← België

Arrest 141829 - - 10/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.829 Rolnummer: A. 103501/XII-3066 Zaak: Arrest 141829 - - 10/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-17 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 08:36 Fiche Arrest nr 141.829 van 10 maart 2005 - Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.829 van 10 maart 2005 in de zaak A. 103.501/XII-

  1. In zake : Jozef VAN EETVELDE, die woonplaats kiest bij advocaat J. Vermassen, kantoor houdende te Lede, Kasteeldreef 48 tegen : de STAD LOKEREN, die woonplaats kiest bij advocaat R. Rombaut, kantoor houdende te Antwerpen, Justitiestraat
  2. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jozef Van Eetvelde op 18 april 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 19 februari 2001 van de gemeenteraad van de stad Lokeren, waarbij de hem door het college van burgemeester en schepenen opgelegde preventieve schorsing “in eerste instantie” wordt bekrachtigd en “in tweede instantie” wordt verlengd tot 31 augustus 2001; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 13 mei 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verwerende partij; Gelet op de beschikking van 6 december 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 januari 2005; XII-3066-1\5 Gelet op het uitstel van de zaak tot de terechtzitting van 1 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaten J. Coppen en E. Mercken, die loco advocaat J. Vermassen verschijnen voor verzoeker, en van advocaat R. Rombaut, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat het stadsbestuur van Lokeren op 29 december 2000 een brief van de procureur des Konings ontvangt, waarbij wordt bericht dat ten laste van verzoeker, directeur van de Stedelijke Academie voor Muziek en Woord, een zaak wegens valsheid in geschrifte is vastgesteld op de terechtzitting van de correctionele rechtbank te Dendermonde van 6 februari 2001; dat de tenlaste- leggingen in essentie betrekking hebben op manipulaties bij de registratie van leerlingengegevens in de Stedelijke Academie; Overwegende dat het college van burgemeester en schepenen in zitting van 22 januari 2001 besluit om verzoeker bij hoogdringendheid een preventieve schorsing op te leggen, verzoeker uit te nodigen voor een verhoor over de preventieve schorsing op 29 januari 2001, verzoeker tijdens de preventieve schorsing te ontheffen van de verplichting dienstprestaties te leveren en hem te verbieden aanwezig te zijn binnen de onderwijsinstelling en, “voor zoverre als nodig” deze beslissing ter bekrachtiging voor te leggen aan de gemeenteraad in zijn zitting van 19 februari 2001; Overwegende dat het college verzoeker hoort op 29 januari 2001 en het diezelfde dag besluit dat de beslissing van 22 januari 2001 “wordt bevestigd”; Overwegende dat een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de collegebesluiten van 22 januari 2001 en 29 januari 2001 door de Raad van State wordt verworpen bij arrest XII-3066-2\5 nr. 93.390 van 19 december 2001; dat de Raad van State de afstand van het geding in deze zaak vaststelt bij arrest nr. 118.119 van 8 april 2003; Overwegende dat de gemeenteraad op 19 februari 2001 bij een eerste raadsbesluit de meervermelde collegebesluiten bekrachtigt; dat hij bij een tweede raadsbesluit, overwegende onder meer “dat een personeelslid preventief kan worden geschorst wanneer een personeelslid strafrechtelijk of tuchtrechtelijk wordt vervolgd en zijn aanwezigheid onverenigbaar is met het belang van het onderwijs of van de dienst” en met verwijzing naar de dagvaarding van verzoeker en de correctionele zitting die, op vraag van verzoeker, verdaagd is naar 5 juni 2001, besluit dat de preventieve schorsing “wordt verlengd vanaf 24 februari 2001 tot en met 31 augustus 2001”; dat, gelet op de afstand in de andere zaak, aangenomen wordt dat met voorliggend beroep enkel nog het tweede raadsbesluit bestreden wordt; dat die vaststelling overigens spoort met hetgeen verzoeker uitdrukkelijk doet gelden als zijn belang bij het beroep; Overwegende dat verzoeker in het inleidend verzoekschrift opmerkt dat de preventieve schorsing “loopt tot de dag voor zijn op rust stelling” en dat door zo te handelen “aan de buitenwereld en aan de rest van het lerarenkorps [wordt] getoond, en dit voordat zijn schuld ook maar in het minste vaststaat, dat men hem wenst weg te houden van zijn korps en leerlingen”; dat hij in de memorie van wederantwoord herhaalt dat de preventieve schorsing “loopt tot juist voor de dag van de op rust stelling van verzoeker” en dat het duidelijk is dat hij nooit terug in dienst zal treden, zodat het beter zou zijn te spreken van een “definitieve schorsing”; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie antwoordt dat de ordemaatregel destijds een rechtmatige oorzaak had, dat verzoeker “inderdaad inmiddels gepensioneerd” is maar dat anderzijds “moet worden vermeld dat de strafrechtelijke procedure waarbij verzoeker in eerste aanleg werd veroordeeld, nog steeds hangende is”; dat verwerende partij het belang van verzoeker betwist, er op wijzende dat hij zich thans niet meer bevindt in een van de administratieve standen dienstactiviteit-nonactiviteit-terbeschikkingstelling, maar wegens het bereiken van de leeftijdsgrens in de situatie is van de definitieve ambtsneerlegging en dat op geen ogenblik is komen vast te staan dat de ordemaatregel een verkapte tuchtstraf zou zijn geweest; XII-3066-3\5 Overwegende, daargelaten of verzoeker in zijn derde middel de bestreden maatregel terecht aanwrijft een verkapte tuchtsanctie te zijn, dat hoe dan ook de preventieve schorsing gedurende meer dan zeven maanden uitwerking heeft gehad; dat deze preventieve schorsing, zelfs met weddebehoud, voor verzoeker griefhoudend is omdat zij het vermoeden doet rijzen dat verzoeker zich schuldig heeft gemaakt aan ernstige beroepsfouten of zelfs misdrijven en verzoeker zich derhalve dientengevolge terecht in zijn eer aangetast voelt; dat de exceptie betreffende het gebrek aan belang dient te worden verworpen; Overwegende dat de gemeenteraad zich op 19 februari 2001 ontegensprekelijk op grond van artikel 67 van het rechtspositiedecreet van 27 maart 1991 en van artikel 4 en volgende van het ter uitvoering ervan genomen tuchtbesluit van 22 mei 1991 kon uitspreken over de vraag of de tegen verzoeker lopende strafrechtelijke vervolging ook een preventieve schorsing met het oog op een tuchtprocedure kon verantwoorden; dat evenwel niet wordt betwist dat na het opleggen van de bestreden preventieve schorsing zelfs geen aanzet meer is gegeven aan enige tuchtprocedure, laat staan dat een tuchtstraf is opgelegd; dat verzoeker na en wegens zijn definitieve ambtsneerlegging ook geen voorwerp meer kan uitmaken van een tuchtrechtelijke vervolging; dat dan moet worden vastgesteld, ongeacht de al dan niet rechtmatige oorzaak van de maatregel of het al dan niet verdoken tuchtkarakter ervan, dat uit kracht alleen reeds van de toepasselijke reglementering, met name van artikel 7, § 2, eerste lid, van het tuchtbesluit van 22 mei 1991, de effecten van de preventieve schorsing “vervallen”; Overwegende dat wat voorafgaat leidt tot de conclusie dat het beroep zonder voorwerp is; dat verzoeker echter nog steeds het voorwerp uitmaakt van het formele besluit waarbij hij bij ordemaatregel preventief wordt geschorst; dat in het belang van de duidelijkheid in het rechtsverkeer, het past de bestreden beslissing uitdrukkelijk te vernietigen, Overwegende dat verwerende partij vraagt om niettemin de kosten ten laste van verzoeker te leggen, omdat de maatregel “op het ogenblik van de feiten volkomen gerechtvaardigd was”; dat zij ter terechtzitting hierop evenwel niet langer aandringt, aangezien zij verklaart zich te kunnen aansluiten bij het -in andere zin gestelde- auditoraatsverslag, XII-3066-4\5 BESLUIT: Artikel
  3. Vernietigd wordt het besluit van 19 februari 2001 van de gemeenteraad van de stad Lokeren, waarbij de door het college van burgemeester en schepenen aan Jozef van Eetvelde opgelegde preventieve schorsing wordt verlengd tot 31 augustus
  4. Artikel
  5. Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
  6. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien maart 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3066-5\5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.829 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.