id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.743 Rolnummer: A. 111350/XIV-6908 Zaak: Arrest 141743 - - 09/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-29 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 08:31 Fiche Arrest nr 141.743 van 9 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.743 van 9 maart 2005 in de zaak A. 111.350/XIV-
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat H. DE PONTHIERE, kantoor houdende te 8900 IEPER, Lombaardstraat 23 tegen :
- de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen,
- de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 9 oktober 1978 en van XXX nationaliteit, op 10 oktober 2001 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 14 september 2001 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 24 juli 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, naar de verzoekende partij aangetekend verstuurd op dezelfde datum; Gelet op de beschikking van 29 november 2001 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord, waarbij deze laatste als toelichtende memorie geldt ten opzichte van de eerste verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; XIV-6908-1/7 Gelet op de beschikking van 15 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 23 februari 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. DE PONTHIERE, die verschijnt voor de verzoekende partij, van Attaché B. DIERICKX, die verschijnt voor de eerste verwerende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 11 juli 2001 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
- Op 24 juli 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 14 september 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. De bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal, die de bestreden beslissing uitmaakt, is als volgt gemotiveerd : “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. De motieven waarop ik mijn beslissing baseer, vindt u op de volgende pagina’s. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...). Mijn beslissing is gebaseerd op de volgende motieven: U, XXX staatsburger van R. origine, verliet XXX tijdens de nacht van 3 op 4 juli 2001 per vliegtuig. Op 11 juli 2001 kwam u in België aan waar u nog dezelfde dag het statuut van vluchteling(en) aanvroeg bij de Belgische autoriteiten. U verklaarde op het Commissariaat-generaal dat u XXX hoofdzakelijk verliet omwille van de problemen van uw echtgenote (G.; o.v. 5.115.111) met de W. en waar u ook in betrokken raakte. Uw echtgenote kende meerdere problemen met de W. Midden mei 2001 kreeg u één telefoontje van de W. en op 28 mei 2001 werd u thuis door hen bezocht waarbij ze pamfletten in uw woning achterlieten. U werd dezelfde dag gearresteerd door de politie en de pamfletten werden meegenomen. U werd beschuldigd van samenwerking met de W. maar (werd) op 29 mei 2001 reeds vrijgelaten bij gebrek aan bewijzen. Nadat u werd vrijgelaten ging u naar een XIV-6908-2/7 vriend waar u alles vertelde en hij zei dat hij mensen kende die u het land konden uitbrengen. U belde uw vrouw om haar te verwittigen dat ze naar die vriend moest komen. Tot 3 juli 2001 bleef u bij uw vriend en tijdens de nacht van 3 en 4 juli 2001 verliet u XXX in het gezelschap van uw echtgenote (G.; o.v. 5.115.111), haar moeder (G.; o.v. 5.114.710) en de grootmoeder (M.; o.v. 5.114.708) van uw vrouw. Er dient te worden opgemerkt dat u de dag na de arrestatie door de politie werd vrijgelaten wegens gebrek aan bewijzen. Deze éénmalige arrestatie en uw vrijlating de dag na de arrestatie is als element op zich onvoldoende zwaarwichtig om als vervolging in de zin van de Conventie van Genève, te worden weerhouden. Bovendien stemmen uw verklaringen niet overeen met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt (Bureau for Democracy, Human Rights and Labour ‘XXX: Annual report on International Religious Freedom for 2000’, US Department of State, Washington DC, 5 september 2000 en Bureau for Democracy, Human Rights and Labour ‘XXX: Annual Report on International Religious Freedom for 1999’, US Department of State, Washington DC, 9 september 1999). Uit de hierboven vermelde informatie blijkt dat de XXX autoriteiten zeer restrictief optreden tegen elke vorm van Moslim-extremisme waaronder ook de W. ressorteren. Dit gegeven indachtig is het dan ook zeer onwaarschijnlijk dat u niet op bescherming of hulp van de XXX autoriteiten zou kunnen rekenen met betrekking tot uw problemen met de W. Volledigheidshalve kan nog opgemerkt worden dat u op het Commissariaat-generaal stelde dat de politie op 28 mei 2001 in uw woning pamfletten van de W. vond en dat deze pamfletten door de politie werden opgepakt en (dat) u werd meegenomen naar het politiebureau (CGVS, p. 4-5). Tijdens uw zeer uitgebreide verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken vermeldde u met betrekking tot het incident van 28 mei 2001 niets over de pamfletten die door de W. zouden zijn achtergelaten in uw woning (DVZ, vraag 42). Dit trekt de geloofwaardigheid van uw verklaringen in twijfel. De door u in het kader van uw asielaanvraag neergelegde documenten (geboorteakte, rijbewijs, getuigschrift middelbaar onderwijs, diploma technische school, werkkaart, certificaat computercursus, attest parachutesprong) wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet aangezien ze enkel gegevens bevatten die geen verband hebben met de door u aangehaalde vluchtmotieven. (...)”.
- Over de gegrondheid van de zaak. 2.
- Overwegende dat verzoeker in een enig middel de schending aanvoert van de artikelen 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie); van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); dat verzoeker tevens de “afwezigheid van redenen en op zijn minst een manifeste appreciatiefout” aanvoert, evenals de “schending van het algemeen principe van behoorlijk bestuur en schending van het algemeen principe van de rechten van de verdediging”; dat verzoeker uiteenzet dat zijn asielaanvraag niet kennelijk ongegrond mocht worden verklaard omdat hij met een gummiknuppel werd geslagen opdat hij een bekentenis zou ondertekenen en dat dit een inbreuk is op zijn fysieke integriteit; dat zelfs eenmalige inbreuken op de fysieke integriteit als vervolging in de zin van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), worden aanvaard; dat verzoeker meent dat hij gegevens heeft aangebracht dat er ernstige XIV-6908-3/7 aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat verzoeker verduidelijkt dat de autoriteiten er niet steeds in slagen om het moslim-extremisme aan banden te leggen; dat de plaatselijke politie vermoedelijk samenwerkte met de W.; dat hij geen hulp kon verwachten van de autoriteiten omdat hij een etnische R. is en dat hij geen beroep meer kon doen op de politie om hogergenoemde reden; dat verzoeker documenten bij het verzoekschrift voegt over de toestand in XXX en vermeldt dat R. er gediscrimineerd worden; dat verzoeker vervolgt dat het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken in chaotische omstandigheden is verlopen en dat er daarom niets in het verhoorverslag werd vermeld over de pamfletten die in verzoekers appartement werden aangetroffen; dat het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken van verzoeker geen tijdsduur vermeldt, zodat de Raad van State het één en ander niet kan controleren; 2.
- Overwegende dat de tweede verwerende partij geen inhoudelijke opmerkingen formuleert inzake het enig middel; 2.
- Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord volhardt in het middel zoals uiteengezet in het inleidend verzoekschrift en hieraan een verwijzing toevoegt naar artikel 223 van de XXX strafcodex, die straffen voorziet buiten elke verhouding voor mensen die illegaal het land hebben verlaten en dat dit aspect niet werd onderzocht door het Commissariaat-generaal; 2.
- Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat verzoeker bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat dit onderdeel van het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie) aan de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegdheid geeft, meer in het bijzonder voor wat betreft de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag; dat van deze bevoegdheid door de Belgische wetgever werd gebruik gemaakt middels artikel 52 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet); dat voormeld artikel aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid biedt een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren op grond van een aantal criteria en de verblijfsweigering genomen door de XIV-6908-4/7 gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken te bevestigen; dat één van de onontvankelijkheidsgronden de “kennelijke ongegrondheid” is; dat een asielaanvraag kennelijk ongegrond is wanneer de vreemdeling geen gegevens heeft aangebracht dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging; dat de Commissaris-generaal in casu tot deze conclusie is gekomen omdat de éénmalige arrestatie van verzoeker onvoldoende zwaarwichtig is om als vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie te worden beschouwd, en omdat de verklaringen van verzoeker niet overeenstemmen met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt; dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat uit deze informatie blijkt dat de XXX autoriteiten zeer restrictief optreden tegen elke vorm van moslim-extremisme waaronder ook de W. ressorteren, en dat het onwaarschijnlijk is dat verzoeker niet op bescherming of hulp van de XXX autoriteiten kon rekenen; dat de Commissaris-generaal hier nog aan toevoegt dat de geloofwaardigheid van verzoekers verklaringen in twijfel wordt getrokken omdat verzoeker tijdens het verhoor op het Commissariaat-generaal vermeldde dat de politie op 28 mei 2001 in zijn woning pamfletten van de W. vond, dat deze pamfletten in beslag werden genomen en dat verzoeker werd meegenomen naar het politiebureau, terwijl hij tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken niets over deze pamfletten heeft verteld; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat de Commissaris-generaal niet kon concluderen dat zijn asielaanvraag kennelijk ongegrond is; dat verzoeker uitlegt dat het feit dat hij met een gummiknuppel werd geslagen door de politie een schending inhoudt van zijn fysieke integriteit en dat dit volstaat als vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat verzoeker meent dat hij alleszins gegevens heeft aangebracht die wijzen op vervolging; dat deze uiteenzetting van verzoeker, die neerkomt op een herhaling van zijn asielrelaas en die niet wordt gestaafd door enig begin van bewijs, geen afbreuk doet aan de vaststelling van de Commissaris-generaal dat dit niet strookt met de informatie waarover hij beschikt; dat uit deze informatie immers blijkt dat de XXX autoriteiten zeer restrictief optreden tegen elke vorm van moslim-extremisme waaronder ook de W. ressorteren; dat de loutere bewering van verzoeker dat de autoriteiten hierin niet steeds slagen, geen reden is om aan deze informatie te twijfelen; dat de documenten die verzoeker bij huidig verzoekschrift voegt, niet werden voorgelegd aan de Commissaris-generaal zodat hij hiermee geen rekening kon houden; dat de Raad van State niet optreedt als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende het feitenrelaas opnieuw samenstelt en evalueert; dat het de Raad van State bijgevolg niet toekomt om te oordelen over deze documenten, aangezien de Raad enkel een wettigheidscontrole uitoefent op de motieven van de bestreden beslissing; dat de Commissaris-generaal op goede gronden de asielaanvraag van verzoeker kennelijk ongegrond heeft verklaard; Overwegende dat verzoeker aanvoert dat het verhoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken in chaotische omstandigheden verliep, zodat er uiteindelijk niets werd vermeld over de pamfletten; dat uit het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken, XIV-6908-5/7 dat zich in het administratief dossier bevindt, blijkt dat de verklaringen van verzoeker op uitgebreide en chronologische wijze werden weergegeven; dat hieruit ook blijkt dat hij over het incident van 28 mei 2001 verklaringen heeft kunnen afleggen, en dat deze op coherente wijze werden neergeschreven; dat verzoeker het niet vermelden van de aanwezigheid van de pamfletten bijgevolg niet kan ten grieve duiden aan de interviewer, de tolk, of de manier van verhoren; dat op het einde van dit interview werd vermeld “Ik heb hier niets aan toe te voegen. Het is niet nodig me het verhaal voor te lezen.”; dat de Commissaris-generaal op goede gronden heeft vastgesteld dat verzoeker de aanwezigheid van de pamfletten bij hem thuis niet heeft vermeld op de Dienst Vreemdelingenzaken en dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen; Overwegende dat verzoeker niet uiteenzet welke invloed het niet vermelden van de duur van het interview voor de Dienst Vreemdelingenzaken zou kunnen hebben op de wettigheidscontrole die de Raad van State uitoefent; dat dit verhoorverslag zich in het administratief dossier bevindt en dat de verklaringen van verzoeker geraadpleegd konden worden door partijen, door het Auditoraat en door de Raad van State; Overwegende dat de bestreden beslissing steunt op pertinente, afdoende en terzake dienende motieven; Overwegende dat volgens een constante rechtspraak van de Raad van State artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.), niet van toepassing is op beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, ondermeer omdat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in het arrest van 5 oktober 2000, in de zaak MAAOUIA tegen Frankrijk, heeft beslist dat artikel 6 van het E.V.R.M. niet van toepassing is op het asielrecht, zodat niet kan worden ingezien waarom verzoeker artikel 6 van het E.V.R.M. inroept; dat bijgevolg dit onderdeel van het enig middel niet dienstig kan worden aangevoerd omdat het niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat verzoeker niet uiteenzet waaruit de manifeste appreciatiefout die hij aanvoert, bestaat; dat hij niet uiteenzet op welke wijze de bestreden beslissing een schending inhoudt van “het algemeen principe van behoorlijk bestuur”; dat hij niet uitlegt in welk opzicht de rechten van de verdediging werden geschonden, behoudens zijn uiteenzetting over het verloop van het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken, dat werd geanalyseerd; dat uit het geheel van de procedure blijkt dat verzoeker voor zijn rechten en belangen is opgekomen en dat hij zijn asielrelaas uitvoerig heeft toegelicht; dat in de mate dat het onderdeel ontvankelijk is, het in ieder geval ongegrond is; XIV-6908-6/7 Overwegende dat de verwijzing in de memorie van wederantwoord naar het XXX strafwetboek niet ontvankelijk is; dat dit element niet van openbare orde is en dat verzoeker dit reeds in het inleidend verzoekschrift had kunnen opnemen; Overwegende dat het enig middel in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen maart tweeduizend en vijf, door : de H. D. MOONS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. D. MOONS. XIV-6908-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.743 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.