id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.814 Rolnummer: A. 160617/VII-33629 Zaak: Arrest 141814 - - 09/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-10 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 08:35 Fiche Arrest nr 141.814 van 9 maart 2005 - Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 141.814 van 9 maart 2005 in de zaak A. 160.617/VII-33.629 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat J-M. PICARD, kantoorhoudende te 1060 BRUSSEL, Dejonckerstraat 46 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Albanese nationaliteit, op 8 maart 2005 per fax heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken houdende het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 3 maart 2005; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 8 maart 2005 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 9 maart 2005 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J.-M. PICARD, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; VII-33.629-1/5 Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur-afdelingshoofd H. VERHULST; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- Verzoeker beweert dat hij zijn land van herkomst is ontvlucht omdat hij vreesde voor wraak vanwege de familieleden van het slachtoffer van slagen en verwondingen toegebracht door zijn neef. 1.
- Hij vluchtte in juni 1996 naar Turkije, waar hij gedurende meerdere jaren verbleef, tot hij daar vanaf 2003 opnieuw bedreiging voelde vanwege de familieleden van het slachtoffer. 1.
- In april 2004 is hij met zijn familie in België aangekomen. Op 9 april 2004 verklaarde hij zich politiek vluchteling. Die asielaanvraag werd op 26 april 2004 onontvankelijk verklaard door de minister van Binnenlandse Zaken. Na dringend beroep bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze weigeringsbeslissing op 22 juni
- De commissaris-generaal gaf overeenkomstig artikel 63/5, vierde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) volgend advies omtrent de terugleiding van verzoeker naar zijn land van herkomst: "Ik vestig de aandacht van de Minister van Binnenlandse zaken op het feit dat u een reëel risico loopt in uw land van herkomst het slachtoffer te worden van een ernstig gemeenrechtelijk misdrijf. Ik meen dan ook dat het in de huidige omstandigheden niet aangewezen is dat u gedwongen zou worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren.". 1.
- Verzoeker stelt dat hij op 10 januari 2005, onder meer met verwijzing naar dit advies, een aanvraag indiende op grond van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet. 1.
- Op 3 maart 2005 werd verzoeker opgepakt door de politie van Elsene en van zijn vrijheid beroofd om te worden overgebracht naar het transitcentrum te Melsbroek. VII-33.629-2/5 1.
- Na tussenkomst van zijn raadsman, die verwees naar hogergenoemd advies van de commissaris-generaal omtrent de terugleiding, werd verzoeker op 3 maart 2005 opnieuw in vrijheid gesteld. Hij ontving een bevel om het grondgebied van het rijk te verlaten. Dit bevel is als volgt gemotiveerd: "Artikel 7, eerst lid, 1/: verblijft in het Rijk zonder houder te zijn van de vereiste documenten: de betrokkene is niet in het bezit van een geldig paspoort voorzien van een geldig visum.". Dit is de bestreden beslissing.
- Overwegende dat de verwerende partij aan verzoeker het belang ontzegt bij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging wegens uiterst dringende noodzakelijkheid; dat zij voorhoudt dat zelfs bij schorsing van de bestreden maatregel verzoeker niet over een verblijfsrecht zal beschikken; dat de verwerende partij, bij het aantreffen van verzoeker dan niets anders zal kunnen doen dan een nieuw bevel te geven om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Overwegende dat verzoeker de intrinsieke onwettigheid aanvoert van dat bevel zelf omdat het geen rekening houdt met de niet-terugleidingsclausule van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, en wil vermijden dat hij wordt verplicht naar zijn land van herkomst terug te keren; dat dit laatste uiteraard de bedoeling is van een dergelijk “bevel”; dat deze vaststelling volstaat om, zeker in het kader van de procedure van de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging wegens uiterst dringende noodzakelijkheid, het belang aanwezig te achten; 3.
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
- Overwegende dat verzoeker, wat de eerste voorwaarde betreft, stelt dat de verwerende partij reeds heeft aangetoond dat zij ten stelligste voornemens is het bestreden bevel daadwerkelijk ten uitvoer te leggen, vermits er reeds een poging is geweest tot repatriëring; Overwegende dat die vaststelling de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigt; dat de verwerende partij door die poging haar wil heeft gemanifesteerd VII-33.629-3/5 verzoeker te repatriëren; dat deze redelijkerwijze kan vrezen dat het bestreden bevel onmiddellijk of in een nabije toekomst daadwerkelijk zal worden ten uitvoer gelegd; dat de verwerende partij in een brief van 10 januari 2005 (stuk 6 van het administratief dossier) aan de korpschef van de politiezone Brussel opdracht geeft om verzoeker, zo deze geen vrijwillig gevolg heeft gegeven aan het bevel, op te brengen naar het politiebureau met het oog op opsluiting in een gesloten centrum of een directe repatriëring; 3.
- Overwegende dat verzoeker in een tweede middel de schending inroept van artikel 62 van de Vreemdelingenwet en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat hij onder meer betoogt dat de bestreden beslissing alleen vaststelt dat hij niet over de vereiste documenten beschikt, terwijl de verwerende partij op de hoogte was van het negatieve advies tot terugleiding vanwege de commissaris-generaal, maar dat in de bestreden beslissing daarover geen enkele motivering te vinden is; Overwegende dat de verwerende partij uiteraard op de hoogte was van het negatieve advies van de commissaris-generaal betreffende de eventuele terugleiding van de verzoekende partij naar haar land van herkomst; dat het bevel om het grondgebied te verlaten het bestaan van dit advies schijnt te miskennen en alleszins niet aangeeft om welke reden dit advies niet wordt gevolgd of niet meer zou gelden; dat de bestreden beslissing prima facie niet behoorlijk met redenen is omkleed; dat het middel ernstig is; 3.
- Overwegende dat verzoeker, wat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, verwijst naar de mogelijke wraak waarvan hij het slachtoffer kan worden in zijn land van herkomst; Overwegende dat dit nadeel voldoende blijkt uit het advies omtrent de terugleiding van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen;
- Overwegende dat deze gegevens volstaan om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te bevelen, VII-33.629-4/5 BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken houdende het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 3 maart
- Artikel
- De kosten worden voorbehouden. Artikel
- Bevolen wordt de onmiddellijke tenuitvoerlegging van dit arrest. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen maart tweeduizend en vijf, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. L. SCHWEIGER, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, L. SCHWEIGER. E. BREWAEYS. VII-33.629-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.814 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div