id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.907 Rolnummer: A. 160578/VII-33625 Zaak: Arrest 141907 - - 11/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-15 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-02 08:43 Fiche Arrest nr 141.907 van 11 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.907 van 11 maart 2005 in de zaak A. 160.578/VII- 33.
- In zake : de n.v. ANALU, die woonplaats kiest bij advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CARÊME, kantoor houdende te HEVERLEE (LEUVEN), Ijzerenmolenstraat 105 tegen :
- de burgemeester van de gemeente Machelen
- het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Vaartstraat
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. ANALU op 7 maart 2005 heeft ingediend om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te vorderen van “de beslissing van de burgemeester van de gemeente Machelen van 24 februari 2005 waarbij ‘in het bedrijf N.V. ANALU, gelegen Steenweg op Peutie 113 te 1830 Machelen, met toepassing van artikel 31 §1 en 38 van het milieuvergunningende- creet en artikel 65 § 1 van het Vlarem I, ter plaatse en mondeling de stopzetting (wordt) bevolen van de op voormeld adres actueel illegaal geëxploiteerde Vlarem- vergunningsplichtige activiteiten/installaties. Deze beslissing gaat in op 15 mei 2005' (= eerste bestreden beslissing)” en van “de beslissing van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 18 januari 2005, houdende inwilliging van het verzoek tot opheffing van de vergunningen van de N.V. ANALU, Steenweg op Peutie 113 te 1830 Machelen (...) (= tweede bestreden beslissing)” ; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 8 maart 2005 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 10 maart 2005; VII-33.625-1/6 Gehoord het verslag van Staatsraad R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CARÊME, die verschijnen voor de verzoekende partij, van advocaat E. STORMS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat J. BERGÉ, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
- Overwegende, wat de hoogdringendheid van de vordering in zoverre gericht tegen het tweede bestreden besluit betreft, dat de verzoekende partij in haar verzoekschrift aanvoert : "De eerste bestreden beslissing - daterend van 24 februari 2005 en waarvan de verzoekende partij dan heeft kunnen kennis nemen - beveelt uitdrukkelijk de staking van de exploitatie van alle activiteiten, en zulks per 15 mei 2005, derwijze dat enkel een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzake- lijkheid kan volstaan om de definitieve ondergang van de onderneming te redden. De tweede bestreden beslissing van 18 januari 2005 waarvan de verzoekende partij ten vroegste op 25 januari 2005 kennis heeft kunnen nemen, maakt het voor de verzoekende partij met onmiddellijke ingang onmogelijk om nog verder op een vergunde en derhalve wettelijke wijze te exploiteren. De dreiging in het voortbestaan van de verzoekende partij - hetgeen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uitmaakt (cf. supra) - manifesteert zich bijgevolg onmiddellijk. Hoewel de tweede verwerende partij overeenkomstig artikel 36 en 37 van het milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 in de mogelijkheid verkeerde om de milieuvergunningen desgevallend te schorsen, strekt de tweede bestreden beslissing meteen tot de definitieve opheffing van alle milieuvergunningen. Zoals o.a. blijkt uit het tweede middel met betrekking tot de tweede bestreden beslissing, weerlegt de verzoekende partij nochtans alle vaststelling- en op grond waarvan de tweede bestreden beslissing werd genomen. VII-33.625-2/6 Niettegenstaande de gewone beroepstermijn om de tweede bestreden beslissing middels een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverkla- ring bij Uw Raad te bestrijden. slechts ten vroegste op 26 maart 2005 zou verstrijken, heeft de eerste verwerende partij meteen en zonder een ev. beroep af te wachten de stopzetting van de exploitatie van de inrichting van de verzoekende partij bevolen. In dat opzicht is de vordering niet alleen uiterst hoogdringend en noodzake- lijk ten aanzien van de eerste bestreden beslissing, doch eveneens ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de eerste bestreden beslissing uiterst hoogdringend en noodzakelijk geworden ten aanzien van de tweede bestreden beslissing. De uiterst hoogdringende noodzakelijkheid ten aanzien van de tweede bestreden beslissing vloeit mede voort uit de verknochtheid tussen de beide bestreden beslissingen. Een gewone vordering tot schorsing volstaat niet om het voortbestaan van de onderneming te redden. De uiterst dringende noodzakelijkheid kan niet worden betwist"; Overwegende dat de tweede verwerende partij hierop antwoordt: “
- De tweede bestreden beslissing van 18 januari 2005 op zichzelf noopt niet tot een procedure in uiterst dringende noodzakelijkheid, a fortiori niet in de omstandigheid dat de verzoekende partij verklaart de opheffingsbeslissing niet te zullen naleven (zie infra). De verzoekende partij meent de uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen afleiden uit de ‘verknochtheid' met de eerste bestreden beslissing. Deze eerste beslissing schept echter evenmin een uiterst dringende noodzakelijkheid, nu zij pas ingaat op 15 mei
- Dit uitstel werd door de burgemeester juist verleend om aan verzoekende partij toe te laten een gewone vordering tot schorsing tegen de tweede beslissing in te stellen en het resultaat daarvan af te wachten. De verzoekende partij heeft evenwel meteen een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid opgestart tegen beide beslissingen.
- De verzoekende partij toont bovendien niet aan dat zij met de gewone schorsingsprocedure ten opzichte van de tweede bestreden beslissing onherroepelijk te laat een uitspraak zou hebben bekomen (R.v.St. nr. 122.597). De verzoekende partij maakt dus gebruik van deze uitzonderlijke procedure in een situatie waarin dit niet nodig is, althans niet ten opzichte van de tweede bestreden beslissing.
- De verzoekende partij is niet diligent opgetreden, nu zij zelf toegeeft de tweede bestreden beslissing reeds te kennen van 25 januari 2005 - indien dit al mag worden aangenomen - en pas op 8 maart 2005 een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid instelt. De termijn van 43 dagen wordt niet verantwoord, en is volgens de gebruike- lijke rechtspraak van uw Raad ook niet te verantwoorden. In de omstandigheid daarenboven dat de verzoekende partij zelf meedeelt, op 27 januari 2005, dat zij op de hoogte is van de tweede bestreden beslissing, en zij de exploitatie niet heeft stopgezet, noch vrijwillig zal stopzetten (stuk 6), wat betekent dat zij zichzelf recht doet, kan zij geen rechtmatig belang hebben om zich op de uiterst dringende noodzakelijkheid te beroepen. Bovendien was zij sinds 3 februari 2005 op de hoogte van het voornemen van de burgemeester om een stopzettingbevel te geven (stuk 4), zodat zij reeds dan actie kon ondernemen. Op dat moment gaf verzoekende partij te kennen een schorsingsverzoek te zullen indien bij de Raad van State tegen de tweede bestreden beslissing, hetgeen zij uiteindelijk pas op 8 maart 2005 heeft gedaan. VII-33.625-3/6 Verzoekende partij heeft manifest niet gehandeld met de vereiste spoed”; 2.2.
- Overwegende dat de procedure bij uiterst dringende noodzakelijk- heid de uitzondering moet blijven omdat de rechten van de verdediging van de andere partijen tot het strikte minimum worden herleid en omdat zij een ernstige verstoring van het normaal verloop van de rechtspleging veroorzaakt ; dat dit onder meer impliceert dat van de verzoekende partij mag worden geëist dat zij de nodige diligentie aan de dag legt om dergelijke vordering in te stellen ; dat een gebrek aan diligent optreden bovendien de door de verzoekende partij ingeroepen hoogdrin- gendheid tegenspreekt ; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij haar vorderingen pas heeft ingesteld zes weken nadat zij kennis had van de tweede bestreden beslissing ; dat dergelijk tijdsverloop op zich volstaat om vast te stellen dat die partij niet met de vereiste diligentie is opgetreden ; 2.2.
- Overwegende dat de tweede bestreden beslissing de milieuvergun- ningen van de verzoekende partij opheft met toepassing van artikel 37 van het Milieuvergunningsdecreet van 28 juni 1985 ; dat luidens het tweede lid van die bepaling tegen dergelijke beslissing geen administratief beroep kan worden ingesteld; dat het jurisdictioneel beroep bij de Raad van State de uitvoerbaarheid van die beslissing niet opschort ; dat dit impliceert dat de verzoekende partij, vermits zij niet meer over de door artikel 4 van het Milieuvergunningsdecreet vereiste voorafgaande en schriftelijke vergunning beschikt, zodra zij kennis had genomen van de opheffingsbeslissing haar inrichting in rechte niet meer vermocht te exploiteren, en haar activiteiten zo spoedig mogelijk diende stop te zetten, op gevaar af zich bloot te stellen aan de in artikel 39 van hetzelfde decreet vermelde strafrechtelijke sancties; Overwegende dat artikel 38 van het Milieuvergunningsdecreet inhoudt dat in geval geen administratief beroep meer kan worden ingesteld tegen de beslissing tot opheffing van de milieuvergunningen, o.m. de burgemeester desgevallend de nodige maatregelen neemt om de exploitatie stop te zetten en zo nodig de inrichting te sluiten, wat de eerste verwerende partij ten deze heeft gedaan door middel van de eerste bestreden beslissing; dat dit evenwel de verzoekende partij geenszins het recht verschaft om, zolang geen dergelijke dwangmaatregel uitwerking heeft verkregen, haar exploitatie voort te zetten ; VII-33.625-4/6 Overwegende dat de verzoekende partij dan ook terecht zelf stelt dat het de tweede bestreden beslissing is die het haar ?met onmiddellijke ingang onmogelijk (maakt) om nog verder op een vergunde en derhalve wettelijke wijze te exploiteren” ; dat zij zich dan ook niet op de zgn. ?verknochtheid” tussen beide beslissingen vermag te beroepen om haar gebrek aan diligentie bij het in rechte treden tegen de tweede bestreden beslissing te rechtvaardigen ; 2.2.
- Overwegende dat uit het bovenstaande volgt dat met betrekking tot de vordering in zoverre gericht tegen de tweede bestreden beslissing, bij gebrek aan het vereiste diligent optreden, niet aan de grondvoorwaarde ter zake van de hoogdringendheid is voldaan, en de vordering moet worden verworpen ;
- Overwegende, wat de vordering in zoverre gericht tegen de eerste bestreden beslissing betreft, dat uit het hierboven uiteengezette blijkt dat ook zonder die dwangmaatregel de verzoekende partij haar exploitatie moet stopzetten ten gevolge van de tweede bestreden beslissing ; dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van die tweede bestreden beslissing zoals hiervoor gesteld dient te worden verworpen ; dat de vordering in zoverre gericht tegen de eerste bestreden beslissing derhalve bij gebrek aan het vereiste wettig belang dient te worden verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf maart tweeduizend en vijf, door : de H. R. STEVENS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. VII-33.625-5/6 De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. R. STEVENS. VII-33.625-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.907 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.147.140 ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.848 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.