← België

Arrêt / Arrest 141832 - / - 10/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.832 Rolnummer: A. 97925/XII-2849 Zaak: Arrêt / Arrest 141832 - / - 10/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-17 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-07-02 08:36 Versie(s): Vertaling in voorbereiding Fiche Arrest nr 141.832 van 10 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.832 van 10 maart 2005 in de zaak A. 97.925/XII-

  1. In zake : Tim VAN DEN BRANDE, die woonplaats kiest bij advocaat B. Van den Bergh, kantoor houdende te Dilsen-Stokkem, Arnold Sauwenlaan 3 tegen : de VZW INRICHTENDE MACHT VAN DE VLAAMSE KATHOLIEKE HOGESCHOOL VOOR WETENSCHAP EN KUNST, die woonplaats kiest bij advocaten D. D’Hooghe en I. Vos, kantoor houdende te Brussel, Henri Wafelaertsstraat 47-51, bus
  2. -------------------------------------------------------------------------------------------------- - D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Tim Van Den Brande op 29 november 2000 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 27 november 2000 van de examencommissie van de Hogeschool voor Wetenschap & Kunst Sint-Lucas - campus Gent, tweede jaar van de eerste cyclus Architectuur, waarbij hij niet geslaagd wordt verklaard; Gelet op het arrest nr. 120.143 van 4 juni 2003 waarbij de debatten heropend worden, de aangewezen auditeur ermee belast wordt de zaak verder af te handelen en de zaak naar de XIIe kamer wordt verwezen; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; XII-2849-1/20 Gelet op de beschikking van 9 december 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 31 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 1 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. Annaert, die loco advocaat B. Van Den Bergh verschijnt voor verzoeker, en van advocaat L. Schellekens, die loco advocaat D. D'Hooghe verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Verzoeker volgt tijdens het academiejaar 1999-2000 het tweede jaar van de eerste cyclus architectuur aan de Hogeschool voor Wetenschap en Kunst Sint-Lucas, campus Gent. Hij behaalt in de tweede examenperiode voor de twee door hem opnieuw af te leggen vakken “geschiedenis” en “ontwerpen” respectievelijk 11,5/20 en 8,5/20 punten. In totaal behaalt verzoeker 53,7 %. XII-2849-2/20 1.
  5. Het vak “ontwerpen” waarvoor verzoeker zowel in de eerste als in de tweede examenperiode een onvoldoende behaalt is samengesteld uit vijf zogenaamde “periodes”. De eerste drie periodes vormen het gedeelte “jaarwerken” waarvoor telkens een docent als mentor de betrokken student begeleidt en beoordeelt, de vierde en vijfde periode vormen het gedeelte “eindwerken” dat door een zogenaamde atelierjury wordt geëvalueerd en beoordeeld. De afzonderlijke beoordelingen voor de jaarwerken en de eindwerken vormen samen de eindbeoordeling voor het vak “ontwerpen”. 1.
  6. Op 22 september 2000 wordt verzoeker door de examen- commissie afgewezen. Verzoeker vraagt de voorzitter van de examencommissie om de beslissing van de examencommissie opnieuw te onderzoeken; bij brief van 24 oktober 2000 wordt hem door de voorzitter meegedeeld dat “een grondig onderzoek terzake [werd] ingesteld” en “dat geen vergissingen konden worden vastgesteld, noch in de berekeningen, noch betreffende vermeende naamverwisseling”. Verzoeker vraagt daarna, bij monde van zijn raadsman, afschrift van de beraadslagingsstukken van de examencommissie en van de jury voor het vak “ontwerpen”, welke hem uiteindelijk worden meegedeeld op 7 november
  7. 1.
  8. Bij een eerste verzoekschrift vordert verzoeker bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van het genoemde besluit van 22 september 2000 van de examencommissie en van de genoemde beslissing van 24 oktober 2000 van de voorzitter van de examencommissie. Op 27 november 2000, daags voor de terechtzitting, stelt de beleidsraad van het departement Architectuur van de Hogeschool voor Wetenschap en Kunst een examencommissie samen die, na beraadslaging op dezelfde datum, beslist dat de examenperiode van de tweede zittijd 1999-2000, voor wat verzoeker betreft, heropend wordt (artikel 1), dat de beslissing genomen door de examencommissie op 22 september 2000 ingetrokken wordt voor zover verzoeker niet geslaagd wordt verklaard (artikel 2) en dat verzoeker niet geslaagd wordt verklaard voor het tweede jaar van de eerste cyclus architectuur (artikel 3). XII-2849-3/20 Artikel 3 van dit besluit van 27 november 2000, waarbij verzoeker niet geslaagd wordt verklaard voor het tweede jaar van de eerste cyclus architectuur, vormt het voorwerp van huidig beroep. 1.5.
  9. Het proces-verbaal van de beraadslaging van de examen- commissie van 27 november 2000 vermeldt volgende visa en overwegingen : “Gelet op het besluit, genomen door de Examencommissie van de Hogeschool voor Wetenschap & Kunst Sint-Lucas-Campus Gent, 2e jaar van de Eerste Cyclus Architectuur dd. 22 september
  10. Gelet op de beslissing, genomen door de Voorzitter van de Examen- commissie van de Hogeschool voor Wetenschap & Kunst Sint-Lucas- Campus Gent, 2e jaar van de Eerste Cyclus Architectuur dd. 24 oktober
  11. Gelet op de artikelen 10, 31, 34, 36 en 39 van het examenreglement. Gelet op de beoordeling van de jaarwerkzaamheden van Tim Van Den Brande in het kader van het vak ontwerpen. Gelet op het schriftelijke verslag van de jury d.d. 20 september 2000 over het eindontwerp van Tim Van Den Brande. Gelet op de mondelinge verduidelijking van mevrouw M. Valembois en de docenten bij de jaarbeoordeling. Gelet op de mondelinge verduidelijking van de heer P. François, verslaggever van de jury bij dit verslag. Gelet op de tabel van wegingscoëfficiënten goedgekeurd door de examencommissie samengesteld door de Beleidsraad van het Departement Architectuur op 22 september
  12. Gelet op het vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid ingediend door Tim Van Den Brande tegen de beslissing genomen door de Examencommissie van de Hogeschool voor Wetenschap & Kunst Sint-Lucas - Campus Gent, 2e jaar van de Eerste Cyclus Architectuur dd. 22 september 2000, evenals van de beslissing, genomen door de Voorzitter van de Examencommissie van de Hogeschool voor Wetenschap & Kunst Sint-Lucas - Campus Gent, 2e jaar van de Eerste Cyclus Architectuur dd. 24 oktober
  13. Overwegende dat de examencommissie kennis neemt van het rapport van Tim Van Den Brande en de daarin vervatte examenuitslagen van de 2e zittijd van het 2e jaar van de Eerste Cyclus Architectuur, toegevoegd als bijlage. Overwegende dat de ombudsman zijn gesprekken met de student toelicht ; Overwegende dat uit dit rapport blijkt dat Tim Van Den Brande voor het vak ontwerpen slechts een cijfer van 8,5/20 behaalt. Overwegende dat dit cijfer een afgerond gemiddelde is van de quoteringen voor het gedeelte jaarwerken en het gedeelte eindwerken. Overwegende dat Tim Van Den Brande in de tweede zittijd voor het gedeelte jaarwerken (met totaal gewicht van 50 %) na de tweede zittijd een XII-2849-4/20 gemiddelde van 11,33/20 behaalde en voor het gedeelte eindwerken (met totaal gewicht van 50 %) een cijfer van 6/
  14. Overwegende dat de docenten W. Azou, M. Herman en M. Valembois, die de student begeleid hebben voor het gedeelte jaarwerken, de gegeven quotering als volgt verantwoorden : - het jaarwerk is een continue proces waarbij na elke beoordelingsstap de argumentaties rechtsstreeks en uitvoerig met de student worden besproken in het kader van studiebegeleiding ; - bij het jaarwerk wordt de procesontwikkeling en de inspanningen van de student mede gewaardeerd, waardoor de quotaties gemiddeld hoger liggen; - concreet en beknopt kan gesteld worden [dat] het werk van de student gekenmerkt is door : - gebrekkige en onsamenhangende conceptvorming - structurele problemen en schaalmoeilijkheden - geleidelijke verbetering in de voorstelling door intense begeleiding. Overwegende dat het juryverslag van 20 september 2000 zoals in bijlage, door de verslaggever P. François grondig wordt toegelicht, en dat de commissie zich de motieven in het verslag vervat volledig eigen maakt ; Overwegende dat de examencommissie zich de motieven die aan de grondslag gelegen hebben van zowel de motivering voor het gedeelte jaarwerken als het gedeelte eindwerken eigen maakt, de quotering van 8,5/20 voor het gedeelte ontwerpen bevestigt (11,33/20 voor het gedeelte jaarwerken en 6/20 voor het gedeelte eindwerken). Overwegende dat de examencommissie van oordeel is dat er geen redenen zijn om in het licht van deze quotering tot deliberatie van de student over te gaan : - het vak ontwerpen is het belangrijkste vak in het 2e jaar van de 1e cyclus architectuur (wegingscoëfficiënt 21, waar aan de andere vakken slechts een wegingscoëfficiënt van 6 tot 8 wordt toegekend). - Tim Van Den Brande behaalde als gemiddeld resultaat in de tweede examenperiode slechts 53,7 %”. 1.5.
  15. Het juryverslag van 20 september 2000, toegevoegd als bijlage bij het proces-verbaal, vermeldt het volgende : “Eindtermen • Voldoende begrip van, en kritische visie op de gegeven complexiteit van de opdracht. • Verwerking van de gestelde problematiek tot een waardevol totaalconcept. • Architectonische persoonlijkheid en persoonlijke wijze van omgaan met (verbeelding) • Ruimtelijk inzicht en betekenisvolle ruimtelijke kwaliteiten • Structurele en constructieve logica en een begin van toepassing bij vorm- en karakterbepaling van het ontwerp XII-2849-5/20 • Beheersing van de voorstellingstechnieken aangepast aan het ontwerp. Kwotatie 6/20 Verslag * 4-eenheid zien/horen/smaken/tasten in combinatie met waterwinkel * voor architectuur ongezonde uitgangspunten; nadelen van de site worden geëxpliciteerd en gebruikt als conceptdragers (“oogkleppen”) * info op de plannen onvolledig; student tekent niet wat er wel is; zwakke tekentaal * wanverhoudingen in plan; schaalprobleem * onzinnig gebruik van metafoor Het verslag geeft de hoofdstructuur weer die aan de basis heeft gelegen van de beoordeling. De teksten zijn noch limitatief, noch letterlijk op te vatten, zij worden verder bij de student gecommentarieerd door een docent”;
  16. De grond van de zaak. 2.1.
  17. Overwegende dat verzoeker als eerste middel de schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht, doordat de examencommissie niet afdoende en met voldoende draagkracht verantwoordt waarom verzoeker “die niet voor elk opleidingsonderdeel 10 op 20 heeft behaald” en die “niet van rechtswege is geslaagd”, als niet geslaagd dient te worden beschouwd en derhalve niet in aanmerking komt om te worden gedelibereerd, dat de examencommissie niets anders heeft gedaan dan kennis te nemen van en conclusies te verbinden aan de haar ter beschikking gestelde punten voor het vak “ontwerpen” dat nochtans geen kennisvak is, dat de motivatie dat verzoeker slechts 53,7% heeft behaald niet afdoend is nu dergelijk resultaat ruimschoots de helft der punten overschrijdt, dat in het proces-verbaal van de examencommissie de punten niet worden vermeld die aan verzoeker worden toegekend voor de verschillende vakken, dat het proces-verbaal evenmin vermeldt, in strijd met artikel 27 van het examen-reglement, dat de examencommissie bij consensus heeft geoordeeld of, in het andere geval, het resultaat van de stemming, wat het vermoeden versterkt dat geen deliberatie heeft plaatsgevonden; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord betoogt dat hij zowel in de eerste als in de tweede examenperiode een gemiddelde van meer dan 50 % behaalde, dat hij slechts 1 “buiscijfer” heeft, namelijk 8,5/20 XII-2849-6/20 op het vak “ontwerpen”, hetgeen niet van aard is een uitsluitingscijfer te zijn, dat het mathematisch tekort te dezen niet volstaat als afdoende of pertinente argumentatie, dat hij voldeed aan de voorwaarden om geslaagd te worden verklaard daar het examenreglement stelt dat een student met voldoening kan slagen indien hij minstens 50 % behaalt op het totaal van de gewogen examencijfers; dat volgens hem “de examencommissie bijzondere motieven moest hebben en te kennen geven” om hem desalniettemin niet geslaagd te verklaren; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie handhaaft dat de examencommissie niet afdoende verantwoordt waarom hij niet in aanmerking komt om te worden gedelibereerd; dat hij stelt dat een examencommissie de beoordeling van de studenten onder woorden dient te brengen daar het louter toekennen van een cijfer de betrokkene niet toelaat inzicht te krijgen in de wettigheid van de motieven die tot de in het cijfer uitgedrukte waardering hebben geleid; 2.1.
  18. Overwegende dat uit artikel 31 van het examenreglement volgt dat de examencommissie collegiaal en soeverein oordeelt over het al dan niet slagen van een student die niet minstens de helft behaalt op ieder opgelegd examen; dat artikel 32 bepaalt dat de examencommissie eveneens collegiaal en soeverein beslist over de vermeldingen, waarbij zij een geslaagd student de vermelding voldoening kan toekennen indien de student minstens 50% behaalde op het totaal van de gewogen examencijfers; dat uit deze bepalingen volgt dat een student die minstens 50 % behaalde op het totaal van de gewogen examencijfers zonder minstens de helft te behalen op ieder opgelegd examen toch geslaagd kan worden verklaard, doch dat hiertoe geenszins een verplichting bestaat; 2.1.
  19. Overwegende dat de artikelen 27 en 28 van het examen- reglement niet inhouden dat de wijze van beslissing van de examencommissie in het proces-verbaal moet worden genoteerd, althans niet wanneer geen stemming heeft plaatsgevonden en de beslissing bij consensus wordt genomen; dat uit het XII-2849-7/20 ontbreken van zulke vermelding niet kan worden besloten dat de examen- commissie niet zou hebben gedelibereerd; dat uit het proces-verbaal zelfs het tegendeel kan worden vastgesteld, zoals hierna zal blijken; 2.1.
  20. Overwegende dat voor studenten die niet van rechtswege geslaagd zijn, zoals dit het geval is met verzoeker, de examencommissie autonoom oordeelt over het al dan niet slagen; dat dit oordelen over het al dan niet slagen de deliberatie van de examencommissie is (deliberatie : beraadslaging, overleg, aldus van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal); dat de examencommissie blijkens het proces-verbaal verzoeker niet geslaagd verklaart en daarvoor redenen opgeeft; dat over verzoeker bijgevolg wel degelijk een deliberatie is gebeurd; Overwegende dat voorts uit het proces-verbaal van de beraadslaging blijkt dat de examencommissie “kennis neemt van het rapport van [verzoeker] en de daarin vervatte examenuitslagen [...], toegevoegd als bijlage”; dat die bijlage geacht wordt deel uit te maken van de tekst waarbij hij gaat; dat de bewering dat in het proces-verbaal de punten voor de verschillende vakken niet worden vermeld feitelijke grondslag mist; 2.1.
  21. Overwegende dat de motivering van de beslissing waarbij een kandidaat voor een examen niet geslaagd is in beginsel in de punten zelf vervat ligt; dat dit principieel uitgangspunt niet geldt voor het vak “ontwerpen”, dat de beoordeling inhoudt van een artistieke prestatie en waarbij het niet gaat om kennisvragen; dat de examencommissie blijkens het proces-verbaal van de deliberatie evenwel kennis heeft genomen van de motieven die, voor wat de betrokken docenten betreft, aan de grondslag hebben gelegen van de beoordeling van het gedeelte jaarwerken eensdeels en die, voor wat de atelierjury betreft, aan de grondslag hebben gelegen van de beoordeling van het gedeelte eindwerken anderdeels; dat die motieven vervolgens werden toegelicht door de betrokken docenten en door de verslaggever van de jury en zijn weergegeven in het proces- verbaal of er een bijlage van uitmaken; dat de examencommissie zich die XII-2849-8/20 motieven uitdrukkelijk eigen heeft gemaakt; dat de examencommissie tenslotte op grond van die motieven de beoordeling 8,5/20 voor het vak “ontwerpen” bevestigt; dat aldus de bewering van verzoeker dat de examencommissie “niets meer vermeldt dan het mathematisch tekort van verzoeker op het vak ‘ontwerpen’” en “niets anders gedaan heeft dan kennis te nemen van en conclusies te verbinden aan de haar ter beschikking gestelde punten” voor het vak “ontwerpen” eveneens feitelijke grondslag mist; 2.1.
  22. Overwegende dat de examencommissie finaal het niet-geslaagd verklaren van verzoeker verantwoordt op grond van drie elementen, te weten ten eerste, verzoekers tekort voor het vak ontwerpen (“in het licht van deze quotering”, dit wil zeggen het tekort van 8,5/20), ten tweede, het belang van het betrokken vak in het geheel van de jaaropleiding (“het vak ontwerpen is het belangrijkste vak [met een] wegingscoëfficiënt 21, waar aan de andere vakken slechts een wegingscoëfficiënt van 6 tot 8 wordt toegekend”) en ten derde, het totaal jaarresultaat (“gemiddeld resultaat in de tweede examenperiode slechts 53,7%”); dat verzoeker, waar hij stelt dat er, los van het mathematisch tekort, bijzonder deugdelijke redenen dienden te bestaan om hem af te wijzen, voorbijgaat aan en geen kritiek levert op het feit dat zijn niet-slagen steunt op de drie voormelde motieven; dat deze motieven in rechte aanvoerbaar en in feite juist zijn en dat zij, samen genomen, “afdoend en pertinent” zijn om de bestreden beslissing te kunnen dragen; 2.1.
  23. Overwegende dat het middel niet gegrond is; 2.2.
  24. Overwegende dat verzoeker een tweede middel put uit de schending van het redelijkheidsbeginsel, doordat de examencommissie de beoordeling 6/20 van de atelierjury overneemt en de beoordeling voor het vak “ontwerpen” (8,5/20) als uitgangspunt heeft gehanteerd voor zijn niet-geslaagd verklaren, terwijl de beoordeling van het eindwerk kennelijk onredelijk is, dat die kennelijke onredelijkheid blijkt uit het geven van “een nagenoeg niet delibereerbaar ‘buiscijfer’ (6/20) [...] voor een ontwerp, waarvan de beoordeling XII-2849-9/20 strikt subjectief gebeurt, in functie van persoonlijke smaken en voorkeuren”; dat verzoeker verschillende grieven heeft tegen de in het evaluatieverslag opgenomen motieven; dat verzoeker met deze grieven in essentie betoogt dat de jury een subjectieve beoordeling heeft gegeven en dat “uit niets blijkt op basis van welke criteria of parameters de juryleden tot het desbetreffend eindresultaat zijn gekomen”, dat desgevallend een deskundige moet worden aangesteld; Overwegende dat verwerende partij repliceert dat de examen- commissie en de examinatoren over een verregaande beoordelingsvrijheid beschikken, dat de autonomie van de examencommissie een noodzakelijke voorwaarde is opdat een examenbeoordeling een beoordeling van kennen en kunnen zou zijn, dat de beslissing slechts marginaal kan worden getoetst, dat de beoordeling van het eindwerk omwille van het belang en de objectiviteit werd toevertrouwd aan een speciaal daarvoor samengeroepen jury van professionelen, dat de examencommissie het oordeel van deze onafhankelijke deskundigen niet lichtzinnig naast zich neer kan leggen en bijzondere redenen moet hebben om het oordeel van de jury niet te volgen, dat een docent rekening houdt met de vooruitgang die een student tijdens de werkzaamheden maakt terwijl een jury enkel rekening houdt met het eindresultaat, dat de jury zijn oordeel steunde op objectieve criteria die bovenaan het juryverslag worden weergegeven, dat bijgevolg kan worden nagegaan welke criteria de jury hanteerde voor het evalueren van de studenten; Overwegende dat verzoeker dupliceert dat de bijzonder geringe quotering van het eindwerk niet enkel in schril contrast staat met de beoordeling van zijn werk door de docenten voor het deel jaarwerken, maar ook met zijn andere resultaten, dat verwerende partij de beoordelingsfiche van de eerste zittijd niet heeft “bijgebracht” terwijl deze toch van belang is bij de beoordeling, dat de beoordeling van de jury uiterst vaag is geformuleerd en er niet uit blijkt dat zijn ontwerp werd getoetst aan de in “Titel Vier” van het vak “ontwerpen” omschreven “doelstelling”, dat niet wordt ingegaan op zijn inzichten in funderingstechnieken, dwarsstabiliteit en andere bouwtechnische principes XII-2849-10/20 terwijl de verwerking hiervan in het ontwerp essentieel is; dat hij ter staving “van het kennelijk onredelijk karakter van de beoordeling van het eindwerk [...] door de atelierjury” verwijst “naar een 5-tal verklaringen van deskundigen (ingenieurs, architecten,...) die het werk van verzoeker hebben onderzocht en bevestigen dat het thans gewraakte verslag van de atelierjury ten onrechte afbreuk doet aan het ontwerp, nu dit ook structureel en constructief haalbaar is”; dat hij voorstelt, ten slotte, dat de Raad van State “teneinde enige verduidelijking te hebben in deze vrij technische materie”, zijn werk zou vergelijken met de werken van andere studenten “van diezelfde lichting en met hetzelfde ontwerp” en dat hij de vraag één of meerdere deskundigen aan te stellen, herhaalt; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie betoogt dat elke examenbeslissing dient te steunen op het toepassen van een beoordelingsnorm op de voorliggende examenresultaten zodat de deliberatiecriteria de kern vormen van de examenbeslissing, dat te dezen de beoordeling in functie van de vooraf bepaalde doelstellingen het beoordelingsproces objectiveert terwijl deze objectivering niet blijkt uit de bestreden beslissing, dat bij het beoordelen van een eindwerk de kwaliteiten en tekorten van het werkstuk expliciet moeten worden vermeld zodat de motieven uitdrukkelijk worden verwoord; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie nog antwoordt dat er bezwaarlijk kan worden gesproken van een “schril contrast”, dat trouwens het verschil in quotering in de bestreden beslissing wordt gemotiveerd en verzoeker gemiddeld slechts 53,7 % behaalt, dat verzoeker er niet in slaagt het vertrouwen in de deskundigheid van de jury op geloofwaardige wijze aan het wankelen te brengen, dat er bezwaarlijk sprake kan zijn van een onafhankelijk en objectief oordeel van “zogenaamde experten waarvan verzoeker een verklaring neerlegt”, indien de door hem voorgelegde verklaringen onderling identiek blijken te zijn; XII-2849-11/20 2.2.
  25. Overwegende dat de Raad van State zich niet in de plaats van de examencommissie of van de atelierjury kan stellen voor het beoordelen van de examenresultaten; dat de Raad van State ook geen beroepsinstantie is voor de beoordeling van de examenresultaten en van de geschiktheid van de student om het volgende jaar aan te vatten, vermits het alleen aan de examencommissie toekomt om die keuze te maken; dat de examencommissie daarbij over een - ruime- discretionaire bevoegdheid beschikt; dat de Raad van State verzoeker derhalve niet kan beschermen tegen strenge beslissingen, alleen tegen onwettige beslissingen; dat een strenge beslissing door de betrokken student allicht als onredelijk of onbillijk ervaren kan worden; dat het ook niet uitgesloten is dat een ándere examencommissie, op zicht van dezelfde gegevens en op grond van de haar toekomende beoordelingsbevoegdheid, evengoed binnen de grenzen van de wettelijkheid tot een ánder oordeel zou komen; dat een beoordeling door de examencommissie door de Raad van State echter enkel voor onwettig kan worden gehouden indien blijkt dat die beslissing niet gedragen kan worden, in rechte of in feite, door de er voor ingeroepen motieven of indien het om een beslissing gaat waarvan gewoon niet te begrijpen valt hoe ze zelfs binnen die ruim geachte discretionaire bevoegdheid tot stand is kunnen komen : waarvan met andere woorden niet denkbaar is dat enige zorgvuldig handelende examencommissie ze zou kunnen nemen; dat de Raad van State dus niet, in het kader van het aangevoerde middel, het werk van verzoeker moet vergelijken met de werken van andere studenten zoals hij het vraagt in de memorie van wederantwoord; 2.2.
  26. Overwegende dat het evaluatieverslag van de jury van 20 september 2000 onder het begrip “eindtermen”, in strijd met wat verzoeker beweert, de criteria in herinnering brengt waarop de eindwerken beoordeeld dienen te worden; 2.2.
  27. Overwegende dat een evaluatie van een ontwerp in een architectuuropleiding onvermijdelijk een waardeoordeel insluit dat een meer subjectief karakter heeft dan de beoordeling van kennisvragen, wat precies een reden is waarom niet kan worden volstaan met de enkele mededeling van een XII-2849-12/20 eindcijfer als motivering van die beoordeling; dat een deels subjectieve beoordeling van een ontwerp niet uit zichzelf of automatisch een onredelijke of ontoelaatbare beoordeling is; dat de deskundigheid van een met het oog op die evaluatie door de hogeschool samengestelde jury in beginsel aangenomen moet worden; dat het op de eerste plaats dan ook aan verzoeker toekomt om dit vertrouwen op een geloofwaardige wijze aan het wankelen te brengen; Overwegende dat het vertrouwen van de school dat blijkt uit haar beslissing tot samenstelling van de jury, en dezes veronderstelde deskundigheid de nodige waarborgen bieden opdat de onvermijdelijk subjectieve aspecten van een beoordeling van een architectuurontwerp niet ontaarden in trivialiteit of willekeur, doch eensdeels gestoeld zijn op vakkennis en dus pertinent zijn en anderdeels gebed zijn in de onderwijsopvattingen van de betrokken school zodat, met de woorden van het in het administratief dossier neergelegd Protocol aangaande de kandidaatsproef Ontwerpen (campus Gent), “[d]e cultuur van de campus wordt gerespecteerd”; dat de beoordeling die deze jury heeft gegeven een collegiale beoordeling is geweest; dat de gegevens van het administratief dossier geen vragen oproepen omtrent de deskundigheid van de atelierjury of de ernst van de door haar neergeschreven evaluatie; dat verzoeker weliswaar verklaringen voorlegt van architecten en ingenieurs teneinde de deskundigheid van de jury in twijfel te trekken; dat blijkt dat het “5-tal verklaringen” alle grotendeels gelijkluidende, in de meeste gevallen zelfs eensluidende, want voorgedrukte teksten zijn die door de meeste betrokkenen blijkbaar enkel nog dienden te worden ondertekend en waarin overigens eveneens enige subjectiviteit schuilt; dat voormelde verklaringen enkel het door de “deskundigen” behaalde diploma, zonder meer, vermelden, of het feit “praktizerend architect” te zijn, zodat niet blijkt waarom voor de Raad hun bevindingen qua deskundigheid opwegen tegen het oordeel van de jury; dat verzoeker niet met deze stukken het hiervoor beschreven vermoeden van deskundigheid van de jury op geloofwaardige wijze aan het wankelen brengt; dat bijgevolg ook op het verzoek om een deskundige aan te stellen niet wordt ingegaan; XII-2849-13/20 2.2.
  28. Overwegende dat met betrekking tot verzoekers argument dat de discrepantie tussen het cijfer voor zijn eindwerk en zijn overige resultaten vragen doet rijzen inzake de door de jury gehanteerde criteria, dient te worden gewezen op het feit dat in de bestreden beslissing wordt gemotiveerd waarom de cijfers voor de jaarwerken beter zijn, namelijk dat “het jaarwerk [...] een continue proces [is] waarbij na elke beoordelingsstap de argumentaties rechtsstreeks en uitvoerig met de student worden besproken in het kader van studiebegeleiding” en dat “bij het jaarwerk [...] de procesontwikkeling en de inspanningen van de student mede [worden] gewaardeerd, waardoor de quotaties gemiddeld hoger liggen”; dat voormelde motivering door verzoeker niet wordt betwist of ontkracht; 2.2.
  29. Overwegende dat het middel niet gegrond is; 2.3.
  30. Overwegende dat verzoeker een derde middel put uit de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de examencommissie na het intrekken van haar eerste beslissing heeft nagelaten de grieven van verzoeker aan een nader onderzoek te onderwerpen, dat geen afzonderlijke beoordeling voorligt van de ontwerpen tijdens het gedeelte jaarwerken, dat geen individuele beoordeling voorligt van ieder lid van de jury van het gedeelte eindwerken, dat de evaluatie onvolledig en kortstondig is geweest, dat de opmerkingen van de juryleden niet vooraf aan verzoeker werden meegedeeld zodat hij er zich ter dege tegen kon verdedigen, dat het eindcijfer 8,5/20 niet strookt met de deelresultaten aan verzoeker meegedeeld; Overwegende dat verwerende partij repliceert dat uit het proces-verbaal van beraadslaging van de examencommissie duidelijk blijkt dat verzoekers resultaten zorgvuldig werden heroverwogen, dat zowel schriftelijk als mondeling kennis werd genomen van de motieven van docenten en jury en dat ook de ombudsman de gesprekken die hij met verzoeker had nader heeft toegelicht, dat geen rechtsregel voorschrijft dat er moet worden geantwoord op de grieven van de betrokken student, dat de verhouding jaarwerken/eindwerken niet XII-2849-14/20 60 % / 40 % maar 50 % / 50 % is en dat verzoeker overigens zelfs bij het toepassen van eerstgenoemde verhouding niet geslaagd zou zijn geweest; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie herhaalt wat hij reeds in zijn verzoekschrift uiteenzette; 2.3.
  31. Overwegende dat de examencommissie haar beslissing van 22 september 2000 heeft ingetrokken en vervangen door een nieuwe beslissing; dat die nieuwe beslissing het gevolg is van de bezwaren die verzoeker heeft gericht aan de school en van zijn eerste verzoekschrift bij de Raad van State; dat hiervoor reeds is overwogen dat de nieuwe beslissing gemotiveerd is en wel door draagkrachtige motieven; dat wanneer de examencommissie een beslissing intrekt en vervangt door een nieuwe beslissing, geen rechtsregel voorschrijft dat bovendien een antwoord moet worden geformuleerd op grieven van de belanghebbende student; dat het gedeelte eindwerken en het gedeelte jaarwerken op afzonderlijke opdrachten betrekking hebben en ieder een eigen finaliteit hebben zodat de resultaten voor het ene gedeelte zonder verband zijn met het andere gedeelte; dat de examencommissie heeft kunnen beschikken over de eindbeoordeling van het gedeelte jaarwerken; dat niet vereist is dat een examencommissie bovendien nog kennis neemt van alle beoordelingen en deelcijfers die tezamen tot het eindcijfer aanleiding gaven; dat de jury collegiaal beraadslaagt en er derhalve geen individuele beoordelingen vereist zijn; dat, mochten deze individuele beoordelingen toch gegeven zijn, het niet kennis nemen ervan door de examencommissie geen onzorgvuldigheid is nu uit het geschreven verslag van de jury niet blijkt dat sommige leden ervan het met de globale beoordeling grondig oneens zouden zijn geweest; 2.3.
  32. Overwegende dat luidens artikel 5 van het examenreglement voor het opleidingsonderdeel ontwerpen een jury-evaluatie wordt ingericht, maar dat noch dit artikel noch enige andere relevante bepaling voorafgaandelijk een verdediging voorschrijft zoals gebruikelijk is bij eindverhandelingen; dat het te dezen volstaat dat de jury kennis neemt van verzoekers eindwerk en er een XII-2849-15/20 beoordeling over geeft; dat overigens, zelfs indien met verzoeker zou worden aangenomen dat een verdediging moet worden georganiseerd, verzoeker niet aantoont waarom hetgeen van een student te dezen werd verwacht in het kader van zijn opdracht, op het vlak van parate kennis en van het beheersen van onder meer de techniek gekoppeld aan de gehanteerde visies, op zich niet voldoende moet zijn om te kunnen antwoorden op de gestelde vragen en om zich tegenover de jury binnen een korte tijdsspanne te verantwoorden; 2.3.
  33. Overwegende dat in geval er in de berekening van de punten van verzoeker materiële vergissingen zijn gebeurd, hiervoor het bij artikel 36 van het examenreglement georganiseerde administratief beroep dient te worden ingesteld; dat uit de stukken van het administratief dossier niet blijkt dat verzoeker specifiek op dit punt een betwisting bij de voorzitter van de examencommissie heeft aanhangig gemaakt; 2.3.
  34. Overwegende dat het middel niet gegrond is; 2.4.
  35. Overwegende dat verzoeker als vierde middel de schending aanvoert van de hoorplicht, van de rechten van de verdediging, van artikel 6.1 van het E.V.R.M. en van artikel 30 van het examenreglement; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord nader betoogt dat bezwaarlijk kan worden gesteld dat hij tijdens het examen werd gehoord aangezien hem voorafgaandelijk geen opmerkingen werden kenbaar gemaakt zodat hij zich “niet op ernstige wijze” kon verdedigen, dat de examencommissie hem diende te horen om zich aldus met kennis van zaken een oordeel te vormen omtrent zijn capaciteiten, dat de hoorplicht dient te worden gerespecteerd door het orgaan dat de griefhoudende beslissing neemt, te dezen de examencommissie, zodat aan de hoorplicht niet werd voldaan door het feit dat hij werd gehoord door de voorzitter van deze examencommissie, die overigens luidens artikel 36 van het examenreglement enkel kan oordelen over betwistingen over vermoede materiële vergissingen; XII-2849-16/20 2.4.
  36. Overwegende dat mag worden aangenomen dat verwerende partij haar beslissing van 22 september 2000 heeft ingetrokken als rechtstreeks gevolg van de betwisting met verzoeker en het gegeven dat verzoeker de schorsing had gevorderd van de uitvoering van die beslissing in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid; dat bijgevolg mag worden aangenomen dat verwerende partij kennis heeft genomen van verzoekers grieven; dat bij het nemen van een nieuwe beslissing niet vereist is dat de gegriefde student persoonlijk aanwezig is of wordt gehoord; Overwegende dat een student wordt “gehoord” tijdens het examen; dat het “horen” in het geval van een vak “ontwerpen” in beginsel neerkomt op het tonen van de betrokken maquette; dat bij de beoordeling door de jury van verzoekers eindwerk bovendien een, zij het korte, gedachtewisseling heeft plaatsgehad; dat verzoeker dan ook de kans niet werd ontzegd om zo nodig aanvullende toelichting te geven bij de door hem ontworpen maquette; Overwegende dat een examencommissie die beraadslaagt over de resultaten van de examens en de daaraan te hechten gevolgen, behoudens een uitdrukkelijk voorschrift ter zake, in beginsel niet de verplichting heeft de student die het voorwerp uitmaakt van haar beslissing andermaal in de gelegenheid te stellen voor zijn belangen op te komen; dat dit in bijzondere omstandigheden anders kan zijn, zoals in het geval bedoeld bij artikel 37, § 5, van het examenreglement, luidens welke bepaling de student bij fraude op zijn verzoek gehoord wordt door de examencommissie; dat deze zaak geen aanwijzingen bevat van aard om van het gestelde beginsel af te wijken; Overwegende dat, daargelaten de vraag of artikel 6.1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden te dezen van toepassing is, te dezen aan die verdrags- bepaling is voldaan door de mogelijkheid om een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging en een annulatieberoep in te stellen bij de Raad van State; XII-2849-17/20 Overwegende dat artikel 30 van het examenreglement enkel betrekking heeft op het bespreken van een examen, of het inkijken ervan, samen met de examinator; 2.4.
  37. Overwegende dat het middel niet gegrond is; 2.5.
  38. Overwegende dat verzoeker als vijfde middel de schending aanvoert van de “fairplay-norm”, doordat het intrekken en vervangen van de bestreden beslissing van 20 september 2000 als “vertragingsmaneuver” een “uitputtingsslag” is die de examencommissie wil voeren met verzoeker die immers nog maar weinig tijd heeft om een nieuw leerjaar met vrucht te volgen; Overwegende dat verwerende partij stelt dat een administratieve rechtshandeling die geen rechten heeft doen ontstaan ten voordele van derden kan worden ingetrokken als de administratieve overheid oordeelt dat het algemeen belang dit vereist, dat zij bijgevolg het recht had de beslissing van 22 september 2000 in te trekken aangezien bezwaarlijk kan worden voorgehouden dat de beslissing waarbij verzoeker wordt afgewezen en waarvan hij de schorsing vordert, in hoofde van verzoeker rechten zou hebben doen ontstaan, dat zij door tegelijkertijd met de intrekking een nieuwe beslissing te nemen duidelijkheid heeft verschaft omtrent verzoekers rechtspositie; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord en in de laatste memorie dupliceert dat verwerende partij, waar zij verwijst naar de leer van de intrekking, voorbijgaat aan het gegeven dat enkel rekening kan worden gehouden met het feit of het een regelmatige, dan wel een onregelmatige handeling betreft, ongeacht of hierdoor al dan niet rechten worden toegekend; dat hij voorts doet gelden dat de examencommissie zich gedraagt als rechter en partij en hem “met open vizier” voor de Raad van State had moeten bekampen en niet binnenskamers door daags voor de behandeling door de Raad van State de gewraakte beslissing in te trekken; XII-2849-18/20 2.5.
  39. Overwegende dat de beslissing van 20 september 2000 op het ogenblik van haar intrekking door verzoeker in rechte met een annulatieberoep werd bestreden, onder meer op grond van het ontbreken van een formele motivering; dat het intrekken van een bij de Raad van State bestreden rechtshandeling met het oogmerk deze uit het rechtsverkeer te verwijderen omwille van een mogelijke, door verzoeker ingeroepen onregelmatigheid en het prompt vervangen ervan door een andere beslissing die niet meer behept zou zijn met die onwettigheid, waardoor de tussen de verzoeker en de verwerende partij te voeren rechtsstrijd overigens op korte termijn van de externe wettigheid van de beslissing naar haar interne wettigheid kon worden verplaatst, bezwaarlijk als een “vertragingsmaneuver” kan worden beschouwd; dat verzoeker niet aantoont dat de hogeschool te dezen met enige kwade trouw zou hebben gehandeld; dat het middel ongegrond is, BESLUIT: Artikel
  40. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  41. De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien maart 2005, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. XII-2849-19/20 De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2849-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.832 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.91.491 ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.120.143 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.