id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.834 Rolnummer: A. 78883/VII-16754 Zaak: Arrest 141834 - - 10/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-15 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-07-02 08:36 Fiche Arrest nr 141.834 van 10 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTIE. nr. 141.834 van 10 maart 2005 in de zaak A. 78.883/VII-16.754. In zake : Jozef GEUDENS, die woonplaats kiest bij Advocaat L. SCHUERMANS, kantoor houdende te TURNHOUT, de Merodelei 112 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij Advocaat H. LANGE, kantoor houdende te ANTWERPEN, Schemersstraat 30. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jozef GEUDENS op 8 juni 1998 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van "het Besluit van de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Tewerkstelling dd. 15 april 1998 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing nr. 2/MV/MLAV1/97- 144/JVDM/IAN van 2 oktober 1997 van de Bestendige deputatie van de provincie- raad van Antwerpen houdende enerzijds het verlenen van de vergunning aan verzoeker om een inrichting gelegen te 2370 Arendonk, Schotelven 141 verder te exploiteren en te veranderen, en anderzijds onontvankelijk verklaring van de vraag tot hermachtiging van stal 2 voor 249 mestkalveren"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 17 juni 2004 de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-16.754-1/11 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 23 november 2004 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 23 december 2004; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van Advocaat L. JANSEN die, loco Advocaat L. SCHUERMANS verschijnt voor verzoeker, en van Advocaat A. THIENPONT die, loco Advocaat H. LANGE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. Verzoeker baat te Arendonk, aan de Schotelven 141, een veeteeltinrichting uit. In het verleden kreeg hij hiervoor, wat de dieren betreft, volgende vergunningen : - een vergunning die op 25 maart 1968 werd verleend door het college van burgemeester en schepenen voor de exploitatie van een kalverenstal, en dit voor een termijn van dertig jaar. Er staat geen dierenaantal vermeld; - een vergunning op 8 oktober 1975 verleend door het college van burgemeester en schepenen voor de oprichting van een mestkalverenstal. De termijn van deze vergunning staat ter discussie. De verwerende partij stelt dat een vergunning voor tien jaar werd verleend, volgens verzoeker werd een vergunning voor dertig jaar verleend. Ook op deze vergunning staat geen dierenaantal vermeld. VII-16.754-2/11 1.2. Op 1 april 1997 dient verzoeker bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen een milieuvergunningsaanvraag in om zijn bedrijf verder te exploiteren. 1.3. Op 2 oktober 1997 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen aan verzoeker een vergunning voor, wat de dieren betreft, het verder "stallen van 266 kalveren (stal 1)" en het verder "stallen van 10 grote zoogdieren", doch beslist dat "de vraag tot hermachtiging van stal 2 voor 249 mestkalveren (...) onontvankelijk (
- is)wegens laattijdigheid". 1.4. De Vlaamse Landmaatschappij gaat in beroep tegen dit vergunningsbesluit. 1.5. In het kader van de beroepsprocedure worden de vereiste adviezen uitgebracht. 1.6. Op 15 april 1998 wordt de bestreden beslissing genomen. Het beroep wordt gegrond verklaard. Voor wat de dieren betreft wordt vergunning verleend voor "het stallen van 257 mestkalveren (stal 1)" en wordt de vergunning geweigerd voor "het stallen van de overige 258 aangevraagde mestkalveren" en voor "het stallen van 10 grote zoogdieren"; 2. De gegrondheid van het beroep 2.1.1. Overwegende dat verzoeker in zijn verzoekschrift als eerste middel de schending aanvoert "van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name de motiveringsplicht en de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukke- lijke motivering van bestuurshandelingen"; dat hij betoogt dat in de bestreden beslissing wordt overwogen dat de inrichting behoort tot een niet-gezinsveeteeltbedrijf zodat de aanvraag valt onder de bepalingen van artikel 4, § 1, van het vergunningenbesluit, waardoor de som van de grondgebonden afzet, de grondverbonden afzet, de afzet via verwerking en de afzet via export minstens even groot moet zijn als de totale te vergunnen mestproductie, dat vermits de bestreden beslissing geen rekening houdt met de door verzoeker voorgelegde grondverbonden afzet zij ten onrechte overweegt dat enkel een grondgebonden afzet van 1.340 kg P2O5/jaar wordt bewezen, waardoor slechts een vergunning kan verleend worden voor de verdere exploitatie van 257 mestkalveren; VII-16.754-3/11 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat de cijfers, met name een productie van 1.340 kg P2O5, wat overeenstemt met 257 kalveren, door verzoeker niet worden betwist, dat verzoeker evenwel ten onrechte van mening is dat geen rekening werd gehouden met de door hem voorgelegde bewijzen in verband met de afzet via verwerking, dat in de bestreden beslissing hieromtrent evenwel wordt gesteld dat de RWZI's die kalvergier zouden moeten verwerken hiervoor niet vergund zijn; dat, voorts, zij nog verwijst naar haar repliek op het "eerste middel in ondergeschikte orde"; dat die repliek er op neerkomt dat het milieubeleidsplan 1997-2001 erin voorziet dat de sector zelf zal moeten instaan voor de verwerking van de kalvermest; 2.1.3. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker nog stelt dat uit een proces-verbaal van 28 mei 1998 van de Vlaamse Landmaat- schappij blijkt dat voor de productiejaren 1995, 1996 en 1997 een voldoende mestafzet werd bewezen en dat de motivering in verband met de mestverwerking op RWZI's niets te maken heeft met de door verzoeker verantwoorde mestafzet; 2.1.4.1. Overwegende dat verzoeker in zijn middel niet betwist dat zijn bedrijf een niet-gezinsveeteeltbedrijf is, en dat de aanvraag valt onder de bepalingen van artikel 4 , § 1, van het zogenaamde vergunningenbesluit; dat blijkens de aanhef van de bestreden beslissing de verwerende partij zich steunt op artikel 4, § 1, 2/, a), van het vergunningenbesluit om het aantal kalveren te reduceren tot 257; dat die bepaling stelt dat wanneer de Vlaamse regering vaststelt dat één van de in artikel 33, § 1, van het meststoffendecreet bepaalde maxima overschreden is -het wordt niet betwist dat dit in casu het geval is- en de vergunningsaanvraag betrekking heeft op de hernieuwing van een vergunning of op een verandering zonder uitbreiding van de mestproductie, van een bestaande veeteeltinrichting horende bij een niet-gezinsveeteeltbedrijf, de vergunningsaanvraag onder meer aan de volgende voorwaarde dient te voldoen : "de som van de grondgebonden afzet, de afzet via verwerking en de afzet via export, moet minstens even groot zijn als de som van de vergunde producties van alle inrichtingen van het bedrijf samen"; dat blijkens artikel 1, 10/, van het vergunningenbesluit onder "grondgebonden afzet" moet worden verstaan : "de hoeveelheid dierlijke mest, uitgedrukt in kg difosforpentoxide, die op de in aanmerking komende tot het bedrijf behorende oppervlakte cultuurgrond mag worden opgebracht"; dat artikel 1, 11/ als definitie van "grondverbonden afzet" geeft : "de hoeveelheid dierlijke mest, uitgedrukt in kg VII-16.754-4/11 difosforpentoxide, waarvoor er één of meer door de Mestbank goedgekeurd(
- e)mestafzetovereenkomst(
- en)of mestafnameovereenkomst(
- en)is (zijn)"; 2.1.4.2. Overwegende dat krachtens artikel 4, § 1, 2/, a), van het vergunningenbesluit voor niet-gezinsveeteeltbedrijven de grondverbonden mestafzet niet in aanmerking mag worden genomen; dat verzoeker tegen de regelgeving in zich dan ook niet kon steunen op de materiële vergissing in de aanhef van het bestreden besluit houdende de overweging "dat de som van de grondgebonden afzet, de afzet van de grondverbonden, de afzet van de verwerking en de afzet via export minimaal even groot moet zijn als de totale te vergunnen productie" in zijn betoog dat de grondverbonden afzet wel diende in aanmerking te worden genomen; dat, dienvolgens de mestafzetovereenkomsten die verzoeker in het kader van de zogenaamde "burenregeling" bijbrengt niet in aanmerking mogen worden genomen; dat verzoeker niet betwist dat voor de "grondgebonden" afzet slechts 1.340 kg P2O5 per jaar wordt bewezen; 2.1.4.3. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog betoogt dat overeenkomstig artikel 4, § 1, 2/, a), van het vergunningenbesluit voor gezinsveeteeltbedrijven de grondverbonden mestafzet wél in rekening mag worden gebracht, dat "inzoverre artikel 4, § 1, 2/
- a)van het 2.1.4.4. Overwegende dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.1 Overwegende dat verzoeker in het verzoekschrift een tweede middel neemt uit "machtsoverschrijding, schending van het vertrouwensbeginsel en van het beginsel van zorgvuldig bestuur"; dat verzoeker betoogt dat, rekening houdend met onder meer eerdere vergunningsbesluiten m.b.t. zijn bedrijf, nl. de deputatiebesluiten van 22 april 1993 en 3 november 1993 en het afschrift van het vergunningsbesluit van 8 oktober 1975, hij er mocht op vertrouwen dat de laatstgenoemde vergunning hem werd verleend voor een termijn van dertig jaar, dat VII-16.754-5/11 de verwerende partij ten onrechte ook het voorwerp van de aanvraag wijzigde vermits zij een aanvraag tot hernieuwing herkwalificeert als een aanvraag tot het verder exploiteren en uitbreiden; 2.2.2. Overwegende dat in de memorie van antwoord de verwerende partij antwoordt dat de vergunning van 8 oktober 1975 voor tien jaar werd verleend en dus reeds verstreken was, dat de aanvraag dus wel moest geherkwalificeerd worden, dat in de aanhef van de bestreden beslissing wordt gemotiveerd waarom de vergunning van 8 oktober 1975 slechts voor tien jaar werd verleend en dat een handgeschreven wijziging van een officieel document in de gegeven omstandigheden geen rechtmatig vertrouwen kon doen ontstaan; 2.2.3. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker nog betoogt dat indien de minister van oordeel was dat de vergunning van 8 oktober 1975 vervallen was, hij de vergunningsaanvraag onontvankelijk had moeten verklaren, veeleer dan ze te herkwalificeren, dat vermits de wijziging van de vergunningstermijn van tien jaar naar dertig jaar niet door verzoeker maar door de bevoegde overheid werd verricht, hij er mocht van uitgaan dat hem een vergunning voor dertig jaar werd verleend, dat in een periode van 22 jaar geen enkele overheid erop wees dat de meergenoemde vergunning slechts voor tien jaar zou zijn toegekend; dat de milieu-inspectie nooit heeft opgetreden, wat erop wijst dat ook zij van oordeel was dat de vergunning voor dertig jaar was verleend; 2.2.4.1. Overwegende dat de verwerende partij een uittreksel neerlegt uit de notulen van de zitting van 8 oktober 1975 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Arendonk, dat daaruit blijkt dat aan verzoeker een vergunning werd verleend voor een mestkalverenstal voor een termijn van tien jaar; dat verzoeker dit stuk niet van valsheid heeft beticht, zodat moet worden aangenomen dat het correct is; dat weliswaar verzoeker een afschrift van het voornoemde vergunningsbesluit bijbrengt waaruit zou moeten blijken dat de vergunning voor dertig jaar werd verleend, doch dat het een met de hand aangebrachte en niet geparafeerde wijziging van de vergunningstermijn betreft waarvan niet duidelijk is wie ze heeft aangebracht; dat in elk geval uit niets blijkt dat het college van burgemeester en schepenen de wijziging zou hebben aangebracht of de opdracht daartoe zou hebben gegeven; dat, integendeel, het administratief dossier nog een bijkomende indicatie omvat dat de vergunningstermijn van tien jaar inderdaad de juiste is, nu in een advies voorafgaand aan de verleende vergunning ook al werd vooropgesteld de vergunning voor tien jaar te verlenen; dat daaraan VII-16.754-6/11 geen afbreuk doet het betoog van verzoeker in zijn laatste memorie dat het advies niet bindend was; dat in de bijkomende vergunningsbesluiten die verzoeker bijbracht nergens expliciet wordt vermeld dat de vergunning van 8 oktober 1975 voor een termijn van dertig jaar werd verleend; dat daarbij komt dat het verlenen van de vergunning op 8 oktober 1975 voor een termijn van dertig jaar zou betekenen dat zij verleend werd voor een termijn die de geldigheidsduur van de eerste vergunning , verleend op 25 maart 1968, ruim zou hebben overschreden, hetgeen weinig gebruikelijk was; 2.2.4.2. Overwegende, ten slotte, dat verzoeker de verwerende partij verwijt dat zij haar aanvraag niet onontvankelijk verklaarde; dat, evenwel, blijkens artikel 9, § 5 , van het milieuvergunningsdecreet en artikel 35, 1/, van Vlarem I, het aan de bestendige deputatie en niet aan de verwerende partij toekwam om de aanvraag desgevallend onontvankelijk te verklaren; dat een onontvankelijk verklaren van de vergunningsaanvraag meer nadeel aan verzoeker zou hebben teweeggebracht dan de herkwalificatie tot het verder exploiteren en het uitbreiden van de inrichting; dat het niet getuigt van onbehoorlijk bestuur een aanvraag te herkwalificeren tot de enige draagwijdte die ze kan hebben, rekening houdend met de feitelijke en juridische gegevens van de zaak; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.1. Overwegende dat in het verzoekschrift het derde middel is "gebaseerd op de schending van artikel 4, § 1, 2/ van het Besluit van de Vlaamse regering van 20 december 1995 houdende uitvoering van de artikelen 33 en 34 van het Mestdecreet"; dat verzoeker betoogt dat ten onrechte toepassing werd gemaakt van artikel 4, § 2, 3/, van dit besluit, nu deze bepaling betrekking heeft op de situatie van een gezinsveeteeltbedrijf dat een aanvraag tot verandering met uitbreiding van de mestproductie indient, terwijl in casu het bedrijf van verzoeker een niet- gezinsveeteeltbedrijf is en de aanvraag geen aanvraag met uitbreiding van de mestproductie doch wel een aanvraag tot hernieuwing betreft, zodat niet artikel 4, § 2, 3/ maar wel artikel 4, § 1, 2/ op zijn vergunningsaanvraag moest worden toegepast; 2.3.2 Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat de vergunning voor stal 2 verstreken was, zodat het wel degelijk gaat om een aanvraag met uitbreiding van de mestproductie; 2.3.3. Overwegende dat verzoeker noch in de memorie van wederantwoord, noch in de laatste memorie iets toevoegt aan zijn argumentatie; VII-16.754-7/11 2.3.4. Overwegende dat in de bestreden beslissing wordt overwogen "dat de uitbreiding met 249 mestkalveren en 10 grote zoogdieren niet kan vergund worden gezien niet voldaan wordt aan alle criteria van artikel 4, § 2, 3/ van het Vergunningenbesluit"; dat artikel 4, § 2, 3/, van het vergunningenbesluit, zoals verzoeker terecht opwerpt, betrekking heeft op gezinsveeteeltbedrijven, terwijl elders in de aanhef van het bestreden besluit wordt overwogen dat de inrichting behoort tot een niet-gezinsveeteeltbedrijf; dat evenwel niet wordt betwist dat verzoekers bedrijf een niet-gezinsveeteeltbedrijf is; dat, zoals reeds werd gewezen bij het onderzoek van het eerste middel, de verwijzing naar artikel 4, § 2, 3/, van het vergunningenbesluit niet meer is dan een materiële misslag; dat overeenkomstig artikel 4, § 1, 2/, van hetzelfde besluit voor niet-gezinsveeteeltbedrijven enkel hernieuwingen of veranderingen van de vergunning zijn toegestaan als er geen uitbreiding van de mestproductie is; dat een materiële vergissing in de verwijzing naar de toepasselijke bepaling de motivering zelf niet gebrekkig maakt wanneer vanuit inhoudelijk oogpunt de motivering toch juist is; dat in casu verzoeker wist dat de vergunning voor de 249 mestkalveren en de 10 grote zoogdieren niet werd toegestaan omdat zulks door de verwerende partij werd beschouwd als een uitbreiding die gepaard zou gaan met een verhoging van de vergunde mestproductie; dat het derde middel niet gegrond is; 2.4.1. Overwegende dat in het verzoekschrift "het eerste middel in ondergeschikte orde" wordt "gebaseerd op onzorgvuldig overheidsbestuur"; dat verzoeker stelt dat de afzet van kalvergier en via export door toedoen van de overheid onmogelijk is en dat artikel 4, § 1, 2/, van het vergunningenbesluit, dat verzoeker verplicht om het bewijs van mestexport of -verwerking te leveren, derhalve onredelijk is; 2.4.2. Overwegende dat in de memorie van antwoord de verwerende partij betoogt dat het milieubeleidsplan 1997-2001 erin voorziet dat de sector zelf zal moeten instaan voor de verwerking van de kalvermest; 2.4.3. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker geen wezenlijke elementen meer toevoegt aan zijn betoog; 2.4.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog aan zijn argumentatie toevoegt dat de kalverensector zelf niet kon instaan voor de mestverwerking, daar er nog geen milieunormen voor mestverwerkingsinstallaties bestonden; dat hij ook nog betoogt dat de verwerende partij in het verleden wel VII-16.754-8/11 rekening heeft gehouden met contracten inzake mestverwerking via de RWZI Antwerpen-Noord, met name in de zaak CHANELCO; 2.4.5. Overwegende vooreerst dat verzoeker beweert, doch niet aantoont, dat export van kalvermest onmogelijk zou zijn; dat ook niet valt in te zien waarom de kalversector zelf niet bepaalde initiatieven zou kunnen nemen om mestverwerking mogelijk te maken, zoals het bouwen van mestverwerkingsinstallaties; dat verzoekers argument in zijn laatste memorie, dat nog geen milieunormen voor mestverwerkingsinstallaties bestonden, niet opgaat, vermits het ook zonder milieunormen mogelijk is initiatieven te nemen; dat daarenboven het feit dat een bepaald bedrijf of een bepaalde sector niet aan een voor de bescherming van het leefmilieu noodzakelijk geachte regeling kan voldoen, niet volstaat om te besluiten tot de onredelijkheid van die regeling; dat de privé-belangen van een bedrijf of een sector in een dergelijk geval moeten wijken voor het algemeen belang; dat het argument ontleend aan het verlenen van een definitieve vergunning op 30 juni 2000 aan de b.v.b.a. CHANELCO niet opgaat, om reden dat deze vergunning werd verleend op grond van een inmiddels bij decreet van 3 maart 2000 gewijzigde regelgeving inzake mestafzet; dat het "eerste middel in ondergeschikte orde" niet gegrond is; 2.5.1. Overwegende dat het "tweede middel in ondergeschikte orde" is "gebaseerd op de schending van artikel 34 van het decreet van 21 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen"; dat verzoeker betoogt dat in zoverre artikel 4 van het vergunningenbesluit hem niet toelaat de bewijsvoering van de mestafzet in de toekomst te leveren aan de hand van grondverbonden afzet, het strijdig is met artikel 34 van het meststoffendecreet dat aan de Vlaamse regering geenszins toelaat afzetbewijzen met betrekking tot grondverbonden afzet uit te sluiten; 2.5.2. Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord betoogt dat verzoeker niet eens aanvoert dat hij over grondverbonden afzet beschikt, zodat hij niet over het vereiste belang bij het middel beschikt; 2.5.3. Overwegende dat in de memorie van wederantwoord verzoeker nog stelt dat hij wel degelijk heeft aangevoerd dat hij over grondverbonden afzet beschikt; VII-16.754-9/11 2.5.4. Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie nog aanvoert dat artikel 34, § 6, 2/, van het meststoffendecreet enkel toeliet regels uit te werken inzake de bewijsvoering van de mestafzet, dat het derhalve gaat over formele aspecten, met name hoe het bewijs van mestafzet moet worden geleverd, en niet om inhoudelijke, met name welke vormen van mestafzet in aanmerking kunnen komen; 2.5.5.1. Overwegende dat als bijlage 9 bij het verzoekschrift verzoeker mestafzetovereenkomsten voorlegt in het kader van de zogenaamde burenregeling, dit is grondverbonden afzet; dat aldus verzoeker wel degelijk belang heeft bij het middel; dat de exceptie van de verwerende partij niet opgaat; 2.5.5.2. Overwegende dat luidens artikel 34, §1, van het decreet van 20 december 1995 tot wijziging van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen, zoals het gold ten tijde van de bestreden beslissing, de Vlaamse regering “aan inrichtingen en/of bedrijven die niet behoren tot gezinsveeteeltbedrijven beperkingen kan opleggen” met betrekking tot onder meer “de hoeveelheid mest die maximaal per inrichting en/of bedrijf en per kalenderjaar mag worden geproduceerd” en “de wijze van afvoer van de in de inrichting en/of het bedrijf geproduceerde dierlijke mest”; dat artikel 34, § 3, van hetzelfde decreet bepaalde in welke gevallen nog een milieuvergunning voor veeteeltinrichtingen kan worden verleend; dat artikel 34, §6, van hetzelfde decreet bepaalde: "De Vlaamse Regering stelt per geval zoals bedoeld in § 3 de regels vast waaraan deze bedrijven bij de milieuvergunningsaanvraag moeten voldoen inzake : 1/ (...) 2/ de bewijsvoering van mestafzet in de toekomst conform de normen aan de hand van afzet op tot het bedrijf behorende oppervlakte cultuurgronden, overeenkomsten met gebruikers, overeenkomsten met erkende mestverhandelaars, overeenkomsten met verwerkers en/of overeenkomsten voor het exporteren van dierlijke mest. De modellen waaraan deze overeenkomsten moeten voldoen worden vastgesteld door de Vlaamse regering"; dat overeenkomstig die bepalingen aan de Vlaamse regering de bevoegdheid werd verleend om via het systeem van voor te leggen bewijzen van mestafzet aan niet- gezinsveeteeltbedrijven beperkingen op te leggen inzake de productie van mestafzet; dat dienvolgens de Vlaamse regering vermocht te bepalen dat voor niet- gezinsveeteeltbedrijven de grondverbonden mestafzet niet in aanmerking zou worden genomen; dat het middel niet gegrond is, VII-16.754-10/11 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien maart tweeduizend en vijf, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, de HH. R. STEVENS, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-16.754-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.834 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div