id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.876 Rolnummer: A. 157994/XII-4315 Zaak: Arrest 141876 - - 11/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-23 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-02 08:41 Fiche Arrest nr 141.876 van 11 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.876 van 11 maart 2005 in de zaak A. 157.994/XII-
(2)van de toelichting bij het eerste middel, op pp. 21 en 22 van het verzoekschrift, op het eerste vernietigingsmotief kan worden betrokken; dat daarin ter sprake komt dat het doel van artikel 57, § 2, van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen er in bestaat een overwaardering van de activa tegen te gaan, dat het de taak van de revisor is de waardering van de activa na te gaan en eventueel een opmerking of voorbehoud te maken in geval van een overwaardering, dat te dezen de revisor de waardering van de activa zoals opgenomen in de jaarrekening heeft nagegaan en tot de conclusie is gekomen dat er geen overwaardering is gebeurd, en dat er bijgevolg niet gesteld kan worden dat er een inbreuk is op de bepalingen van de boekhoudwetgeving en dat er grond is tot vernietiging van de jaarrekening; Overwegende dat vooralsnog in het bezwaar geen zelfstandige kritiek op het eerste vernietigingsmotief van de bestreden beslissing wordt gezien, maar alleen een uitweiding in verband met het tweede vernietigingsmotief, ter staving dat verzoekster haar netwerk niet heeft overgewaardeerd door met een economische levensduur van 50 jaar, in plaats van 33 jaar, rekening te hebben gehouden; dat, overigens, het bezwaar ook inhoudelijk niet overtuigt; Overwegende dat wanneer de materiële vaste activa met een beperkte gebruiksduur in de jaarrekening geherwaardeerd worden -zoals te dezen het geval is-, artikel 57, § 2, vereist dat op basis van de geherwaardeerde waarde wordt afgeschreven; dat verzoekster hieraan niet voldaan lijkt te hebben; dat het verslag XII-4315-6/10 van de revisor, waarop verzoekster steunt om te stellen dat tenminste het doel van het voorschrift is bereikt, voorlopig niet tot een andere conclusie doet leiden; dat integendeel uit het verslag wordt opgemaakt dat er voor het boekjaar 2003 inderdaad niet (meer) werd afgeschreven op de herwaarderingsmeerwaarde met betrekking tot de materiële vaste activa, dat hierdoor de jaarrekening niet overeenstemt met de wettelijke en bestuursrechtelijke voorschriften, maar dat hieromtrent een adviesaanvraag “lopende” is “bij de bevoegde voogdijoverheid”; dat daarmee blijkbaar gedoeld wordt op een aanvraag tot het verkrijgen van de in artikel 125, § 1, van het Wetboek van vennootschappen bedoelde toestemming vanwege de minister die Economische Zaken onder zijn bevoegdheden heeft om af te wijken van de koninklijke besluiten ter uitvoering van titel VI van het Wetboek van vennootschappen, over de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening; dat evenwel, zoals de bestreden beslissing uitdrukkelijk en niet zonder grond overweegt, “er geen afwijking op artikel 57 § 2 van het KB van 30 januari 2001 door de minister van Economische Zaken werd toegestaan”; Overwegende dat in de gegeven omstandigheden moet worden vastgesteld dat de vernietigde jaarrekening van het artikel 57, § 2, afweek zonder dat daarvoor de minister bevoegd voor Economische Zaken zijn toestemming had gegeven; dat niet wordt beweerd, noch blijkt dat de CREG verzoekster van de vereiste van artikel 57, § 2, kon vrijstellen, laat staan nog dat zij zulks ook effectief gedaan zou hebben; dat alleszins de CREG, in haar “richtlijnen” van 18 juni 2003, zelf benadrukt “dat haar bevoegdheden begrensd zijn door de wet” en dat de richtlijnen “niet reglementair of dwingend van aard” zijn; dat, mede gelet op artikel 74 van het decreet van 6 juli 2001 houdende de intergemeentelijke samenwerking, in de huidige stand van de procedure wordt aangenomen dat verwerende partij zich voor de bestreden vernietiging op goede grond heeft kunnen bedienen van het motief van de schending van artikel 57, § 2, van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen; Overwegende dat ook nog na verzoeksters betoog ter terechtzitting, de Raad het eerste middel niet ernstig bevindt; XII-4315-7/10
- Overwegende dat verzoekster in een tweede middel betoogt dat de verwerende partij “heeft gehandeld als een onzorgvuldige overheid, met schending van het redelijkheids-, het zorgvuldigheids- en het rechtszekerheidsbeginsel”; dat nader wordt uiteengezet dat verzoekster verplicht is de richtlijnen van de CREG “en bijgevolg ook de afschrijvingstermijn van 50 jaar voor distributieleidingen” toe te passen, wijl de verwerende partij een afschrijvingstermijn van 33 jaar wil toegepast zien, dat de regeringscommissaris en de Vlaamse minister hebben nagelaten de problematiek met de CREG te bespreken en een oplossing te zoeken, dat verzoekster hiervan het slachtoffer is, dat zij bij gebreke aan goedgekeurde jaarrekening in een juridisch vacuüm terechtkomt, dat de houding van verwerende partij getuigt van een onzorgvuldig en onvoorzichtig beleid; Overwegende dat het middel in essentie het tweede vernietigingsmotief lijkt te beogen; dat, zoals gezien, de kritiek die er alleen toe strekt het tweede vernietigingsmotief in het gedrang te brengen, niet tot vernietiging kan leiden; dat immers de bestreden vernietiging op het eerste gezicht reeds voldoende steun vindt in het eerste vernietigingsmotief; dat het tweede middel niet ernstig is;
- Overwegende dat verzoekster in een derde middel de bestreden beslissing verwijt niet aan te geven op grond van welke feitelijke en juridische argumenten zij een afschrijvingspercentage van 3 % in plaats van 2 % dient te hanteren voor de afschrijving van distributieleidingen; Overwegende dat het middel om dezelfde reden als het tweede middel niet ernstig is;
- Overwegende dat geen ernstige middelen worden aangevoerd; dat niet aan de eerste grondvoorwaarde voor een schorsing is voldaan;
- Overwegende dat in haar pleidooi op de terechtzitting verzoekster aandringt op een “gedeeltelijke schorsing”; dat zij betoogt dat de bestreden vernietiging in werkelijkheid neerkomt op, en moet worden beschouwd als, een XII-4315-8/10 dubbele instructie vanwege de toezichthoudende overheid, dat feitelijk die overheid haar opdraagt, ten eerste, bij het opstellen van een nieuwe jaarrekening 2003 de afschrijvingen op de geherwaardeerde waarde van de materiële vaste activa te steunen en, ten tweede, bij het opstellen van die jaarrekening uit te gaan van een afschrijvingstermijn voor de distributieleidingen van 33 jaar, en dat er in elk geval reden is de tenuitvoerlegging van de laatstgenoemde opdracht te schorsen; Overwegende dat, daargelaten de ontvankelijkheid van de uiteenzetting, zij hoe dan ook niet tot een schorsing kan bewegen; dat immers het beweerde bevel om een nieuwe jaarrekening 2003 op te stellen en daarbij te steunen op een afschrijvingsritme voor de distributieleidingen van 3 %, slechts geschorst zou kunnen worden indien in het verzoekschrift aannemelijk werd gemaakt dat de tenuitvoerlegging ervan verzoekster een moeilijk te herstellen ernstig nadeel dreigt te doen lijden; dat zulks niet het geval is; dat de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in het verzoekschrift er toe beperkt is de vennootschapsrechtelijke, administratiefrechtelijke en strafrechtelijke moeilijkheden aan te geven doordat verzoekster “niet over een goedgekeurde jaarrekening 2003 beschikt”; dat met geen woord echter wordt toegelicht welk nadeel verzoekster zou lijden, laat staan nog waarom het én ernstig én moeilijk herstelbaar zou zijn, indien zij de besproken instructie om in de jaarrekening een afschrijvingsritme voor de distributieleidingen van 3 % te hanteren, ten uitvoer zou leggen; dat met betrekking tot die instructie of opdracht tenminste niet aan de tweede grondvoorwaarde voor een schorsing is voldaan;
- Overwegende dat in elk geval één van de twee cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing niet is vervuld; dat deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, BESLUIT: Artikel
- XII-4315-9/10 De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf maart 2005, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4315-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.876 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.267 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div