id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.742 Rolnummer: A. 111443/XIV-6930 Zaak: Arrest 141742 - - 09/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-29 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-07-02 08:31 Fiche Arrest nr 141.742 van 9 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.742 van 9 maart 2005 in de zaak A. 111.443/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat H. DE PONTHIERE, kantoor houdende te 8900 IEPER, Lombaardstraat 23 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 7 februari 1983 en van Oezbeekse nationaliteit, op 11 oktober 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 14 september 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 juli 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gelet op de beschikking van 29 november 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord, waarbij deze laatste als toelichtende memorie geldt ten opzichte van de eerste verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-6930-1/10 Gelet op de beschikking van 15 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 23 februari 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. DE PONTHIERE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 11 juli 2001 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
- Op 24 juli 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 14 september 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Verder meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina's. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...). Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, Oezbeeks staatsburger van Russische origine, verliet Oezbekistan tijdens de nacht van 3 op 4 juli 2001 per vliegtuig. Op 11 juli 2001 kwam u in België aan waar u nog dezelfde dag het statuut van vluchteling(en) aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. U verklaarde op het Commissariaat-generaal en op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u Oezbekistan verliet omdat u er problemen kende met Wahabieten. In oktober 2000 trad u op tijdens een festival. Twee weken later werd u telefonisch bedreigd door Wahabieten. In december 2000 werd de zaal waar u een optreden gepland had vernield, uw moeder diende hierover(voor) een klacht in. Twee weken na dit incident werd de vernieling telefonisch XIV-6930-2/10 opgeëist door Wahabieten. Eind januari 2001 werd u door Wahabieten bezocht in uw danszaal en u kreeg een slag. U diende hierover(voor) klacht in bij de politie maar er gebeurde niets. Begin februari 2001 brachten Wahabieten u pamfletten die u moest uitdelen aan de Russen. U weigerde en de Wahabieten dreigden uw moeder en grootmoeder om het leven te brengen. De volgende dag ging u naar de politie om aangifte te doen. Uw klacht werd genoteerd maar u hoorde er verder niets van. Op 21 maart 2001 gaf u een optreden in een park en werd er met blikken gegooid door een aantal mensen. U herkende de twee Wahabieten die u voordien telkens bedreigd hadden. Op 15 april 2001 kreeg u thuis bezoek van de Wahabieten en werd u geslagen. U diende geen klacht in omdat de vorige klachten toch niets hadden opgeleverd. In mei 2001 werd u opnieuw gebeld door de Wahabieten en op 28 mei 2001 kwamen ze langs. Uw echtgenoot werd door hen geslagen en ze lieten pamfletten achter in de woning. Een onbekende verwittigde de politie die ter plaatse kwam en uw man onmiddellijk in de boeien sloeg, de paspoorten opeiste, de pamfletten meenam en uw man naar het politiebureau bracht. Op het politiebureau werd uw man geslagen en beschuldigd van samenwerking met de Wahabieten. ’s Ochtends werd hij vrijgelaten bij gebrek aan bewijzen. De dag van zijn vrijlating ontmoette uw man een andere man die u kon helpen vluchten. Kort daarop verliet u tijdens de nacht van 3 op 4 juli 2001, samen met uw echtgenoot (G. S., o.v. 5.115.111), uw moeder (G. Y., 5.114.710) en uw grootmoeder (M. L., o.v. 5.114.708) Oezbekistan per vliegtuig richting Moskou vanwaar u doorreisde naar België. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat uw verklaringen niet overeenstemmen met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (Bureau for Democracy, Human Rights and Labour ‘Uzbekistan: Annual report on International Religious Freedom for 2000’, US Department of State, Washington DC, 5 september 2000 en Bureau for Democracy, Human Rights and Labour ‘Uzbekistan: Annual Report on International Religious Freedom for 1999’, US Department of State, Washington DC, 9 september 1999). U verklaarde immers problemen te hebben met de Wahabieten (CGVS, p. 2). Uit de hierboven vermelde informatie blijkt dat de Oezbeekse autoriteiten zeer restrictief optreden tegen elke vorm van Moslim-extremisme waaronder ook de Wahabieten ressorteren. Het is dan ook zeer onwaarschijnlijk dat u niet op bescherming of hulp van de Oezbeekse autoriteiten zou kunnen rekenen en dat uw klachten met betrekking tot de Wahabieten niet serieus zouden worden genomen door de Oezbeekse autoriteiten. Bovendien wordt de geloofwaardigheid van uw verklaringen (verhoor Dienst Vreemdelingenzaken van 18 juli 2001 en interview Commissariaat-generaal van 17 augustus 2001) ondermijnd door een aantal tegenstrijdigheden. Zo verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u in januari 2001 bedreigd werd door Wahabieten, ze u beledigden omwille van uw Russische origine en lieten weten dat u als Russische geen rechten had in Oezbekistan (DVZ, vraag 42, p. 2) terwijl u tijdens uw interview in dringend beroep expliciet ontkende dat er tijdens het incident van januari 2001 verwijzingen naar uw etnische origine plaatsvonden (CGVS, p. 5). Ook verklaarde u tijdens uw verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken dat u wist dat banden met de Wahabieten strafbaar waren in Oezbekistan (DVZ, p. 2) terwijl u tijdens uw interview in dringend beroep verklaarde dat u geen idee had of de autoriteiten optreden tegen de Wahabieten en dat Oezbekistan een zeer gesloten staat is (CGVS, p. 10). Het is op zijn minst toch wel merkwaardig dat u op de Dienst Vreemdelingenzaken en op het Commissariaat-generaal twee totaal verschillende verklaringen aflegt over de aanpak van de Wahabieten of hun sympathisanten in Oezbekistan. Daarenboven verklaarde u tijdens uw uitgebreide verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ, vraag 42) niets over het feit dat er op 28 mei 2001 tijdens het bezoek van twee Wahabieten, pamfletten met extremistische Moslim-signatuur in uw woning werden achtergelaten en dat uw man omwille van die pamfletten door de politie werd meegenomen (CGVS, p. 9). Het is onwaarschijnlijk dat u dit belangrijke element, met name de pamfletten als reden voor de aanhouding van uw man, zou zijn vergeten te vermelden tijdens uw verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken. De hierboven vermeld(d)e tegenstrijdigheden en ongerijmdheden doen afbreuk aan de geloofwaardigheid van uw verklaringen. Gelet op het voorgaande kan er met betrekking tot uw asielaanvraag geen vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in de Conventie van Genève, worden vastgesteld. De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten (geboorteakte, kopie paspoort, diploma muzikale school, diploma middelbaar onderwijs, huwelijksakte, foto's dansgezelschap, kopie paspoort moeder en grootmoeder, diploma moeder, medisch attest) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet aangezien ze enkel uw persoonsgegevens en die van uw familie bevatten waaraan niet wordt getwijfeld. (...)”.
- Over de gegrondheid van de zaak. XIV-6930-3/10 2.
- Overwegende dat verzoekster in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); dat verzoekster tevens de “afwezigheid van redenen en op zijn minst een manifeste appreciatiefout” aanvoert, evenals de “schending van het algemeen principe van behoorlijk bestuur en schending van het algemeen principe van de rechten van de verdediging”; dat verzoekster uiteenzet dat haar asielaanvraag niet kennelijk ongegrond mocht worden verklaard omdat zij wel gegevens heeft aangebracht dat er ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat verzoekster verduidelijkt dat de Oezbeekse autoriteiten er niet in slagen om het moslim-extremisme aan banden te leggen; dat de plaatselijke politie vermoedelijk samenwerkte met de Wahabieten; dat zij en haar echtgenoot geen hulp konden verwachten van de autoriteiten omdat zij etnische Russen zijn; dat verzoekster documenten bij het verzoekschrift voegt over de toestand in Oezbekistan en vermeldt dat Russen er gediscrimineerd worden; dat zij meent dat het rapport waarnaar de Commissaris-generaal verwijst in de bestreden beslissing, niet uitsluit dat er specifieke redenen kunnen zijn om asiel aan te vragen, zoals verzoekster dat heeft gedaan; dat verzoekster vervolgt dat haar asielaanvraag niet bedrieglijk mocht worden verklaard; dat de asielaanvraag van haar echtgenoot, die op net dezelfde feiten is gebaseerd, immers niet bedrieglijk werd verklaard; dat zij stelt dat de bewijslast bij het ontvankelijkheidsonderzoek bij de Commissaris- generaal ligt; dat in de bestreden beslissing niet wordt vermeld dat verzoekster gebruik heeft gemaakt van valse documenten of valse inlichtingen heeft verschaft; dat verzoekster aanvoert dat zij geen tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd; dat verzoekster vervolgt dat ze nooit expliciet heeft ontkend dat er tijdens het incident naar haar Russische origine werd verwezen en dat zij geen tegenstrijdigheid ontwaart tussen het feit dat zij enerzijds verklaarde dat zij wist dat banden met de Wahabieten strafbaar waren en anderzijds dat zij geen kennis had van effectieve vervolgingen; dat verzoekster op de Dienst Vreemdelingenzaken niet veel heeft meegedeeld over het incident met de pamfletten en met haar echtgenoot, omdat haar werd gezegd dat ze enkel haar eigen vluchtverhaal moest vertellen; dat verzoekster hieraan toevoegt dat haar echtgenoot zijn verhaal niet volledig heeft kunnen vertellen op de Dienst Vreemdelingenzaken omdat zijn interview in chaotische omstandigheden verliep; dat het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken van verzoekster geen tijdsduur vermeldt, noch werd vermeld dat haar de verklaringen werden voorgelezen, zodat de Raad van State het één en ander niet kan controleren; XIV-6930-4/10 2.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij geen inhoudelijke opmerkingen formuleert inzake het enig middel; 2.
- Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord volhardt in het middel zoals uiteengezet in het inleidend verzoekschrift en hieraan een verwijzing toevoegt naar artikel 223 van de Oezbeekse strafcodex, die straffen voorziet buiten elke verhouding voor mensen die illegaal het land hebben verlaten en dat dit aspect niet werd onderzocht door het Commissariaat-generaal; 2.
- Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoekster bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen omdat de verklaringen van verzoekster niet overeenstemmen met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt; dat verzoekster verklaarde problemen te hebben met de Wahabieten; dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat uit de informatie van het Commissariaat-generaal blijkt dat de Oezbeekse autoriteiten zeer restrictief optreden tegen elke vorm van moslim- extremisme waaronder ook de Wahabieten ressorteren, en dat het onwaarschijnlijk is dat verzoekster niet op bescherming of hulp van de Oezbeekse autoriteiten kon rekenen en dat haar klachten niet ernstig werden genomen; XIV-6930-5/10 Overwegende dat een andere onontvankelijkheidsgrond de bedrieglijkheid is; dat het gaat om aanvragen die valse inlichtingen bevatten, essentiële feiten verhelen of gegrond zijn op documenten die vals of vervalst zijn; dat volgens een groot deel van de rechtspraak van de Raad van State het bedrieglijk karakter onder meer kan worden vastgesteld wanneer tegenstrijdigheden worden aangetoond ten opzichte van gebeurtenissen van algemene bekendheid of tussen verschillende stukken en verklaringen van de asielzoeker geput uit het administratief dossier; dat, zoals blijkt uit de integrale weergave van de bestreden beslissing onder punt 1.
- van huidig arrest, de Commissaris- generaal in casu tot de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag heeft besloten omdat haar relaas wordt ondermijnd door een aantal belangrijke tegenstrijdigheden: - verzoekster verklaarde op de Dienst Vreemdelingenzaken dat zij in januari 2001 werd bedreigd door Wahabieten, dat deze Wahabieten verzoekster beledigden omwille van haar Russische origine en dat ze haar lieten weten dat ze als Russische geen rechten had in Oezbekistan. Voor het Commissariaat-generaal ontkende verzoekster dat er tijdens het incident van januari 2001 verwijzingen naar haar etnische origine plaatsvonden; - verzoekster verklaarde op de Dienst Vreemdelingenzaken dat zij wist dat banden met de Wahabieten strafbaar zijn in Oezbekistan, op het Commissariaat-generaal verklaarde ze geen idee te hebben of de autoriteiten optreden tegen de Wahabieten en dat Oezbekistan een zeer gesloten staat is. Het is op zijn minst merkwaardig dat verzoekster twee totaal verschillende verklaringen aflegt over de aanpak van de Wahabieten in Oezbekistan; - op de Dienst Vreemdelingenzaken legde verzoekster geen verklaringen af over het feit dat er op 28 mei 2001 tijdens het bezoek van twee Wahabieten bij haar thuis pamfletten met extremistische moslim-signatuur werden achtergelaten en dat haar echtgenoot omwille van die pamfletten werd meegenomen door de politie, terwijl zij deze verklaringen wel aflegde op het Commissariaat-generaal. Het is onwaarschijnlijk dat verzoekster dit belangrijke element vergat te vermelden tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken; Overwegende dat verzoekster aanvoert dat de Commissaris-generaal niet kon concluderen dat haar asielaanvraag kennelijk ongegrond is; dat zij immers meent dat de plaatselijke politie samenwerkte met de Wahabieten en dat zij en haar echtgenoot geen hulp konden verwachten van de autoriteiten omdat haar echtgenoot er door de onderzoeksrechter van werd verdacht te hebben samengewerkt met moslim-extremisten en omdat zij en haar echtgenoot etnische Russen zijn; dat deze uiteenzetting van verzoekster, die neerkomt op een samenvatting van haar asielrelaas, en die niet wordt gestaafd door enig begin van bewijs, geen afbreuk doet aan de vaststelling van de Commissaris-generaal dat dit niet strookt met de informatie waarover hij beschikt; dat uit deze informatie immers blijkt dat de Oezbeekse autoriteiten zeer restrictief optreden tegen elke vorm van Moslim- extremisme waaronder ook de Wahabieten ressorteren; dat de loutere bewering van verzoekster dat de autoriteiten hierin niet steeds slagen, geen reden is om aan deze informatie te twijfelen; dat de documenten die verzoekster bij huidig verzoekschrift voegt, niet werden voorgelegd aan de Commissaris-generaal zodat hij hiermee geen rekening kon XIV-6930-6/10 houden; dat de Raad van State niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende het feitenrelaas opnieuw samenstelt en evalueert; dat het de Raad van State bijgevolg niet toekomt om te oordelen over deze documenten, aangezien de Raad enkel een wettigheidscontrole uitoefent op de motieven van de bestreden beslissing; dat de Commissaris-generaal op goede gronden de asielaanvraag van verzoekster kennelijk ongegrond heeft verklaard; Overwegende dat verzoekster aanvoert dat de Commissaris-generaal niet kon concluderen dat haar asielaanvraag bedrieglijk is omdat deze van haar echtgenoot op dezelfde feiten is gebaseerd en niet bedrieglijk werd bevonden, en dat zij hieraan toevoegt dat de bewijslast bij de Commissaris-generaal ligt; Overwegende dat de Commissaris-generaal elke asielaanvraag individueel behandelt; dat uit de beslissing genomen ten opzichte van de echtgenoot van verzoekster, die zich in het administratief dossier bevindt, blijkt dat in zijn asielrelaas, in tegenstelling tot dat van verzoekster, geen tegenstrijdigheden werden vastgesteld; dat bijgevolg de aanvraag van verzoekster op goede gronden bedrieglijk werd verklaard; dat in de ontvankelijkheidsfase van de asielprocedure de bewijslast hoofdzakelijk bij de asielzoeker ligt; dat de asielaanvrager zijn aanvraag moet kunnen staven met een coherent en geloofwaardig verhaal; dat de asielaanvrager derhalve moet aantonen dat hij daadwerkelijk wordt vervolgd; dat dit geen omkering van de bewijslast betekent, maar een afwijzing indien de aanvrager geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen zijn voor vervolging; Overwegende dat verzoekster de tegenstrijdigheden die in de bestreden beslissing worden opgesomd, poogt te verklaren; dat zij aanvoert nooit te hebben ontkend dat er tijdens het incident van januari 2001 verwijzingen naar haar etnische origine plaatsvonden; dat uit pagina 5 van het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal blijkt dat het volgende werd genoteerd: “Eind januari 2001 kwamen Wahabieten naar mij in danszaal. Verbaal of fysiek geweld gebruikt zoals beledigingen omwille van origine? Neen, één van hen heeft me een slag gegeven. We hebben met hen gesproken”; dat hieruit kan worden afgeleid dat verzoekster heeft ontkend dat er verbaal of fysiek geweld werd gebruikt zoals beledigingen omwille van haar origine en dat zij heeft verklaard dat haar enkel een slag werd toegediend; dat de vaststelling van de Commissaris-generaal bijgevolg steunt op de gegevens van het dossier; dat verzoekster tevens aanvoert dat zij geen tegenstrijdigheid ontwaart tussen het feit dat zij enerzijds heeft verklaard dat ze wist dat banden hebben met de Wahabieten strafbaar is en anderzijds dat zij geen kennis had van effectieve vervolgingen; dat uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat verzoekster heeft verklaard “Bovendien wist ik dat de banden met de Vachabisten (Wahabieten) strafbaar waren in Oezbekistan.” en uit pagina 10 van het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal blijkt dat ze heeft verklaard “Treden autoriteiten op tegen XIV-6930-7/10 Wahabieten? Geen idee, zijn zeer gesloten staat.”; dat hieruit volgt dat de Commissaris- generaal op goede gronden heeft vastgesteld dat verzoekster tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd; Overwegende dat verzoekster met betrekking tot de lacune in haar interview bij de Dienst Vreemdelingenzaken inzake het incident met de pamfletten en met haar echtgenoot, een verklaring poogt te geven; dat echter van een asielzoeker kan worden verwacht dat hij reeds van bij de aanvang van de asielprocedure een zo coherent en volledig mogelijk relaas weergeeft, zeker wat de essentiële elementen ervan betreft; dat uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat verzoekster in verband met dit incident het volgende heeft vermeld “Op 28/05/2001 kwamen die twee Vachabisten weer bij ons thuis. Ze gingen direkt naar de woonkamer, waar mijn man zat. Ik weet niet wat er toen precies gezegd is maar als resultaat werd mijn man zwaar geslagen. De mannen vertrokken en plotseling verschenen er drie politieagenten bij ons. (...) Daarna werd mijn man geboeid en meegenomen.”; dat uit het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal blijkt dat verzoekster hierover het volgende heeft verklaard (p. 8 en 9): “Is er verbaal of fysiek geweld gebruikt? Mij hebben ze niet aangeraakt, wel mijn man. Hebben ook pamfletten nagelaten. Deze keer hebben ze ze gewoon neergelegd. Zolang politie er niet was hebben we ze niet gezien. Wie was er op 28 mei 2001 thuis toen Wahabieten langskwamen? Enkel man en ik. Politie verwittigd? Ja, nadat de Wahabieten weg waren. Wie hen verwittigd? Geen idee. (...) Wat hebben agenten gedaan? Hebben man geboeid. Eén van hen heeft de pamfletten gevonden en eiste documenten. (...) Echtgenoot meegenomen voor pamfletten? Ja.”; dat hieruit blijkt dat het in bezit hebben van de pamfletten duidelijk een probleem was voor de politie, en dat verzoekster tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken geen melding heeft gemaakt van deze pamfletten; dat de Commissaris- generaal op goede gronden heeft vastgesteld dat verzoekster een belangrijk element, met name de pamfletten als reden voor de aanhouding van haar echtgenoot, niet heeft vermeld en dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van haar verklaringen; dat de verwijzing naar het verloop van het verhoor van haar echtgenoot op de Dienst Vreemdelingenzaken niet ter zake dienend is, aangezien de bestreden beslissing hier niet naar verwijst en aangezien de bevestigende beslissing genomen ten opzichte van haar echtgenoot niet het voorwerp uitmaakt van huidig beroep; Overwegende dat verzoekster niet uiteenzet welke invloed het niet vermelden van de duur van het interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken zou kunnen hebben op de wettigheidscontrole die de Raad van State uitoefent; dat dit verhoorverslag zich in het administratief dossier bevindt en dat de verklaringen van verzoekster geraadpleegd konden worden door partijen, door het Auditoraat en door de Raad van State; Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op pertinente, afdoende en terzake dienende motieven; XIV-6930-8/10 Overwegende dat volgens een constante rechtspraak van de Raad van State artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), niet van toepassing is op beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ondermeer omdat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest van 5 oktober 2000, in de zaak MAAOUIA tegen Frankrijk, heeft beslist dat artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op het asielrecht, zodat niet kan worden ingezien waarom verzoekster artikel 6 van het E.V.R.M. inroept; dat bijgevolg dit onderdeel van het enig middel niet dienstig kan worden aangevoerd omdat het niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat verzoekster niet uiteenzet waaruit de manifeste appreciatiefout die zij aanvoert, bestaat; dat zij niet uiteenzet op welke wijze de bestreden beslissing een schending inhoudt van “het algemeen principe van behoorlijk bestuur”; dat zij niet uitlegt in welk opzicht de rechten van de verdediging werden geschonden; dat deze onderdelen van het enig middel onontvankelijk zijn; dat deze exceptie van onontvankelijkheid ambtshalve door de Raad van State wordt opgeworpen; Overwegende dat de verwijzing in de memorie van wederantwoord naar het Oezbeekse strafwetboek niet ontvankelijk is; dat dit element niet van openbare orde is en dat verzoekster deze verwijzing reeds in het inleidend verzoekschrift had kunnen opnemen; Overwegende dat het enig middel, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is, XIV-6930-9/10 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen maart tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-6930-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.742 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.