, dat er geen garantie bestaat dat het verkeerscirculatieplan ook zal worden uitgevoerd, dat de verwerende partij het gebruik van de nieuwe weg door vrachtwagens niet tegenspreekt, dat ook de verzoekende partij benadrukt dat de weg veel breder zou moeten zijn, dat het bijkomende verkeer de doodssteek voor de buurt vormt en dat de verkeerstelling had moeten worden gedaan vooraleer de bestreden beslissing werd genomen; 3.2.
- Overwegende dat het door de verzoekende partij voorgehouden nadeel uitsluitend betrekking heeft op de toename van de verkeersdrukte en de daaruit voortvloeiende hinder en gevaren; dat uit de feitelijke gegevens van de zaak blijkt dat de Molenstraat, waar de woning van de verzoekende partij ligt, een drukke verkeersweg is en dat het verkeer voor het bestaande commerciële centrum thans reeds langs die weg rijdt; dat de verzoekende partij zich beperkt tot algemene X-11.585-5/7 verwijzingen naar verkeershinder doch niet in concreto aannemelijk maakt dat de verkeerssituatie door de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing dermate zal verslechteren dat er sprake is van een ernstig nadeel in vergelijking met de bestaande situatie; dat met het door de tweede en de derde tussenkomende partij voorgehouden nadeel geen rekening kan worden gehouden bij de beoordeling van het door de verzoekende partij aangevoerde nadeel; Overwegende dat uit de uiteenzetting van de verzoekende partij derhalve niet blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State;
- Overwegende dat niet is voldaan aan de tweede door voornoemd artikel 17, § 2, opgelegde voorwaarde om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De verzoeken tot tussenkomst van de n.v. ORBM en van Pauwel VAN HOUT en Liesbeth SLACHMUYLDERS in de vordering tot schorsing worden ingewilligd. Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 375 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor een derde. X-11.585-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven maart 2005, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, B. COLLIN, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, B. COLLIN. C. ADAMS. X-11.585-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.638 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.672 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.