← België

Arrest 141667 - - 08/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.667 Rolnummer: A. 156573/X-12096 Zaak: Arrest 141667 - - 08/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-17 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-07-02 08:21 Fiche Arrest nr 141.667 van 8 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.667 van 8 maart 2005 in de zaak A. 156.573/X-12.

  1. In zake : Roger BUYDAERT, die woonplaats kiest bij Advocaat P. BEIRNAERT, kantoor houdende te 9800 DEINZE, Tolpoortstraat 99 tegen : de bestendige deputatie van de provincieraad van WEST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : Nick PROVIJN, die woonplaats kiest bij Advocaat K. BOUVE, kantoor houdende te 8420 DE HAAN, Mezenlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Roger BUYDAERT op 15 oktober 2004 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 29 juli 2004 van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen waarbij het beroep ingesteld door Carl DE BRAECKELEER, zaakvoerder van DLV Bouwconsult, namens Nick PROVIJN tegen de beslissing van 24 december 2003 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Tielt houdende weigering van de vergunning tot het bouwen van een zeugenstal met stalgeïntegreerde mestverwerking, betonverharding en regenopvang, aan de Zwijntjesstraat te Tielt, op een perceel kadastraal bekend Sectie C, nr. 242, voorwaardelijk ontvankelijk en gegrond wordt verklaard; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-12.096-1/8 Gelet op de beschikking van 31 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 februari 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat P. BEIRNAERT, die verschijnt voor verzoeker, van Adjunct-adviseur P. DEWULF, die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat K. GRAUWELS die, loco Advocaat K. BOUVE verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat Nick PROVIJN met een verzoekschrift van 4 november 2004 heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; I. De feiten.
  3. Op 5 april 2003 werd door de tussenkomende partij een aanvraag ingediend voor het bouwen van een zeugenstal met een stalgeïntegreerde mestver- werking bij een bestaand landbouwbedrijf en het aanleggen van betonverharding en regenwateropvang op een perceel gelegen Zwijntjesstraat, Tielt, kadastraal bekend Sectie C, nr.
  4. Dit terrein is volgens het gewestplan Roeselare-Tielt, vastgesteld bij koninklijk besluit van 17 december 1979, gelegen in agrarisch gebied. Verzoekende partij is woonachtig aan de Zwijntjesstraat 2, m.n. aanpalend aan het kwestieuze perceel.
  5. Er werd een openbaar onderzoek georganiseerd, naar aanleiding waarvan 14 bezwaarschriften werden ingediend. In zitting van 27 augustus 2003 werden de ingediende bezwaren door het college ontvankelijk en gegrond verklaard. X-12.096-2/8
  6. Na ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar werd bij besluit van 24 december 2003 de vergunning geweigerd door het college van burgemeester en schepenen van de stad Tielt.
  7. Tegen deze weigeringsbeslissing werd door de aanvrager beroep ingesteld bij de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen.
  8. Bij het thans bestreden besluit van 29 juli 2004 werd dit beroep door de bestendige deputatie mits het volgen van een groenaanplantingsplan ingewilligd; II. Beoordeling. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat verzoekster, met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat zij beweert te zullen ondergaan als gevolg van de bestreden beslissing uiteenzet wat volgt : "Het feit dat de stedenbouwkundige vergunning in casu is geschorst zolang er geen rechtsgeldige milieuvergunning is afgeleverd, belet niet dat deze tijdelijke schorsing nog voor een eventueel annulatie-arrest kan zijn opgeheven. Daardoor wordt de stedenbouwkundige vergunning uiteraard uitvoerbaar. Deze tijdelijke schorsing zou inderdaad zijn opgeheven door het bekomen van een milieuvergunning. Gelet op het feit dat de potentiële uitvoering van de stedenbouwkundige vergunning voor het tussenkomen van een annulatie-arrest mogelijk is, betekent dat intussen verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan lijden. Immers de ruimtelijke aantasting die voor de gemachtigde ambtenaar aanleiding was om ongunstig advies te verlenen, zal door de verzoeker wiens woning zich op het dichtste punt op 32,5 meter van de geplande inrichting bevindt dagelijks aan den lijve ondervinden. Deze hinder vertaalt zich niet alleen door een visuele pollutie en het afnemen van zonlicht gelet op de zuidelijke oriëntering van het vergunde gebouw, doch uit zich eveneens door lawaaihinder die de mestverwerkingsin- stallatie en veestal ontegensprekelijk met zich mee zal brengen. Wat de bestreden beslissing ook moge beweren inzake geurhinder, zelfs als deze op het vlak van de verwerking tot een minimum is beperkt, blijft hij X-12.096-3/8 aanwezig, en zal het transport van het residu aan mest in ieder geval voor geurhinder zorgen, via het contact met de open lucht. Het feit dat het bouwwerk een bedrijfsonderdeel vormt van het moederbe- drijf dat aan de overkant van de straat is gelegen, zal uiteraard dagelijks transport met zich meebrengen. Het betreft transport, onder al zijn aspecten, niet alleen van mestafvoer, doch van aanvoer van veevoeder en zelfs van dieren, enz... Zelfs een eventuele annulatie van de bestreden beslissing kan dit nadeel niet belemmeren indien voordien het gebouw wordt opgetrokken en uitgebaat. Alleen reeds het feit dat een eventuele annulatiebeslissing na het optrekken van het gebouw kan tussenkomen, en het feit dat bij eventuele annulatie, het lot van het bouwwerk op zich nog jaren onbeslecht kan blijven, maakt dat zonder schorsing van de bestreden beslissing, verzoeker jarenlang de ongemakken van een bouwwerk dat op basis van geviceerde beslissing is opgetrokken, zou moeten tolereren. Het is duidelijk dat deze feitelijke omstandigheden en hinder de levensom- standigheden van verzoeker in negatieve zin zullen beïnvloeden. De overweging dat de woning van verzoeker zonevreemd is slaat nergens op, gezien de Raad van State reeds in het verleden heeft geoordeeld dat moet worden uitgegaan van de feitelijke situatie. Aangezien het niet opgaat te beweren dat er door de bedrijfseigen mestverwerking minder meststransport zal zijn. Dat hoe dan ook gelet op de nieuwe inplanting voordien geen meststransport naar deze plaats geschiedde. Dat zelfs als slechts een residu van de mest wordt afgevoerd er sprake is van stijging van het mesttransport. Ook het feit dat het bouwwerk zone-eigen zou zijn, doet geen afbreuk aan het ernstig en niet te herstellen nadeel van de verzoeker, aangezien deze uitsluitend is gehouden de gevolgen te dragen van wettelijk verleende bouwvergunningen. Dat er terzake ernstige middelen tot nietigverklaring aanwezig zijn. Dat het een bouwwerk betreft (dat) ten zuiden van de woning van verzoeker een lange zijde zal hebben van 70,20 meter. Dat het daardoor duidelijk is dat dit immense bouwwerk het zicht van verzoeker op de open ruimte zal belemmeren en ook het overwegend zuidelijke zonlicht zal afschermen. Dat het begrip open ruimte moet worden beschouwd vanuit de woonplaats van de verzoeker, die zowel ten zuiden als ten oosten van zijn perceel uitzicht heeft op de open ruimte die zich bevindt op het grondgebied van de gemeente Tielt. Dat de overweging dat aan de overkant van de weg ten westen en ten noorden van de woning van verzoeker 3 landbouwbedrijven aanwezig zijn, geen afbreuk doet aan het feit dat aan de zijde van de weg waar verzoeker woont, sprake is van een onaangetaste open ruimte. Dat het deze concrete aantasting is van de open ruimte op het grondgebied Tielt die voor verzoeker nadelig is. Het kan niet in redelijkheid worden ontkent dat de gevolgen van deze aantasting van de open ruimte voor de verzoeker die binnen een straal (van) 32 meter van deze volumineuze inplanting woont ernstig is. Het feit dat het gebouw een nokhoogte zal hebben van 6,75 meter geeft een idee van de visuele impact die het bouwwerk zal hebben. Deze hoogte is ook van aard om de lichtinval in belangrijke mate te belemmeren. Terecht heeft de gemach- tigde ambtenaar dan ook geoordeeld dat dit voorstel een verzwaring van de aanpalende eigendommen met zich zal meebrengen. Het kan niet worden ontkent dat het optrekken van het gebouw vooraleer er uitspraak is gedaan over het annulatieverzoek grote nadelige gevolgen met zich zal meebrengen, niet in het minst door de eventueel ontstane feitelijke situatie (indien het gebouw wordt opgetrokken) in weerwil van een post factum geannuleerde beslissing. Het kan in redelijkheid niet worden ontkend dat de hogere feiten een ernstig nadeel zouden berokkenen aan de vertoner. De levenskwaliteit zal gedurende jaren negatief worden beïnvloed. De vaststaande aantasting van de levenskwali- teit van de omgeving en de nabijgelegen eigenaars was trouwens één van de X-12.096-4/8 motieven voor de gemachtigde ambtenaar om de aanvraag ongunstig te beoordelen. Komt daarbij dat het optrekken van het gebouw op zich voor de nodige, weze het tijdelijke, ernstige hinder zal bezorgen, het (eventueel) afbreken van het gebouw na een annulatie van de vergunning, zou een dubbele hinder uitmaken, uitsluitend en alleen veroorzaakt door het wederrechtelijk karakter van de tot stand gekomen beslissing. Dat zelfs deze tijdelijke hinder een ernstige en moeilijk te herstellen nadeel uitmaakt, aangezien het ondergane morele en materiële leed niet kan uitgegrond worden door een daaropvolgende annulatie."; Overwegende dat de verwerende partij daar het volgende tegenover stelt : "De stal wordt zo ver mogelijk van de woning van verzoeker opgericht, net omwille van het zoveel mogelijk vrijwaren van verzoeker. Bovendien wordt in het bestreden besluit een uitgebreid groenscherm opgelegd. Verzoeker kan dan ook moeilijk staande houden dat hij visuele pollutie zal ondervinden van het ontwerp. Zijn zicht zal namelijk vooral bestaan uit groenaanplanting en dit kan bezwaarlijk als pollutie beschouwd worden. Wat de afname van zonlicht betreft, moet toch opgemerkt worden dat de hoogte van de stal nog relatief beperkt blijft, meer bepaald een nokhoogte van 6,75 m. Dit terwijl een gemiddelde nokhoogte van een particuliere woning toch 8 à 9 m bedraagt. Bovendien moet ook nog opgemerkt worden dat de woning van verzoeker op een afstand van ongeveer 32 m van de stal verwijderd is en dat verzoeker zelf reeds een groenstrook staan heeft langs de perceelsgrens. De bewering als zou het ontwerp een afname van zonlicht teweegbrengen is dan ook volledig onterecht. Verzoeker spreekt ook nog van lawaaihinder van de mestverwerkingsinstal- latie en de veestal. De mestverwerking is volledig geïntegreerd in de stal. De kans op lawaaihinder van deze installatie is dan ook miniem tot onbestaande. Indien het inderdaad zo zou zijn dat de mestverwerking voor lawaaihinder zou zorgen voor de buurman die op zo'n 32 m van de stal woont, dan zal aanvrager daar ook de gevolgen van ondervinden bij zijn veestapel. Het betreft namelijk een zeugenstal, waar de dieren in alle rust moeten kunnen leven en ook biggen ter wereld brengen. Als het inderdaad zo zou zijn dat de mestverwerking zoveel lawaai maakt, dan zal dit voor de dieren zelf, die zich binnenin de stal bevinden, dus vlakbij de mestverwerking, ondraaglijk zijn met alle gevolgen van dien. Het is dan ook in de eerste plaats in het belang van de aanvrager zelf dat zijn dieren in een rustige, en dus lawaaivrije, omgeving kunnen leven. Bovendien is het ook zo dat alle installaties die onderworpen zijn aan een milieuvergunning, ook getoetst worden op geluidsoverlast. Betreffende installatie zal dan ook aan verschillende normen moeten voldoen, zodat er geen overmatige geluidshinder kan ontstaan. Wat betreft de lawaaihinder die de veestal zal veroorzaken, bedoelt verzoeker waarschijnlijk het gebeurlijk knorren van een varken. Dit betreft niet zo zeer lawaaihinder, als wel geluiden eigen aan de bestemming van het gebied. Verzoeker mag namelijk niet vergeten dat hij nog steeds in agrarisch gebied woont. Een landbouwbedrijf met zijn bijhorende geluiden is eigen aan dergelijke gebieden. In casu betreft het een veeteeltbe- drijf, wat met zich meebrengt dat er dieren aanwezig zijn die zich inderdaad wel eens van tijd tot tijd zullen laten horen. Verzoeker beweert hier dus dat hij lawaaihinder zal ondervinden, terwijl het eigenlijk enkel de normale geluiden, horend bij een zone-eigen veeteeltbedrijf, zullen betreffen. Tenslotte uit verzoeker ook nog de vrees voor geurhinder. Nochtans werd in het bestreden besluit reeds uitdrukkelijk vermeld dat het de bouw van een X-12.096-5/8 nieuwe varkensstal betreft. In het kader van de milieuwetgeving is de verplichting opgenomen dat een nieuwe varkensstal amoniakemissiearm moet gebouwd worden. Deze verplichting is nu net bedoeld om de eventuele geurhinder te reduceren tot een minimum. Verzoeker probeert dan nog te stellen dat er wel nog geurhinder kan veroorzaakt worden door de vrachtwagens die het verwerkte residu zullen afvoeren. Ook deze veronderstelling is onterecht aangezien niet alleen de verwerking op zich, maar ook het transport aan strenge regels wordt onderworpen. Het vervoeren van het residu zal dus niet zomaar in open containers mogelijk zijn. Verzoeker beweert dat de inplanting van de stal heel wat transport, zelfs dagelijks, zal teweegbrengen. Het voornaamste transport zal echter slechts de boer zelf zijn die naar zijn stal gaat om de dieren te verzorgen. Verder blijft het transport beperkt tot het sporadisch aanvoeren van voeders en afvoeren van mest. De hinder die opgeworpen wordt door verzoeker is bijgevolg ofwel heel miniem ofwel onbestaande. Het betreft aldus geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel."; Overwegende dat de tussenkomende partij onder meer het volgende naar voor brengt : "De zogenaamde nadelen die door verzoeker worden opgeworpen inzake zijn leefklimaat, vloeien bijgevolg niet voort uit de stedenbouwkundige vergunning maar uit de bestemmingsvoorschriften van het perceel; dit kan geen MTHEN zijn. Het bestaan van een stedenbouwkundige vergunning voor een pa- ra-agrarisch bedrijf in een landbouwzone kan op zichzelf geen ernstig nadeel berokkenen, omdat dit zou impliceren dat eveneens aangenomen wordt dat dit nadeel enkel voorkomen kan worden door het betrokken perceel de bestemming landbouwzone of landschappelijk waardevol agrarisch gebied te ontnemen."; dat zij na een zeer gedetailleerde en omstandige weerlegging van verzoekers beweringen met betrekking tot de aangevoerde hinder tot het volgende besluit komt : "Er kan enkel vastgesteld worden dat de verzoekende partij zijn vage en algemene beweringen niet staaft, noch met concrete gegevens, noch met overtuigende argumenten, en zodoende onvoldoende aanduidt welk moeilijk te herstellen nadeel hij zal lijden. Bovendien blijkt uit de door verzoekende partij in tussenkomst neergelegde stukken dat de vermeende hinder veelal op totaal verkeerde feitelijke gegevens is gebaseerd. In ieder geval bewijst verzoekende partij niet dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hem een nadeel, laat staan een moeilijk te herstellen ernstig nadeel, laat staan persoonlijk nadeel, berokkent."; Overwegende dat, opdat de Raad van State de schorsing zou kunnen bevelen van de tenuitvoerlegging van de aangevochten akte, er een oorzakelijk verband moet bestaan tussen het moeilijk te herstellen ernstig nadeel en de bestreden beslissing; dat het perceel waarop de werken worden vergund volgens X-12.096-6/8 het gewestplan Roeselare-Tielt is gelegen in agrarisch gebied; dat het nadeel, zoals het door verzoeker wordt uiteengezet, eerder betrekking heeft op de gewestplanbe- stemming dan op het eigenlijke bouwwerk dat zal worden opgericht overeenkomstig deze bestemming; dat de overige nadelen niet worden gestaafd door concrete elementen; Overwegende dat aldus aan een der voorwaarden van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State niet is voldaan; dat zulks volstaat om de vordering tot schorsing te verwerpen zonder dat het nodig is de opgeworpen ontvankelijkheidsexcepties te onderzoeken, BESLUIT: Artikel
  9. Het verzoek tot tussenkomst van Nick PROVIJN in de vordering tot schorsing wordt ingewilligd. Artikel
  10. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  11. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-12.096-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht maart 2005, door : de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. E. BREWAEYS. X-12.096-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.667 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.183.631 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.