← België

Arrest 141850 - - 10/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.850 Rolnummer: A. 59608/X-9637 Zaak: Arrest 141850 - - 10/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-18 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-07-02 08:38 Fiche Arrest nr 141.850 van 10 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.850 van 10 maart 2005 in de zaak A. 59.608/X-

  1. In zake : Colette MALOU-ROBERTI de WINGHE, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Grotehertstraat 12 tegen : het Vlaamse Gewest, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Colette MALOU-ROBERTI de WINGHE op 29 augustus 1994 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 5 juli 1994 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden, houdende verwerping van haar beroep ingesteld tegen het besluit van 12 oktober 1993 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant waarbij haar de vergunning wordt geweigerd voor het verkavelen van een grond gelegen te Huldenberg, Oude Waversebaan, kadastraal bekend Sectie A, nrs. 292 b-h-n-o (delen); Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 4 juli 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; X-9637-1/6 Gelet op de beschikking van 4 januari 2005 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 januari 2005; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. DENYS, die verschijnt voor verzoekster, en van Advocaat K. VAN HERCK die, loco Advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Huldenberg een aanvraag indient tot het verkrijgen van een verkavelingsvergunning voor een terrein in zes loten bestemd voor het oprichten van vrijstaande residentiële woningen, gelegen te Huldenberg, Oude Waversebaan, kadastraal bekend Sectie A, nrs. 292 b-h-n-o (delen); dat volgens het gewestplan Leuven, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1977, het perceel is gelegen in natuurgebied; dat na verwerping van haar beroep door de bestendige deputatie, het thans bestreden besluit de vergunning opnieuw weigert; Overwegende, dat artikel 2, § 1, tweede en derde lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, luidt als volgt : "Alle voorschriften van de plannen van aanleg hebben dezelfde bindende kracht, ongeacht of zij grafisch zijn voorgesteld of niet. De plannen hebben verordenende kracht. Zij blijven gelden totdat zij door andere plannen kunnen worden vervangen na een herziening. Er mag alleen van worden afgeweken in de gevallen en in de vormen door dit decreet bepaald."; dat artikel 101, § 1 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, bepaalt wat volgt : "§
  3. Niemand mag zonder voorafgaande verkavelingsvergunning een stuk grond verkavelen. Onder verkavelen wordt verstaan een grond vrijwillig verdelen in twee of meer kavels om ten minste één van deze kavels te verkopen of te verhuren voor meer dan negen jaar, een erfpacht of een opstalrecht te X-9637-2/6 vestigen of één van deze overdrachtsvormen aan te bieden, zelfs onder opschortende voorwaarde, voor woningbouw of voor het opstellen van vaste of verplaatsbare inrichtingen die voor bewoning kunnen worden gebruikt."; Overwegende dat artikel 13, 4.3.1., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, bepaalt wat volgt : "Art. 13 4.
  4. (...) 4.3.
  5. De natuurgebieden omvatten de bossen, wouden, venen, heiden, moerassen, duinen, rotsen, aanslibbingen, stranden en andere dergelijke gebieden. - In deze gebieden mogen jagers- en vissershutten worden gebouwd voor zover deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk. (...)"; dat dit bestemmingsvoorschrift niet toelaat dat voor het betrokken perceel een verkavelingsvergunning in de zin van voormeld artikel 101, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening, wordt verleend; dat voorts geen enkele wettelijke bepaling toeliet en thans nog steeds niet toelaat, voor het verlenen van een verkavelingsvergunning, van dit bestemmingsvoorschrift af te wijken; dat de verzoekende partij, gelet op de planologische bestemming van het betrokken perceel, zelfs in geval van vernietiging van het bestreden besluit, hoe dan ook de gevraagde verkavelingsvergunning niet kan verkrijgen; dat ambtshalve moet worden vastgesteld dat zij om deze reden niet doet blijken van het rechtens vereiste belang bij de gevraagde vernietiging; Overwegende evenwel dat de verzoekende partij in het eerste middel aanvoert dat het bestreden besluit steunt op een onregelmatig en dus niet- verbindend bestemmingsvoorschrift; dat de hiervoor ambtshalve opgeworpen exceptie bijgevolg verbonden is met het eerste middel; dat dit middel derhalve voorafgaand dient te worden onderzocht; Overwegende dat de verzoekende partij het eerste middel afleidt uit de schending van "de artikelen 10, 12 en 13 (oud) van de stedenbouwwet", van artikel 190 van de Grondwet, en van de afwezigheid van de rechtens vereiste juridische grondslag, doordat de bestreden beslissing steunt op de bestemming natuurgebied die in het gewestplan Leuven aan het betrokken terrein is gegeven, terwijl het vaststaat dat de voorschriften van dit gewestplan niet verbindend zijn en aan de burger niet tegenstelbaar zijn, daar de vereisten met betrekking tot de X-9637-3/6 openbaarmaking niet zijn nageleefd en meer bepaald de orthofotoplannen met de bestaande toestand tot op heden nooit in elk gemeentehuis van het door het gewestplan bestreken gebied ter inzage werden gelegd, dat derhalve de bestreden beslissing, door zich te steunen op de niet-verbindende bestemming gegeven door het gewestplan, geen juridische grondslag heeft en onwettig is, dat het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 en het besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1994 houdende bepaling van de normatieve en niet-normatieve delen van het definitief vastgestelde gewestplan deze gebrekkige bekendmaking niet kunnen regulariseren, daar zij zelf onwettig zijn; dat zij in de toelichting bij het middel uiteenzet dat de bekendmaking van de gewestplannen thans geregeld wordt door artikel 100 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994, dat een artikel 13bis in de stedenbouwwet heeft ingevoegd, hetwelk krachtens artikel 108 van hetzelfde decreet eveneens van toepassing is op de gewestplannen die definitief zijn vastgesteld vóór 1 januari 1994; dat de verzoekende partij tenslotte aanvoert dat het ter uitvoering van het voormeld artikel 13bis van de stedenbouwwet vastgesteld besluit van 23 februari 1994 van de Vlaamse regering houdende bepaling van de normatieve en niet-normatieve delen van het definitief vastgestelde gewestplan onwettig is, en dienvolgens door de Raad van State niet mag worden toegepast, omdat het beginsel van behoorlijke regelgeving naar luid waarvan een regeling uitsluitend uit normatieve bepalingen mag bestaan, eensdeels, en artikel 2 van de stedenbouwwet aan de gewestplannen bindende en verordende kracht verleent, anderdeels, zich ertegen verzetten dat de Vlaamse regering in een verordenend besluit als een gewestplan niet-normatieve delen aanwijst; Overwegende dat de artikelen 100 en 108 van het decreet van 22 december 1993 houdende bepalingen tot begeleiding van de begroting 1994 de artikelen 13bis en 75, § 3, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna : de stedenbouwwet) hebben gewijzigd in dier voege dat alleen de normatieve delen van de gewestplannen die zijn vastgesteld vóór 1 januari 1994 ter inzage van de bevolking worden gelegd in elk betrokken gemeentehuis en de niet-normatieve delen ter inzage zijn op het hoofdbestuur en de provinciale buitendiensten van de Administratie Ruimtelijke Ordening; dat in zijn arrest 86/95 van 21 december 1995 het Arbitragehof heeft overwogen dat artikel 75, § 3, van de stedenbouwwet, krachtens hetwelk de bepalingen van artikel 13bis van die wet, vervangen door artikel 100 van het decreet van 22 december 1993, van toepassing zijn op de gewestplannen die definitief zijn X-9637-4/6 vastgesteld vóór 1 januari 1994 wel onmiddellijke, doch geen retroactieve werking heeft; Overwegende dat niet wordt betwist dat alleszins tot aan de datum dat het voornoemd besluit van de Vlaamse regering van 23 februari 1994 in werking is getreden, het gewestplan Leuven door het niet opnieuw ter inzage leggen van de orthofotoplannen, niet regelmatig was bekendgemaakt; Overwegende evenwel dat de artikelen 1 en 2 van het besluit van 23 februari 1994 van de Vlaamse regering houdende bepaling van de normatieve en niet-normatieve delen van het definitief vastgestelde gewestplan luiden als volgt : "Artikel
  6. De normatieve delen van het definitief vastgestelde gewestplan in de zin van artikel 13bis, derde en vierde lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stede(n)bouw, zijn de stukken die betrekking hebben op de gegevens bedoeld in artikel 12, eerste lid, 2/ en 3/, en tweede lid, van dezelfde wet. Artikel
  7. De niet-normatieve delen van het definitief vastgestelde gewestplan, in de zin van artikel 13bis, vierde lid, van dezelfde wet, zijn de stukken die betrekking hebben op de gegevens bedoeld in artikel 12, eerste lid, 1/, van dezelfde wet"; dat artikel 12, eerste en tweede lid, van de stedenbouwwet, luidt als volgt : "Het gewestplan bevat : 1/ de aanduiding van de bestaande toestand; 2/ de maatregelen van aanleg, vereist om te voldoen aan de economische en sociale behoeften van het gewest; 3/ de maatregelen ter verbetering van het net der voornaamste verkeerswegen. Het kan eveneens bevatten : 1/ algemene voorschriften van esthetische aard; 2/ geheel of ten dele de zaken die in een gemeentelijk algemeen plan zijn opgenomen overeenkomstig de navolgende opsomming". dat artikel 2, § 1, tweede en derde lid, van dezelfde wet luidt als volgt : "Alle voorschriften van de plannen van aanleg hebben dezelfde bindende kracht, ongeacht of zij grafisch zijn voorgesteld of niet. De plannen hebben verordenende kracht. Zij blijven gelden totdat zij door andere plannen kunnen worden vervangen na een herziening. Er mag alleen van worden afgeweken in de gevallen en in de vormen door deze wet bepaald"; Overwegende dat blijkens de bewoordingen van artikel 12 de in het eerste lid, 1/, ervan bedoelde bestaande toestand een feitelijk gegeven is en alle overige onderdelen van het gewestplan "voorschriften" zijn; dat artikel 2 enkel aan de voorschriften verordenende kracht verleent; dat de bedoelde voorschriften van X-9637-5/6 het gewestplan Leuven uitsluitend uit normatieve bepalingen bestaan en dus geen niet-normatieve bepalingen bevatten; dat het Arbitragehof bij arresten nr. 86/95 van 21 december 1995 en nr. 10/96 van 21 maart 1996 identieke prejudiciële vragen als die welke door verzoekende partij naar aanleiding van dit middel werden opgeworpen, ontkennend heeft beantwoord; dat verzoekende partij, gelet op deze arresten, in haar laatste memorie stelt de door haar gesuggereerde prejudiciële vraag niet te handhaven; dat het middel niet gegrond is; Overwegende dat de verwerping van het eerste middel tot gevolg heeft dat de ambtshalve opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid dient te worden gehandhaafd; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  8. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  9. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien maart 2005, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, E. BREWAEYS, staatsraad, B. SEUTIN, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-9637-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.850 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.