← België

Arrest 141828 - - 10/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.828 Rolnummer: A. 100691/XII-2968 Zaak: Arrest 141828 - - 10/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-21 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-02 08:36 Fiche Arrest nr 141.828 van 10 maart 2005 - Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.828 van 10 maart 2005 in de zaak A. 100.691/XII-

  1. In zake : Daniël GRAF, wonende te Sint-Truiden, Luciendal 20 tegen : de SCHOLENGROEP 12, die woonplaats kiest bij advocaat M. Stommels, kantoor houdende te Antwerpen, Britselei 3, bus
  2. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Daniël Graf op 20 februari 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 21 december 2000 van de raad van bestuur van Scholengroep 12 houdende handhaving van haar beslissing van 21 november 2000 tot afwijzing van verzoekers mutatieaanvraag; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de beschikking van 15 april 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 22 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 januari 2005; XII-2968-1/19 Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat M. Stommels, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Verzoeker, licentiaat in de Romaanse filologie, is sedert 15 september 1983 als leraar Frans en Spaans tewerkgesteld in het gemeenschapsonderwijs. Sedert 1 januari 1995 is hij vast benoemd in het ambt van leraar Frans CVO (Centrum voor Volwassenenonderwijs) en sedert 1 september 1998 in het ambt van lector Frans A
  3. Op 28 augustus 2000 dient verzoeker bij de Scholengroep 12 een mutatieaanvraag in voor de betrekkingen 12 000 48 (6u Frans HSO) en 12 000 56 (3u Frans HSO). Op 19 oktober 2000 bevestigt de Scholengroep verzoekers kandidatuur en bezorgt hem “de objectieve criteria volgens dewelke wij de dossiers onderzoeken en de interviews afnemen”, waarbij zij hem verzoekt zijn “dossiergegevens, gerubriceerd volgens de criteria die u in de bijlage aantreft -per rubriek A1 t/m A7 in een apart mapje- in te dienen” en hem meedeelt dat het interview plaats heeft op 17 november
  4. De bedoelde bijlage bevat zeven rubrieken en het maximaal aantal punten te behalen per rubriek. Verzoeker bezorgt de school vervolgens een dossier met de gevraagde gegevens. XII-2968-2/19 XII-2968-3/19 Op 17 november 2000 beoordeelt de selectiecommissie zowel het door verzoeker ingediend dossier als het op diezelfde dag afgenomen interview. Die beoordeling wordt, samen met zijn voorstel, door de directeur als volgt weergegeven : “A. Onderzoek van het dossier : Graf Daniël - 1200048 en 1200056
  5. Diploma's en bekwaamheidsbewijzen Vereist (5 punten), Voldoende geacht (3 punten) 5/5
  6. Dienstanciënniteit in het Gemeenschapsonderwijs (1 jaar = 1 punt; 2 jaar = 2 punten...5 en >5 = 5 punten) 5/5
  7. Ambtsanciënniteit (1 jaar = 1 punt; 2 jaar = 2 punten...5 en >5 = 5 punten) 5/5
  8. Evaluatiedossier m.b.t. twee laatste beoordelingen door het instellingshoofd Volledige voldoening 3/5
  9. Inzet ten aanzien van het Gemeenschapsonderwijs P lid zijn (of geweest zijn) van de Vriendenkring en/of oudervereniging van een gemeenschapsschool

(2)P lid zijn (of geweest zijn) van werkgroepen m.b.t. onderwijs (P.C., projectgroepen, werkgroepen...)
(3)Lid van vriendenkring. 1/5
  1. Motivatie van de kandidatuurstelling Eigen rechtzekerheid komt naar voor als enige motivatie voor een mutatie. Zijn argumenten zijn zowel op financieel vlak (afstand) als op sociaal vlak (moeilijkheid om dag- en avondonderwijs te combineren). Het laatste probleem wordt nochtans niet opgeheven door een mutatie van CVO Maaseik naar CVO Diest. 1/5
  2. Nascholing, deelneming aan bijkomende cursussen, behalen van supplementaire attesten in relatie tot het gesolliciteerde ambt. (alle bewijsstukken of attesten worden bij het dossier gevoegd) Geen nascholingsattest in relatie tot het gesolliciteerde ambt 1/10 Subtotaal 21/40 B. Interview met de kandidaat De A-items worden nagetrokken, het voorlopig cijfer op basis van inzage dossier, wordt definitief nadat de juryleden de kandidaat ook via het interview hebben beoordeeld over de genoemde rubrieken.
  3. Spreekvaardigheid & communicativiteit, stressbestendigheid en relativeringsvermogen Hij beschikt over een behoorlijke taalvaardigheid, in overeenstemming met de opdracht van taalleraar. 7/10
  4. Zelfzekerheid en kwaliteiten i.v.m. het gesolliciteerde ambt (openheid, toegankelijkheid, democratische ingesteldheid, alertheid voor problemen, aandacht voor sociale vaardigheden, zin voor samenwerking en flexibiliteit, empathisch vermogen) XII-2968-4/19 Noch in het schriftelijk, noch in het mondeling gedeelte kwamen bijzondere bekwaamheden aan bod in verband met het gesolliciteerde ambt. 6/10
  5. Pedagogische bekwaamheid in functie v/h lerarenambt. Het betreft hier niet de echte vakbekwaamheid, wel de professionele competenties. P Hij bezit onvoldoende kennis van het gebruik van ICT en staat niet open voor het didactisch gebruik ervan. P Hij is er ten onrechte van overtuigd dat er geen specifiek leerplan bestaat voor het volwassenenonderwijs. P Hij heeft onvoldoende inzicht in de manier waarop volwassen cursisten leren. 2/10
  6. Persoonlijkheid en visie in overeenstemming met de geldende schoolcultuur (=vermogen tot actieve integratie in de betrokken school). Hij toont geen visie op de cultuur van het volwassenenonderwijs, noch in het interview noch in het dossier. Hij is niet zeker van zijn stellingen en hij probeert zich te verbergen achter algemene uitspraken of achter uitspraken van 'deskundigen'. Op geen enkel ogenblik, noch in het dossier noch in het interview toont hij zijn betrokkenheid aan bij het volwassenenonderwijs. Het valt de selectiecommissie op dat hij, ondanks zijn vaste benoeming in het volwassenenonderwijs en ondanks zijn lovende woorden voor deze onderwijsvorm, hij er sinds september 1996 geen opdracht meer waargenomen heeft en koos voor een tijdelijke opdracht in het secundair onderwijs. 2/10
  7. (bijkomend criterium uitsluitend voor specifieke vakken) de kandidaat moet via een proef bewijzen dat hij/zij de specifieke leerstof of de nodige technieken beheerst. Dit onderdeel kan getoetst worden door een specialist en de betrokken directeur van het cvo die aan de selectiecommissie verslag uitbrengen over het resultaat van de proef. /20 Subtotaal 17/40 /60 (indien 6) Eindtotaal 38/80
  8. De selectiecommissie, bijeengekomen op 17/11/2000, heeft na beraads- laging aan de heer Graf Daniel, 38 punten op 80 toegekend.
  9. Ik stel voor de mutatie van de kandidaat naar CVO de Oranjerie Dienst in het ambt 1200048 (6 uur leraar AV Frans-HSO (OSP)-niveau HSTL) en in het ambt 1200056 (3 uur leraar AV Frans-HSO (OSP)-niveau HSTL), AF TE WIJZEN”. Op 22 november 2000 deelt de verwerende partij aan verzoeker mee : “Vooreerst moet ik u namens de RvB bedanken voor het vertrouwen dat u stelt in onze SGR door te solliciteren voor een mutatie in een wervingsambt. De RvB heeft in zitting van 21.11.2000 unaniem beslist de adviezen van de selectiecommissie en van de betrokken directie te volgen. Gezien u op basis van het ingediend dossier en na het interview niet aan 60 % van de punten XII-2968-5/19 kwam, wat een vereiste is binnen de goedgekeurde criteria, werd beslist uw mutatieaanvraag af te wijzen. Indien u denkt een bezwaar te moeten indienen tegen deze beslissing moet u dit schriftelijk, aangetekend en omstandig gemotiveerd doen, binnen de vijf dagen na ontvangst van dit schrijven, naar het adres van de RvB t.a.v. de algemeen directeur - Boudewijnvest 1a - 3290 Diest”. Bij brief van 28 november 2000 tekent verzoeker bij de raad van bestuur bezwaar aan tegen de voornoemde beslissing, waarin hij onder meer schrijft het “moeilijk te begrijpen dat de score van 60 % niet bereikt werd”. Op 19 december 2000 neemt de raad van bestuur van Scholengroep 12 de bestreden beslissing die luidt : “Artikel 1 : De heer Graf werd per aangetekende zending ervan in kennis gesteld dat zijn mutatieaanvraag afgewezen werd omdat hij niet aan de vereiste 60 % van de punten kwam. Betrokkene diende tegen beslissing binnen de gestelde termijn een bezwaarschrift. Hem werd schriftelijk meegedeeld dat dit bezwaarschrift zou behandeld worden op de RvB van 19.12.
  10. De heer Rubens, directeur van het CVO waar de betrekking vacant is, werd opgeroepen als technicus. Nadat betrokkene nogmaals omstandig toelichting gaf over de manier waarop de punten werden toegekend en de daaruit voortvloeiende besluitvorming, beslist de RvB unaniem dat de beslissing van 21.11.2000 gehandhaafd blijft met de volgende motivatie : - het bezwaarschrift dat betrokkene indiende was zeker niet omstandig gemotiveerd. In feite aanziet hij deze beslissing als een smet op zijn loopbaan en vraagt hij alleen eerherstel; - het relatief laag cijfer is het gevolg van het feit dat voor criteria 5, 6 en 7 in het dossier niets terug te vinden is dat relevant is voor het specifiek ambt in het volwassenenonderwijs. Ook tijdens het interview kon betrokkene niet aantonen dat hij op de hoogte is van de bestaande leerplannen en leermethodes specifiek voor dit ambt; - ook van informatisering heeft hij weinig, om niet te zeggen, geen kennis. Hij spreekt erover dat hij werkt met Word 98 ?? maar op basis van zijn geschreven brieven en ook op basis van zijn gebrek aan kennis van het gebruik van ICT in de lessen Frans in het avondonderwijs is het duidelijk dat hij hier geen inzicht in heeft; - de bemerking dat alleen de directie van de betrokken school het interview afnam en de anderen de inhoud van het dossier misschien niet kenden is onterecht, want de selectiecommissies komen vooraf samen om de ingediende dossiers door te nemen en te onderzoeken om na het interview onmiddellijk de punten en de evaluatie te kunnen toekennen. De heer Graf zal per aangetekend schrijven van deze beslissing in kennis gesteld worden. Artikel 2 : Deze gemotiveerde beslissing wordt binnen de tien werkdagen aan de directies van de scholen overgemaakt met het verzoek ze mee te delen via de map SGR 12 die door alle personeelsleden kan worden geraadpleegd. XII-2968-6/19 Artikel 3 : Aan deze gemotiveerde beslissing wordt uitvoering gegeven door de algemeen directeur en het college van directeurs van de SGR 12”. Op 22 december 2000 wordt aan verzoeker mededeling gedaan van de voornoemde beslissing; De gegrondheid van het beroep. Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat hij toelicht dat de oorspronkelijke afwijzing van zijn mutatie op 21 november 2000 enerzijds enkel verwijst naar adviezen waarvan geen afschrift werd bijgevoegd en anderzijds geen exacte quotering meedeelt maar enkel de vage vermelding dat hij geen zestig procent zou hebben behaald, dat hij dan niet beschikt over de noodzakelijke en volledige informatie opdat hij met kennis van zaken voor zijn rechten zou kunnen opkomen, wat precies de formele motiveringsplicht beoogt te verwezenlijken, dat hem dan niet kan worden verweten dat zijn bezwaarschrift niet omstandig gemotiveerd zou zijn aangezien hij bij gebreke aan meer precieze informatie “niet anders [kon] dan stellen dat hij van mening was dat de beslissing om hem niet minstens 60% toe te kennen niet op deugdelijke wijze kon zijn gemotiveerd”, dat de motivering van de definitieve beslissing de gebreken in de formele motivering niet remedieert, dat hij nog altijd in het duister tast over het exacte, door hem behaalde percentage en dat de adviezen van de selectiecommissie en van de directie hem nog altijd niet bekend werden gemaakt; Overwegende dat de verwerende partij hierop repliceert dat verzoeker perfect de motieven kent, zoals uitgedrukt door de raad van bestuur in zijn beslissing van 21 december 2000, dat verzoeker niet aantoont waarom deze volgens hem slechts partiële motivering niet volstaat om als afdoende formele motivering te kunnen worden beschouwd en dat, aangezien hij als tweede middel de materiële motiveringsplicht geschonden noemt, hieruit reeds blijkt dat hij de motieven kent en deze tracht te weerleggen zodat het doel van de formele motiveringsplicht is bereikt; XII-2968-7/19 Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord opmerkt dat verwerende partij voorbij gaat aan zijn kritiek dat hem middels de bestreden beslissing niet werd meegedeeld welk percentage door hem precies werd behaald, wat op zich reeds een schending van de formele motiveringsplicht inhoudt, dat hij zich niet met volledige kennis van zaken kon verweren tegen de genomen beslissing, dat het pas nu is dat hij via de memorie van antwoord de punten verneemt die de selectiecommissie hem heeft toegekend en dat de formele motiveringsplicht ook “afdoende” moet zijn; dat hij besluit: “Gelet op het verband dat tussen dit aspect van de plicht tot formele motivering en de materiële motiveringsplicht bestaat, wenst verzoeker voor de verdere uitwerking hiervan te verwijzen naar de bespreking van het tweede middel”, dat hij uit de schending van de materiële motiveringsplicht put; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie andermaal opmerkt dat hij “slechts kennis kreeg van de door de selectiecommissie gegeven waardering via de memorie van antwoord” en “staande [houdt] dat deze handelwijze wél een schending inhoudt van de wet van 29 juli 1991”, meer bepaald dat hij “van mening [blijft] dat hij, om met volle kennis van zaken te kunnen oordelen over de slaagkansen van een annulatieberoep tegen de betwiste beslissing op het vlak van haar motieven, kennis diende te hebben
  11. Van het hem toegekende percentage (niet louter de mededeling dat hij géén 60% behaalde)
  12. Van de volledige beoordeling door de selectiecommissie”; Overwegende dat krachtens artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 de formele motiveringsplicht inhoudt dat in de bestuurshandeling waarin de beslissing is opgenomen, de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat die motivering afdoende moet zijn; dat de verplichting tot formele motivering er toe strekt de bestuurde een zodanig inzicht te verschaffen in de motieven van de beslissing dat hij in staat is om te oordelen of, ten aanzien van de motieven, het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat, opdat die verplichting haar doel zou bereiken, de motivering die in de beslissing is opgenomen duidelijk dient te zijn, dat wil zeggen duidelijk en concreet de redenen aangeven die de beslissing kunnen verantwoorden; dat de formele motieven de betrokkene in staat moeten stellen te achterhalen welke concrete redenen de beslissing schragen; XII-2968-8/19 Overwegende dat de raad van bestuur met de bestreden beslissing zijn eerdere beslissing van 21 november 2000 handhaaft, waarin hij de adviezen van de selectiecommissie en van de betrokken directie heeft gevolgd; dat, hoewel de raad van bestuur dit niet meer als zodanig herhaalt, de wezenlijke reden om de aanvraag af te wijzen nog steeds is dat verzoeker op basis van het door hem ingediende dossier en na het interview niet aan 60% van de punten kwam; dat dit wordt bevestigd in de nadere motieven die de raad van bestuur ingevolge het bezwaar van verzoeker heeft neergeschreven in zijn bestreden beslissing van 19 december 2000, waar hij in de eerste zin van artikel 1 wel refereert aan “de vereiste 60%” waar verzoeker “niet aan [...] kwam” en verder motiveert op grond van “het relatief laag cijfer”-dit kan enkel het cijfer van 38 punten op 80 zijn dat verzoeker kreeg van de selectiecommissie, gezien het in verband wordt gebracht met “criteria 5, 6 en 7 in het dossier” en met “het interview”; Overwegende dat die motivering bijgevolg slechts zinvol te begrijpen is omdat ze noodzakelijk voortbouwt op het advies van de selectie- commissie; dat het aldus niet anders kan dan dat de raad van bestuur zijn beslissing om de afwijzing van verzoekers aanvraag te handhaven heeft gesteund op de beoordeling van de selectiecommissie met het voorstel van de directeur en dat hij geacht moet worden zich de motieven van die beoordeling en van dat voorstel eigen te hebben gemaakt; dat, in het licht van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, de verwijzing naar adviezen en voorstellen slechts een afdoende motief voor een beslissing kan vormen wanneer die adviezen en voorstellen zelf ter kennis van de betrokkene zijn gebracht of wanneer aangetoond wordt dat de betrokkene de inhoud ervan kende; Overwegende dat aan verzoeker wel vooraf de zeven rubrieken zijn meegedeeld waarop zijn dossier zou worden beoordeeld voor een totaal van 40 punten; dat te dezen echter moet worden vastgesteld dat, zelfs indien aangenomen zou worden dat in de voorliggende zaak de formele motivering in de punten zelf gelegen zou zijn, aan verzoeker noch zijn totaalscore noch de scores voor dossier of interview zijn meegedeeld; dat niet wordt betwist dat hem nooit de hoogte is meegedeeld van zijn totale score, behalve dat zij lager was dan 60%; dat daarenboven ook aan verzoeker niet is meegedeeld op grond van welke motieven de beoordelingscommissie hem bij de appreciatie van zijn dossier punten gaf bij ieder van de zeven rubrieken, of hoeveel; dat, meer nog, verzoeker met de bestreden beslissing geen weet heeft gekregen van het feit dat bij het interview óók rubrieken in aanmerking werden genomen, laat staan van de appreciatie die de XII-2968-9/19 selectiecommissie over zijn optreden had en de punten die zij daarvoor heeft menen te moeten geven; dat hij op grond van de beslissing van 19 december 2000 niet verder komt dan te vernemen dat er een probleem was met de rubrieken 5 tot 7 van zijn dossier, dat hij daarover de mening van de raad van bestuur kon lezen, maar nog steeds niet de beoordeling van de commissie zelf; dat zijn lage totaalscore evenwel óók te wijten is aan lage deelscores op rubrieken bij het interview, waarover hem evenwel helemaal niets wordt meegedeeld, laat staan toegelicht; dat hij nochtans in zijn bezwaar had geschreven de score van 60% niet te begrijpen; Overwegende dat uit wat voorafgaat dient te worden besloten dat, nu de beoordeling van de selectiecommissie niet rechtsgeldig aan verzoeker ter kennis is gebracht, de -zelfs maar impliciete- verwijzing ernaar en de nadere toelichting door de raad van bestuur, na het bezwaar van verzoeker en in het licht van zijn bezwaar, in de bestreden beslissing, uit het oogpunt van de formele motiveringsvereiste niet kunnen volstaan om verzoeker op duidelijke, nauwkeurige en afdoende wijze in staat te stellen te achterhalen welke concrete redenen de beslissing schragen; Overwegende dat verwerende partij evenwel verzoekers belang betwist bij het middel, omdat hij er van doet blijken de motieven wel degelijk te kennen door ze in het tweede middel op de korrel te nemen; dat dit verweer echter faalt, nu is gebleken dat verzoeker misschien wel sommige, maar zeker niet alle dragende motieven van de bestreden beslissing in zijn inleidend verzoekschrift aan kritiek heeft kunnen onderwerpen; dat de formele motiveringsplicht precies tot doel heeft binnen het raam van het annulatiecontentieux, ten opzichte van degene ten aanzien van wie de beslissing genomen wordt, hem een zodanig inzicht te geven in de motieven van die beslissing dat hij in staat is terdege te oordelen of het zin heeft zich tegen de beslissing op het stuk van haar motieven te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt; dat verwerende partij echter aan verzoeker geen volledig zicht heeft gegeven op de besluitvorming, zodat hij zich in het inleidend verzoekschrift enkel op basis van onvolledige informatie en gissingen tegen de materiële motieven van het besluit heeft kunnen verzetten; dat aan verzoeker dan ook niet het belang kan worden ontzegd om in het inleidend verzoekschrift de schending van de formele motiveringsplicht aan te voeren; Overwegende dat een andere vraag is of verzoeker zijn belang bij het middel thans nog behoudt; dat immers de beoordeling van de selectiecommissie weliswaar niet is opgenomen in de akte zelf noch er aan vastgehecht; dat zij evenwel XII-2968-10/19 tussentijds wel is neergelegd in het administratief dossier; dat de vraag dan ook rijst of verzoeker door die mededeling in het administratief dossier geen genoegdoening heeft verkregen; Overwegende dat het hiervoor beschreven doel van de formele motiveringsplicht in principe uitsluit dat verzoeker vrede zou moeten nemen met een mededeling van de motieven nádat hij een van die rechtsmiddelen -in casu het annulatieberoep bij de Raad van State- heeft aangewend en met de mogelijkheid die zich dan aandient om een nieuw verzoekschrift op te stellen; dat integendeel de neerlegging in het administratief dossier, de miskenning van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 niet zomaar goed kan maken; dat verzoeker immers, na de neerlegging van dat essentieel stuk, en tenzij hij zou verkiezen alsdan een nieuwe vordering in te dienen met de daarmee gepaard gaande inspanningen en tijdsverlies, nog alleen in een memorie van wederantwoord de weerslag ervan op zijn middelen kan bespreken; dat de verwerende partij daarmee de wapengelijkheid onder de gedingpartijen in het gedrang heeft gebracht; Overwegende evenwel dat een verzoekende partij kan oordelen dat de gevorderde vernietiging haar niet meer verder helpt, aangezien zij nu alle motieven van de bestreden beslissing kent en het bestuur bij een gebeurlijke nietigverklaring op grond van dit middel zich van ieder verder rechtsherstel ontlast kan zien door de zaak met een vormelijke ingreep recht te zetten; dat een verzoekende partij in voorkomend geval daarom uitdrukkelijk afstand kan doen van het middel dat, bij nader inzien, enkel gesteund op een louter falen in de kennisgeving van de formele motivering, haar wellicht slechts een kortstondige en voorlopige overwinning dreigt op te leveren; dat zij dat ook impliciet kan doen, door in haar latere memories haar kritiek te richten op de ondertussen gekende materiële motieven; dat dergelijke verzoekende partij, die om redenen die de hare zijn verkiest om geen nieuw annulatieberoep in te stellen, geacht wordt te verzaken aan haar grieven omtrent de uitdrukkelijke motivering; Overwegende te dezen dat verzoeker in zijn latere procedurehandelingen weliswaar niet uitdrukkelijk afstand doet van het eerste middel, maar dat hij wel degelijk de hem dan bekend geworden motieven in zijn tweede middel betrekt, zoals hierna zal blijken; dat hij in de memorie van wederantwoord zelfs uitdrukkelijk een verband legt tussen de vereiste van “afdoende” formele motivering en de materiële motiveringsplicht, en daarom “voor de verdere uitwerking hiervan” verwijst “naar de bespreking van het tweede XII-2968-11/19 middel”; dat dan ook wordt aangenomen dat verzoeker verzaakt aan het eerste middel; Overwegende dat wat voorafgaat wel verklaart waarom het aan verzoeker is toegelaten om in de memorie van antwoord zijn tweede middel aan te vullen op grond van de hem dan pas bekend geworden gegevens; Overwegende dat verzoeker een tweede middel put uit de schending van de materiële motiveringsplicht; dat hij in het inleidend verzoekschrift aan de hand van de hem dan bekende motivering argumenteert dat in de aangehaalde criteria 5 tot 7 “niets terug te vinden is dat relevant is voor het specifieke ambt in het volwassenenonderwijs”; dat hij voorts uiteenzet : “Deze opmerking is enerzijds niet relevant en anderzijds onjuist. Irrelevant, aangezien het vijfde criterium peilt naar de inzet ten aanzien van het Gemeenschapsonderwijs als geheel en niet naar inzet ten aanzien van een specifiek ambt. Verzoekers inzet ten aanzien van het Gemeenschapsonderwijs wordt zonder meer duidelijk bij het lezen van de 12 bijlagen die verzoeker ten aanzien van dit criterium bij het door hem ingediende dossier heeft gevoegd. Onjuist aangezien uit het door verzoeker ingediende dossier voldoende gestoffeerd is door elementen die wel degelijk relevant zijn voor het specifieke ambt in het volwassenenonderwijs. Wat zijn motivatie (zesde criterium) betreft, heeft verzoeker er met name op gewezen : • dat hij gedurende de afgelopen 17 jaar ervaring reeds ervaring heeft opgedaan in het volwassenenonderwijs; • dat hij aangesproken wordt door de inzet en de motivatie van de volwassen cursisten die ervaren wat vreemde talenkennis waard is op de arbeidsmarkt of op relationeel vlak; • dat het voldoening geeft om op die behoeften in te spelen; • dat de cursisten hiervoor hun waardering uitspreken (zie o.m. een gemeend dankwoord van twee groepen cursisten uit het volwassenen- onderwijs). • dat hij geïnteresseerd is in de wisselwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven die vaak plaats vindt in het volwassenenonderwijs; • ... Ook wat het zevende criterium betreft, heeft verzoeker voldoende argumenten aangehaald in het door hem ingediende dossier. Hij heeft ook gewezen op een vorming i.v.m. het gebruik van cd-rom in de talenklas. Dit vormt meteen een weerlegging van het andere verwijt dat aan verzoeker wordt gemaakt, met name dat hij op het vlak van informatisering en gebruik van ICT in de lessen Frans geen kennis zou hebben. Uit het handgeschreven zijn van verzoekers kandidatuurstelling kan alleszins geen vermoeden van onbekendheid met tekstverwerkingsprogramma's worden afgeleid, net zomin als uit de materiële vergissing betreffende de juiste benaming van een van deze pakketten. Aangezien de voor de bestreden beslissing aangehaalde motieven niet deugdelijk zijn is ook het tweede middel gegrond.”; XII-2968-12/19 Overwegende dat verwerende partij repliceert dat de selectie- commissie aan verzoeker 38 punten toekende op een totaal van 80, dat de raad van bestuur op 21 november 2000 unaniem besloot om de adviezen te volgen, dat er uit de beslissing van 21 december 2000 duidelijk blijkt dat er rechtsgeldige motieven zijn om de vraag tot mutatie van verzoeker af te wijzen, dat terecht wordt gesteld dat zijn bezwaarschrift niet omstandig gemotiveerd was en hij alleen eerherstel vraagt, dat voor de criteria 5 tot 7 terecht een lage score werd toegekend zoals blijkt uit de telkens gegeven motivering bij de beoordeling van de selectiecommissie, dat verzoeker het argument over zijn gebrekkige kennis voor informatisering niet weerlegt door te wijzen op een vorming in verband met het gebruik van CD-rom in de talenklas; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord herinnert aan de enige informatie waarover hij beschikte om het bezwaarschrift in te dienen, namelijk geen 60% te hebben behaald; dat hij tegenover het verweer dupliceert : “- Zijn inzet t.a.v. het Gemeenschapsonderwijs wordt ten onrechte (opnieuw) geminimaliseerd. - Ten onrechte wordt beweerd dat zijn kandidaatstelling enkel zou zijn ingegeven door een streven naar rechtszekerheid : verzoeker was op dat moment immers reeds vast benoemd en vroeg enkel een mutatie aan. Er lagen deugdelijke motieven aan de basis van zijn kandidaatstelling : deze hielden o.m. verband met de waardering die je krijgt van cursisten uit het volwassenenonderwijs en de wisselwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven. - Verzoekers nascholingen stonden wel degelijk in relatie tot het gesolliciteerde ambt vermits ICT implementatie op alle onderwijs- niveaus aan de orde van de dag is. Verzoeker wil bovendien doen opmerken dat hij voor het schooljaar 2000-2001 door de pedagogisch coördinator van KTA3 uit 17 taalleerkrachten gekozen werd als verantwoordelijke voor een workshop rond ICT in het talenonderwijs op een plenaire studietweedaagse in Blankenberge (zie voorblad + uitgewerkte les in bijlage). De tegenpartij antwoordt op geen enkel moment op de door verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift aangehaalde argumenten waaruit blijkt dat hij een goede score verdient op voormelde criteria en dat aan deze criteria soms een betekenis werd gegeven die hiermee niet verenigbaar is. De opmerkingen die door de tegenpartij worden geciteerd vormen evenmin een antwoord op verzoekers kritiek.”; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie aansluiting zoekt bij de bevindingen van het auditoraatsverslag dat voor het vijfde criterium twee punten konden worden gegeven en dat de beoordeling van het zesde criterium feitelijk onjuist is; dat hij voor het zevende criterium staande houdt dat die XII-2968-13/19 beoordeling ook niet correct is gebeurd; dat hij tenslotte nogmaals opmerkt op voorhand nooit kennis te hebben gekregen van de andere criteria en er zijn pijlen dus niet op kon richten; dat hij besluit : “Dit betekent geenszins dat verzoeker het eens zou zijn met al de hem toegekende punten voor de andere criteria. Zo blijkt dat aan verzoeker voor de punten 2 en 3 van het interview telkens maar een score kreeg van 2 op
  13. Hiervan werd zelfs geen melding gemaakt in de bestreden beslissing zodat verzoeker zich hiertegen niet heeft kunnen verweren. Verder is het zo dat een aanpassing van de criteria 5 t.e.m. 7 ook gevolgen heeft voor de punten die werden toegekend bij het interview. Zo wordt bijvoorbeeld onder punt 3 van het interview letterlijk gesteld : 'Hij bezit onvoldoende kennis van het gebruik van ICT en staat niet open voor het didactisch gebruik ervan.' Verzoeker heeft dit punt reeds weerlegd bij de bespreking van criterium 7 van het dossier. Een correctie van punt 7 van het dossier zou bijgevolg twee keer extra punten moeten opleveren, éénmaal bij het dossier en éénmaal bij het interview”; Overwegende dat de verwerende partij in de laatste memorie op haar beurt ook steun zoekt in het auditoraatsverslag waar dit stelt dat, zelfs met de nodige correcties, verzoeker nog steeds niet de vereiste 60% behaalt en dat zij voorts repliceert dat het onmogelijk is dat verzoeker alleen de criteria 5 tot 7 zou kennen omdat alle criteria op hetzelfde document vermeld worden en dat verzoeker om begrijpelijke redenen geen kritiek heeft op de eerste vier criteria, omdat hij daarop respectievelijk 5/5, 5/5, 5/5 en 3/5 heeft behaald; Overwegende dat de uiteenzetting in laatste memorie van verwerende partij naast de kwestie is; dat verzoeker immers refereert, niet aan de eerste vier rubrieken voor de beoordeling van het dossier, maar aan de rubrieken voor de beoordeling van het interview welke hem, als gezien, inderdaad nooit tijdig zijn meegedeeld; Overwegende dat ook de verwijzing van verzoeker naar zijn verkiezing als verantwoordelijke voor een workshop rond ICT in het schooljaar 2000-2001 zonder relevantie is voor de zaak, aangezien de verwerende partij niet verweten kan worden geen rekening te hebben gehouden met een ten tijde van de bestreden beslissing nog toekomstige gebeurtenis, welke dan ook bij bepaling niet is terug te vinden in het door verzoeker ingediende dossier op basis waarvan de beoordeling is gedaan; Overwegende dat verzoeker inderdaad met betrekking tot de beoordeling van zijn dossier geen kritiek formuleert voor de eerste vier rubrieken, maar enkel voor de rubrieken 5 tot 7; XII-2968-14/19 Overwegende dat verzoeker voor de vijfde rubriek terecht opmerkt dat dit criterium peilt naar de inzet voor het gemeenschapsonderwijs als geheel en niet naar inzet ten aanzien van een specifiek ambt; dat uit het neergelegde administratief dossier daarenboven blijkt, uit een voorbereidend stuk van de raad van bestuur, dat “met lid zijn wordt niet alleen bedoeld een lidkaart hebben, maar werken voor en in projecten in het belang van het GO”; dat verzoeker in het aanvraagdossier doet gelden : “a) lidmaatschap + b) steunkaart (2 blz.) c) aangeboden video's + d) boeken (12 blz.) e) klasuitwisseling (6 blz.) f) coaching Spaanse academica + dankwoord (5 blz.) g) organisatie jumelagefeesten (9 blz.) + h) dankwoord en krantenknipsels (5 blz.) i) ontwerp groeninfrastructuur Roerdomp (3 blz.) j) vertaling jaarlijkse speech + dankwoord (7 blz.) k) contact nieuwe uitwisseling H.L. (3 blz.) l) uitnodiging gastspreker H.L. (3 blz.) m) vertaling verpakkingscentrum H.L. (10 blz.) n) organisatie champagne 3daagse voor voornoemd centrum (dankwoord) (1blz)”; dat verzoeker voor deze opsomming 1/5 krijgt met als motief “Lid van vriendenkring”; dat hij evenwel heel wat meer als inzet voor het gemeenschaps- onderwijs heeft voorgelegd dan het enkele lidmaatschap van een vriendenkring; dat het niet aan de Raad van State toekomt om in de plaats van het bestuur deze door verzoeker gemaakte opsomming te waarderen; dat hij wel mag beoordelen of de gegeven quotering rechtmatig is; dat de door het bestuur gegeven quotering 1/5 misschien terecht is en verantwoord kan worden; dat de Raad dit evenwel niet kan beoordelen, aangezien niet te weten is op grond van het enkele motief “Lid van vriendenkring ... 1/5”, waarom de andere activiteiten zonder puntentoekenning zijn gebleven, terwijl zij toch niet spontaan en zonder nadere toelichting als zijnde zonder bewijs van inzet voor het gemeenschapsonderwijs kunnen worden afgedaan; dat het motief voor deze rubriek in die mate onzorgvuldig is tot stand gekomen; Overwegende dat voor de rubriek “6: motivatie” aan verzoeker 1/5 wordt gegeven omdat “als enige motivatie voor een mutatie” de “eigen rechtszekerheid” naar voor komt, “op financieel vlak (afstand)” en “op sociaal vlak (moeilijkheid om dag- en avondonderwijs te combineren)”; Overwegende dat verzoeker voor deze rubriek blijkens bijlage 6 van stuk 8 van het administratief dossier de volgende handgeschreven motivatie van zijn kandidaatstelling heeft gevoegd bij zijn dossier : XII-2968-15/19 “Zoals uit het overzicht van mijn onderwijsprestaties (2.a)b) en 3.a)b)) blijkt, heb ik in de afgelopen 17 jaar ervaring opgedaan in het Volwassenenonderwijs, het Hoger Onderwijs en het Middelbaar Onderwijs (ASO/TSO/BSO). Elk type heeft waarschijnlijk zijn voor en nadelen, maar dit zal wel voor veel zaken in het leven het geval zijn. Wat mij vooral aanspreekt in het Volwassenenonderwijs is de motivatie van veel cursisten die ervaren wat vreemde talenkennis waard is op de arbeidsmarkt of op relationeel vlak. Inspelen op hun behoeften lijkt mij dan ook niet alleen uitdagend maar ook boeiend. Je komt immers veelal -onrechtstreeks- in contact met het bedrijfsleven in al haar facetten. Via de stage van mijn studenten Electronica en Informatica en mijn leerlingen TSO Hotel is dit nu reeds het geval (cf bijvoorbeeld jumelage- feesten (5.g) 15 blz.)), maar er zijn nog tal van andere sectoren waar werknemers met een degelijke vreemde talen kennis gegeerd zijn... Wanneer die wisselwerking tussen onderwijs en bedrijfsleven kan plaats vinden in de gemoedelijke sfeer eigen aan het avondonderwijs, begrijpt u ongetwijfeld de aantrekkingskracht die deze job op mij heeft. De blijvende contacten met cursisten (cf. bijvoorbeeld het kaartje 6.a) in bijlage) en/of mensen uit het bedrijfsleven geven trouwens een zekere voldoening die je elders veel minder vindt”; Overwegende dat de Raad in deze motivatie de elementen terugvindt die verzoeker in de uiteenzetting van zijn kritiek over het zesde criterium heeft opgesomd in het inleidend verzoekschrift; dat de Raad daarentegen niets leest over “eigen rechtszekerheid”, over “afstand” of over “moeilijkheid om dag- en avondonderwijs te combineren”; dat het dan ook een raadsel is waarom de selectiecommissie eigen rechtszekerheid als “enige motivatie” leest in bedoelde motivatie; dat de motivering die zij geeft voor haar beoordeling voor dit criterium niet deugdelijk is; Overwegende dat verzoeker bij zijn kandidatuurstelling voor het zevende criterium verwijst naar “vertegenwoordiging directie i.v.m. Prins Filipsfonds”, naar “CD-Rom in de talenklas” en naar “2 sessies in het Euregionale HORA EST netwerk”; dat hij van de selectiecommissie 1/10 hiervoor krijgt, met als motief “Geen nascholingsattest in relatie tot het gesolliciteerde ambt”; dat verzoeker in zijn latere memories niet beweert, laat staan aantoont dat het eerstgenoemde en het derde element wél in relatie staan tot het gesolliciteerde ambt; dat hij zijn ongenoegen over deze waardering enkel adstrueert op grond van de door hem gevolgde ICT-vorming, zoals deze moet blijken uit het tweede door hem gegeven element; XII-2968-16/19 Overwegende dat verzoeker wat dit element betreft terecht opmerkt te hebben gewezen op een vorming in verband met het gebruik van de cd- rom in de talenklas; Overwegende dat de selectiecommissie haar waardering voor dit criterium motiveert als “Geen nascholingsattest in relatie tot het gesolliciteerde ambt”; dat niet duidelijk is of de commissie tot haar quotering komt omdat de genoten vorming zelf niet in relatie staat tot het ambt of omdat er geen attest voorhanden is; dat de eerste mogelijke gedachtegang niet correct zou zijn omdat, zoals verzoeker terecht opmerkt, “ICT-implementatie op alle onderwijsniveaus aan de orde van de dag is”; dat ook de tweede gedachtegang niet kan worden aangenomen omdat blijkens de bedoelde rubriek niet noodzakelijk attesten, maar ook “alle bewijsstukken” in aanmerking mogen worden gebracht en verwerende partij niet betwist dat verzoeker bedoelde vorming heeft genoten; dat ook voor dit criterium andermaal moet worden opgemerkt dat het niet aan de Raad toekomt om in de plaats van het bestuur punten toe te kennen en dat 1/10 voor de in aanmerking te nemen vorming best terecht kan zijn; dat de Raad wel kan vaststellen dat de geformuleerde motivering hem niet in staat stelt te beoordelen of de overigens strenge, maar daarom niet noodzakelijk onwettige waardering van 1/10 wel met kennis van zaken en op grond van de correcte gegevens is toegekend; dat de Raad met des te meer reden mag twijfelen nu bij de bespreking van het vorige criterium is gebleken dat de selectiecommissie zich reeds misgrepen heeft; Overwegende dat het in de besproken mate bijtreden van de argumenten van verzoeker over het zevende criterium echter niet betekent dat de Raad hem ook zou moeten bijtreden in zijn kritiek op het “verwijt [...] dat hij op het vlak van informatisering en gebruik van ICT in de lessen Frans geen kennis zou hebben”; dat met verwerende partij integendeel moet worden ingestemd dat het volgen van zekere vorming op zich niet volstaat om het argument te weerleggen dat hij “weinig, om niet te zeggen, geen kennis” heeft “van informatisering” of “van het gebruik van ICT in de lessen Frans in het avondonderwijs”; dat de raad van bestuur met dit motief, zonder het uitdrukkelijk te zeggen, niet refereert aan het zevende criterium van het dossier -nascholing- maar wel aan het derde criterium van het interview -pedagogische bekwaamheid- waar de jury onder meer van verzoeker stelt dat hij onvoldoende kennis heeft van het gebruik van ICT en dat hij niet open staat voor het didactisch gebruik ervan; dat het niet uitgesloten is dat de jury in het gesprek met de kandidaat tot de door haar genoteerde bevindingen is gekomen, ongeacht de door verzoeker gevolgde nascholing over het overigens meer beperkte XII-2968-17/19 onderwerp als het gebruik van de cd-rom in de talenklas; dat aldus ook is geantwoord op de grief die verzoeker in de laatste memorie nog formuleert in verband met deze waardering; Overwegende dat verzoeker blijkens wat voorafgaat heeft aangetoond dat de waardering die hij heeft gekregen voor het vijfde, zesde en zevende criterium niet correct is of minstens onzorgvuldig is tot stand gekomen; dat in die mate de bestreden beslissing is gesteund op ondeugdelijke motieven; dat verzoeker in de laatste memorie argumenteert dat een correcte quotering hem “aan het vereiste minimum van 48/80” zou doen komen en verwerende partij integendeel beweert dat zelfs een “correctie” verzoeker nog niet aan de begeerde 60% helpt; dat het niet de Raad van State is die aan verzoeker een nieuwe puntenscore moet toekennen; dat de zienswijze van verzoeker bijgevolg slechts één hypothese is; dat verzoeker inderdaad tien punten extra nodig heeft om aan de vereiste 60% te komen; dat een nietigverklaring van de bestreden beslissing op grond van het door verzoeker aangevoerde en door de Raad gegrond bevonden middel, de verwerende partij er toe verplicht verzoekers aanvraag opnieuw te beoordelen en daarbij minstens een nieuwe -hetzij een gelijke, maar anders en beter gemotiveerde, hetzij een hogere- waardering te geven voor de rubrieken 5 tot 7 van het dossier; dat evenwel de zienswijze van verwerende partij ook maar een hypothese is, zij het een andere; dat een herwaardering, zelfs beperkt tot deze drie criteria, mathematisch en dus theoretisch mogelijk maakt dat verzoeker 60% van de punten krijgt; dat verwerende partij slechts beweert dat het voor verzoeker uitgesloten is om minstens tien extra punten te krijgen, maar het bewijs daarvoor niet voorlegt; dat het middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
  14. Vernietigd wordt de beslissing van 21 december 2000 van de raad van bestuur van de Scholengroep 12 houdende handhaving van zijn beslissing tot afwijzing van de mutatieaanvraag van Daniël Graf. Artikel
  15. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-2968-18/19 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien maart 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2968-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.828 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.