← België

Arrest 141910 - - 14/03/2005

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.910 Rolnummer: A. 115318/IX-3174 Zaak: Arrest 141910 - - 14/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-25 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 08:43 Fiche Arrest nr 141.910 van 14 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.910 van 14 maart 2005 in de zaak A. 115.318/IX-

  1. In zake : Hilde SLEMBROUCK, wonende te ZAVENTEM, Spreeuwenlaan 32 tegen : het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap. tussenkomende partij : Viviane MEYNCKENS, wonende te KESSEL-LO, Diestsesteenweg
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hilde SLEMBROUCK op 15 januari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 21 november 2001 van de leidend ambtenaar van het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap waarbij Viviane MEYNCKENS met ingang van 1 december 2001 gemuteerd wordt naar de provinciale afdeling Brabant; Gezien het verzoek tot tussenkomst van Viviane MEYNCKENS; Gezien de beschikking van 3 mei 2000 die de tussenkomst van Viviane MEYNCKENS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; IX-3174-1/19 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 9 juli 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; Gelet op de beschikking van 20 januari 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 7 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van verzoekster, die persoonlijk verschijnt, en van haar raadsman, advocaat G. VAN MELLAERTS; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
  4. Verzoekster is adjunct van de directeur bij het Vlaams Fonds voor Sociale Integratie van Personen met een Handicap (hierna : VFSIPH). Zij is tewerkgesteld bij de stafdienst, met administratieve standplaats Brussel. IX-3174-2/19 1.
  5. Met een nota van 27 juni 2001 wordt aan de personeelsleden bekendgemaakt dat drie betrekkingen van adjunct van de directeur door vrijwillige mutatie en/of dienstaanwijzing te begeven zijn. Een van de betrekkingen is die van teamverantwoordelijke van de cel materiële hulp bij de provinciale afdeling Brabant met administratieve standplaats Brussel. Bij de nota is een profiel en functie- beschrijving gevoegd van de vacante betrekkingen. Volgens het profiel van de betrekking zal de benoemde “instaan voor de werking van de cel materiële hulp”, beschikt hij daarvoor over “leiding- gevende capaciteiten, organisatievermogen en (is hij) bereid met een team samen te werken” en heeft hij een “klantgerichte instelling”. Blijkens de functiebeschrijving “geeft (de betrokkene) leiding aan een team medewerkers en rapporteert (hij) onder meer aan het hoofd van de provinciale afdeling”. De functioneringscriteria waaraan de benoemde moet voldoen liggen, wat de persoonlijke bekwaamheden betreft, op het vlak van klantgerichtheid, resultaatgerichtheid, samenwerking en teamgeest, leiding geven, communicatie- vaardigheid, dynamiek en initiatief en zo nodig ook kunnen evalueren. 1.
  6. Voor de voornoemde betrekking bij de provinciale dienst Brabant zijn er vier kandidaten, onder wie de verzoekende en de tussenkomende partij. 1.
  7. In zijn vergadering van 14 september 2001 stelt de directieraad een tabel op die “de belangrijkste functioneringscriteria (weergeeft) die volgens de leden van de directieraad van belang zijn voor de uit te oefenen functie” en waarin “bij iedere kandidaat summier de opmerkingen worden vermeld die door de leden van de directieraad werden aangehaald”. Omdat één van de leden van de directie- raad afwezig is, wordt de verdere bespreking en besluitvorming uitgesteld tot de volgende vergadering. De bij de notulen gevoegde tabel bevat de volgende gegevens : IX-3174-3/19 (...) Viviane Hilde (...) MEYNCKENS SLEMBROUCK Klantgerichtheid (...) ? (...) (vooral naar personen in sommige situaties met een handicap toe) stug bij toepassing van de regelgeving Teamwerking ? ? (...) (cf. overleg binnen - : past betrokkene in - : negatieve IMB-cel en met huidig PA-team ? ervaringen in andere cellen/ (momenteel eerder verleden binnen PA diensten) overlegcultuur, - : blijft eigen stand- betrokkene heeft zelf punt inhoudelijk een directieve verdedigen houding) + : dit criterium werd + : komt gemoede- positief geëvalueerd lijk over in assessment Leidinggeven (...) Heeft SBW duidelijk (...) (cf. cel IMB) in handen Andere + factoren hoofd PA staat er * wenst verandering (...) positief tegenover (‘herbronnen’) * heeft in het verleden ook reeds in PA gewerkt - kent het dus Andere-factoren * heeft nog niet op * op theoretisch vlak (...) andere diensten heel sterk gewerkt * VF verliest goed * negatief effect staflid binnen cel tewerk- * hoe functioneert ze stelling gelet op binnen een meer komende praktijkgerichte reorganisatie (die setting ? eigenlijk nog niet vaststaat) + mogelijkheden naar vervanging ? Toelichting : - : directieraad is van oordeel dat betrokkene op het desbetreffende criterium onvoldoende capaciteiten heeft + : directieraad is van oordeel dat betrokkene op het desbetreffende criterium zeker voldoende capaciteiten heeft ? : de meningen binnen de directieraad zijn verdeeld. IX-3174-4/19 1.
  8. In zijn vergadering van 12 oktober 2001 beslist de directieraad de tussenkomende partij als eerste en de verzoekende partij als tweede te rangschikken. De rangschikking wordt gemotiveerd. 1.
  9. Bij brief van 21 november 2001 deelt de administrateur-generaal aan verzoekster mede “dat na advies van de directieraad van 12 oktober 2001, de beslissing is genomen om mevrouw Viviane MEYNCKENS te muteren naar de provinciale afdeling Brabant met ingang van 1 december e.k.”. De beslissing neemt de motivering van de directieraad over : “Mevrouw MEYNCKENS beschikt over een jarenlange ervaring in een leidinggevende functie in een operationele dienst. Zij beschikt dan ook over een zeer belangrijke ervaring en kunde om opnieuw in een operationele omgeving te werken als leidinggevende. Een andere dienst en reglementering zullen voor haar een uitdaging zijn. Zij wordt daarom het best geschikt geacht om de vacature in te vullen. Mevrouw SLEMBROUCK heeft zich als stafmedewerker onderscheiden. Haar werk rond het kwaliteitsdecreet wordt zeer geapprecieerd. Zij werkt uitstekend in een staffunctie en met teamleden die in een gelijkwaardige positie verkeren. Zij heeft evenwel geen ervaring als leidinggevende in een operatione- le omgeving. De nodige feeling om om te gaan met personeel dat geschoold is op niveau hoger secundair onderwijs of lager wordt minder hoog ingeschat dan bij mevrouw MEYNCKENS, maar duidelijk veel groter dan deze van de heer DE LANGE. Zij heeft anderzijds binnen het Fonds meer ervaring dan mevrouw VAN NERUM. Zij wordt daarom als tweede gerangschikt”.
  10. Overwegende dat de tussenkomende partij aanvoert dat verzoekster “haar belang niet aangetoond (heeft)”; dat verzoekster daar in haar laatste memorie terecht op antwoordt dat zij zich kandidaat heeft gesteld voor de functie waarin de tussenkomende partij benoemd is en dat zij door de directieraad ten onrechte als tweede geklasseerd is; dat de exceptie wordt verworpen; 3.
  11. Overwegende dat verzoekster in het eerste middel de schending aanvoert van artikel V 11 van het besluit van 30 juni 2000 van de Vlaamse regering houdende de regeling van de rechtspositie van het personeel van sommige Vlaamse openbare instellingen (hierna genoemd : het stambesluit VOI), zoals gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 2001, doordat de motivering van IX-3174-5/19 het bestreden besluit “op generlei wijze rekening (houdt) met de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel, de functioneringsevaluatie en de beoordeling van de eventuele selectietest(en)”, terwijl artikel V 11 van het stambesluit VOI het bestuur verplicht die beoordelingselementen zorgvuldig te betrekken bij de aanwijzing van de meest geschikte ambtenaar voor een bepaalde functie; dat zij het middel als volgt toelicht : - de bestreden beslissing steunt op twee motieven -de jarenlange ervaring van de tussenkomende partij in een leidinggevende functie en de uitdaging die een andere dienst en het werken met een andere reglementering voor haar zullen betekenen- maar die motieven houden geen verband met het profiel en de functievereisten die in de nota van 27 juni 2001 werden vooropgesteld; - ook de drie motieven die zijn aangevoerd om de functie niet aan verzoekster toe te wijzen -het goed functioneren in een staffunctie met teamleden die in dezelfde positie verkeren, maar geen ervaring als leidinggevende in een operationele dienst en minder feeling in de omgang met lager gekwalificeerd personeel- houden geen verband met het vooropgestelde profiel en de functievereisten; - er is geen rekening gehouden met de “functioneringsevaluatie”: zijzelf kreeg in 1997 een loopbaanversnelling, in 1998 een functioneringspremie en in 1999 en 2000 werd zij voorgesteld voor een functioneringspremie; - er is geen rekening gehouden met de -door de directieraad gekende- resultaten van het assessment-center waaraan zij begin 2001 deelgenomen heeft en waarbij de “functioneringsvereisten in verband met de klantgerichtheid, management-, coaching- en communicatievaardigheden, als goed beoordeeld werden”; - door geen rekening te houden met de bovenvermelde aspecten, heeft de verwerende partij de op haar rustende zorgvuldigheidsverplichting geschonden; 3.
  12. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord betwist dat het besluit van 5 oktober 2001 te dezen van toepassing zou zijn, aangezien dat besluit in werking getreden is op 1 november 2001, terwijl de bestreden mutatie gestart was op 27 juni 2001; dat naar haar oordeel zij toepassing diende te maken van de regels met betrekking tot de mutatie, opgenomen in het oorspronkelijke stambesluit VOI van 30 juni 2000, waarin bepaald is dat de IX-3174-6/19 mutatiebeslissing rekening houdt met “de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel van de kandidaat” en met “de functioneringsevaluatie” en dat zij die regels ook daadwerkelijk in haar besluitvorming betrokken heeft door zich met name te steunen op “een duidelijk advies” van de directieraad; dat zij van mening is dat het bestreden besluit hoe dan ook duidelijk gemotiveerd en zorgvuldig overwogen is en rekening houdt met de functiebeschrijving en het profiel, met de functioneringsevaluatie en de beoordeling van de eventuele selectietesten, inzonderheid met de ervaring die de tussenkomende partij als leidinggevende heeft opgedaan en de uitdaging die de tewerkstelling in een andere dienst met een andere reglementering voor haar zal inhouden; 3.
  13. Overwegende dat verzoekster daar in haar memorie van wederantwoord op repliceert, wat de toepasselijke regelgeving betreft, dat de wijziging aan het stambesluit VOI in werking getreden is op 1 november 2001, dat die bepaling daarom bij het treffen van het bestreden besluit nageleefd moest worden, dat de verwerende partij in ieder geval toepassing diende te maken van de regeling die voor de bestuurde de meest gunstige was; dat zij, wat de grond van het middel betreft, repliceert dat een mutatiebesluit uitdrukkelijk gemotiveerd moet zijn en dat, in ieder geval, de kandidaturen aan elkaar afgewogen moeten worden ten aanzien van de twee criteria vermeld in artikel V 8, § 2, van het stambesluit VOI, maar dat zulks te dezen niet gebeurd is, aangezien de functioneringscriteria die de directieraad in aanmerking heeft genomen en die de leidend ambtenaar in het bestreden besluit bijgevallen is, “geen afspiegeling (zijn) van de vereiste functioneringscriteria die in het functieprofiel staan” -er zijn maar drie criteria weerhouden- en aangezien er ook geen “vergelijkende evaluatie tussen de kandidaten is gemaakt” -de directieraad beperkt zich voor het onderbouwen van zijn advies “tot enkele uitspraken over de kandidaten”, die bovendien een verkeerde toepassing maken van de vereiste functioneringscriteria : het criterium leidinggeven wordt verruimd tot ervaring in een leidinggevende functie, ervaring in een leidinggevende functie sluit nog niet in dat de betrokkene “leiderschapskwaliteiten” heeft en de verwijzing naar de “uitdaging” gaat niet terug naar de functievereisten; dat zij daar aan toevoegt dat van een zorgvuldig werkend bestuur een IX-3174-7/19 “geobjectiveerde vergelijking” van de kandidaten verwacht had mogen worden, maar dat in dit geval alleen de leidinggevende capaciteiten van de kandidaten beoordeeld zijn -maar dan wel verkeerd, aangezien leidinggevende capaciteit verengd wordt tot ervaring in een leidinggevende positie- terwijl zij op andere criteria betreffende de persoonlijke en technische bekwaamheden beter scoort dan de tussenkomende partij, hetgeen mede uit de toetsing van de functioneringscriteria had kunnen blijken; 3.
  14. Overwegende dat de tussenkomende partij uiteenzet wat volgt: het zou een schending van het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel zijn indien rekening gehouden zou worden met het gewijzigde stambesluit VOI; de motieven van de bestreden beslissing houden duidelijk verband met de functiebeschrijving, waarin sprake is van leidinggevende capaciteiten; verzoekster stelt ten onrechte dat geen rekening gehouden is met de functie-evaluatie van de kandidaten; de assessment-proef waaraan verzoekster deelgenomen heeft werd niet georganiseerd in het kader van de bestreden mutatiebeslissing; uit de bijlage bij de notulen van de vergadering van 14 september 2001 van de directieraad blijkt dat de kandidaten aan de hand van meerdere factoren (klantgerichtheid, teamwerking, leidinggeven en nog andere factoren) vergeleken werden; 3.
  15. Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie nog uiteenzet dat de wijziging aan het stambesluit VOI in werking getreden is op 1 november 2001 en dat de bestreden beslissing derhalve rekening moest houden met de beoordeling van haar selectietesten -in casu de uitslag van het assessment- center waaraan zij deelgenomen heeft-; dat zij vervolgens nader ingaat op de stelling van de verwerende partij dat er rekening gehouden is met de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel van de kandidaten en met de functioneringsevaluatie; dat zij te dien aanzien betoogt wat volgt: de motivering van het bestreden besluit is zuiver formeel aangezien zij berust op uitspraken die niet verantwoord worden door verwijzing naar feiten en waarvan niet duidelijk is welke relatie zij hebben met de functioneringsvereisten waarover overigens geen vergelijkend onderzoek gebeurd is; tijdens de benoemingsprocedure is niet IX-3174-8/19 aangetoond op welke wijze de verschillende kandidaten voldoen aan de zes functioneringsvereisten van het functieprofiel en de acht functioneringscriteria van de functiebeschrijving, aangezien er in de beoordeling van de directieraad slechts sprake is van drie functioneringscriteria en aangezien de beoordeling van verzoekster voor de criteria “leidinggeven” en “klantgerichtheid” blanco is gebleven; de motivering van de voorkeur voor de tussenkomende partij verwijst naar haar mogelijkheden om leiding te geven, maar die conclusie wordt gehaald uit de ervaring van de tussenkomende partij in een leidinggevende functie en bewijst alzo niet dat de tussenkomende partij leiding kan geven in de omstandigheden die uiteengezet zijn in het functieprofiel; de motivering van het bestreden besluit laat niet toe na te gaan of de verwerende partij de kandidaten op alle criteria vermeld in het functieprofiel en de functiebeschrijving “op een inzichtelijke, transparante, navolgbare en toetsbare wijze” vergeleken heeft; uit niets blijkt dat de verwerende partij, zoals nochtans vereist door de reglementering, rekening gehouden heeft met de functioneringsevaluaties die zich in de personeelsdossiers bevinden en waaruit, wat haar betreft, had kunnen blijken dat zij de vereiste kennis en technische bekwaamheden bezit voor de te begeven functie en dat het advies van de directie- raad niets anders dan beweringen bevat; 3.6.
  16. Overwegende, wat de toepasselijke reglementering betreft, dat artikel 5 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 2001 houdende eerste bijsturing van het stambesluit VOI van 30 juni 2000 de titel II “De mutatie” en titel III “De herplaatsing” vervangen heeft door een nieuwe titel II, genaamd “De interne arbeidsmarkt” en dat het nieuw artikel V 11, § 1, sindsdien luidt als volgt : “§
  17. De leidinggevende van de ontvangende entiteit kiest op zorgvuldige wijze de meest geschikte ambtenaar voor een bepaalde functie. De selectie- beslissing moet worden gemotiveerd en houdt rekening met : 1/ de kandidaatstelling of de aanmelding; 2/ de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel; 3/ de functioneringsevaluatie; 4/ de beoordeling van de eventuele selectietest(en)”. IX-3174-9/19 Overwegende dat die bepaling krachtens artikel 44 van het besluit van 5 oktober 2001 in werking getreden is “op de eerste dag van de maand volgend op de datum van goedkeuring”, dit is op 1 november 2001; dat zij evenwel, gelet op artikel 190 van de Grondwet dat het verbindend karakter van een reglement van algemeen belang afhankelijk stelt van de bekendmaking ervan, slechts verbindend en aan derden tegenstelbaar is kunnen worden na haar bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van 8 december 2001; dat met het besluit van 5 oktober 2001 derhalve geen rekening gehouden kan worden in de mate dat het voor de periode van 1 november 2001 tot 18 december 2001 de bestaande regeling van het stambesluit VOI verzwaart; Overwegende derhalve dat voor de onderhavige zaak rekening gehouden dient te worden met artikel V 8, § 2, van het stambesluit VOI dat luidt als volgt : “De beslissing tot mutatie houdt rekening met : 1/ de functiebeschrijving van de vacature en het gewenste profiel van de kandidaat; 2/ de functioneringsevaluatie”. 3.6.2.
  18. Overwegende dat het middel stoelt op de schending van de toepasselijke reglementering, doordat geen rekening gehouden is met enerzijds de functiebeschrijving en het profiel en met anderzijds de functioneringsevaluatie; dat, in de mate verzoekster in haar memorie van wederantwoord en haar laatste memorie daar aan toevoegt dat er geen deugdelijke vergelijking van de kandidaturen ten aanzien van de vereiste functioneringscriteria gebeurd is, zij een nieuw middel aanvoert dat niet van openbare orde is, dat zij kon aanvoeren in haar verzoekschrift en dat om die reden niet ontvankelijk is; 3.6.2.
  19. Overwegende dat uit het proces-verbaal van de vergadering van de directieraad van 14 september 2001 blijkt dat de raad “de belangrijkste functioneringscriteria (die) volgens de leden van de directieraad van belang zijn voor de uit te oefenen functie” op een rij gezet heeft en dat “summier de opmerking- IX-3174-10/19 en vermeld worden die door de leden van de directieraad (bij iedere kandidaat) werden aangehaald”; dat uit het bij dat proces-verbaal gevoegde document blijkt dat de leden van de directieraad hun aandacht toegespitst hebben op de aspecten “klantgerichtheid”, “teamwerking” en “leidinggeven” van de te begeven functie en dat er, daarnaast, zowel voor verzoekster als voor de tussenkomende partij melding is gemaakt van een aantal positieve en negatieve “factoren”; dat de directieraad op grond van die beoordelingsgegevens de kandidaten gerangschikt heeft met inachtneming van de sub 1.6 geciteerde motivering en dat de leidend ambtenaar in het bestreden besluit die motivering tot de zijne gemaakt heeft; Overwegende dat uit de motivering van de rangschikking der kandidaten blijkt dat de directieraad de voorkeur aan de tussenkomende partij gegeven heeft omdat zij, beter dan verzoekster, voldeed aan het criterium “leiding geven”, meer bepaald omdat zij “over een jarenlange ervaring in een leidinggevende functie in een operationele dienst (beschikt)”, terwijl verzoekster “geen ervaring (heeft) als leidinggevende in een operationele functie” en zij, hoewel zij uitstekend werk verricht in een staffunctie met teamleden “die in een gelijkwaardige positie verkeren”, toch geacht wordt minder feeling te hebben “om om te gaan met personeel dat geschoold is op niveau hoger onderwijs of lager”; dat de beoordeling van de verwerende partij daarmee de krijtlijnen, uitgetekend door de functionerings- criteria, niet te buiten gegaan is, aangezien blijkens de vooropgestelde resultaat- gebieden en het profiel van de te begeven betrekking, de titularis belast is met de leiding van de cel materiële bijstand en hij dienvolgens, in het kader van het bereiken van een optimaal rendement, blijk moet geven van leidinggevende capaciteiten en een ganse groep medewerkers moet kunnen motiveren; Overwegende dat verzoekster wel aanvoert dat de verwerende partij een verkeerde toepassing gemaakt heeft van het functioneringscriterium “leiding geven” -met name door het begrip, dat een algemene beoordeling van de capaciteiten van de kandidaten vereist, te verengen tot het bezitten van ervaring in een leidinggevende functie-; dat de Raad van State dat standpunt niet bijvalt, aangezien uit de motivering van de rangschikking blijkt dat de directieraad de IX-3174-11/19 feitelijke ervaring die de kandidaten in het verleden hebben opgedaan niet op zich als vergelijkingscriterium gehanteerd heeft, maar dat hij die ervaring betrokken heeft bij het bewijs van de leidinggevende capaciteiten van de kandidaten; Overwegende aldus dat de verwerende partij wel degelijk rekening gehouden heeft met de vereisten die vooropgesteld waren in de functiebeschrijving en het profiel; dat in die zin het middel feitelijke grondslag mist; dat, in de mate dat de directieraad de voorkeur heeft gegeven aan de kandidatuur van de tussenkomende partij omdat uit vorige opdrachten het bewijs kon worden gehaald dat zij leiding kon geven aan een operationele dienst, terwijl het voor verzoekster moeilijker in te schatten was of zij zou kunnen omgaan met lager gekwalificeerd personeel, hij die functioneringscriteria correct geïmplementeerd heeft; 3.6.2.
  20. Overwegende dat verzoekster ook van oordeel is dat geen rekening gehouden is met de functioneringsevaluatie van de kandidaten; dat evenwel de ontstentenis van enige formele vermelding dienaangaande in de motivering van het bevorderingsvoorstel van de directieraad, op zich niet betekent dat de directieraad die evaluaties niet in haar besluitvorming betrokken heeft; dat in dit geval verzoekster niet betwist dat de tussenkomende partij, zoals uit de door haar voorgelegde stukken blijkt, in 1999 en 2000 zonder enig voorbehoud een positieve evaluatie gekregen heeft, terwijl daarnaast blijkt dat de directieraad ook het functioneren van verzoekster positief beoordeeld heeft, aangezien hij rekening gehouden heeft met het feit dat zij “zich als stafmedewerker onderscheiden heeft”, dat “haar werk rond het kwaliteitsdecreet (...) zeer geapprecieerd wordt” en dat zij “uitstekend werkt in een staffunctie”; dat derhalve zowel verzoekster als de tussenkomende partij over een gunstige beoordeling beschikten; dat verzoekster geen gegevens aanreikt die aantonen dat die beoordeling haar grotere aanspraken op de bestreden mutatie verleent; 3.6.2.
  21. Overwegende dat verzoekster ook betoogt dat geen rekening gehouden is met de resultaten van het assessment-center waaraan zij in 2001 deelgenomen heeft; dat, in de mate zij daarmee poogt aan te tonen dat de verweren- IX-3174-12/19 de partij de bepalingen van het besluit van de Vlaamse regering van 5 oktober 2001 houdende eerste bijsturing van het stambesluit VOI van 30 juni 2000 niet nageleefd zou hebben, vastgesteld wordt dat dit besluit niet op de onderhavige mutatie- procedure van toepassing is; dat voor het overige verzoekster niet aantoont dat de verwerende partij de verplichting had om de resultaten van het assessment-center, dat niet kaderde in de toewijzing van de specifieke betrekking die hier ter discussie staat, te betrekken in haar afweging van de meest geschikte kandidatuur; 3.
  22. Overwegende dat het eerste middel niet gegrond is; 4.
  23. Overwegende dat verzoekster in het tweede middel aanvoert dat de motieven van het bestreden besluit de vereiste draagkracht missen; dat zij betoogt dat, buiten de gegevens die in de motivering van het bestreden besluit vermeld zijn, het advies van de directieraad van 12 oktober 2001 geen nieuwe overwegingen bevat “over de beoordeling (van verzoekster) ten overstaan van de bestreden beslissing”; dat zij dan de in het bestreden besluit vermelde motieven als volgt becommentarieert : - het motief, geput uit haar geringere feeling om met minder geschoold personeel om te gaan is “niet geobjectiveerd, aangezien de overweging niet op een inzichtelijke, navolgbare en toetsbare wijze vastgesteld is” en aangezien noch de tabel die de directieraad op 14 september 2001 heeft opgesteld, noch het personeelsdossier daar ook maar enige vaststelling over bevat; - het motief dat zij minder ervaring heeft in een leidinggevende functie in een operationele omgeving gaat niet terug naar een functievereiste die bij de vacantverklaring was vastgesteld -enkel het “leiding geven” was toen als een functioneringscriterium vastgesteld- en bovendien wordt de mening van de leden van de directieraad tegengesproken door het feit dat haar leidinggevende capaciteiten gunstig werden beoordeeld in een assessment-center; - de verwijzing naar de positieve evaluaties in haar huidige functie -haar werk als stafmedewerker, haar werk rond het kwaliteitsdecreet, haar uitstekende werking in een team met gelijkwaardigen- kunnen niet aangewend worden om haar lager te rangschikken; IX-3174-13/19 dat zij daar aan toevoegt dat ook de functioneringscriteria die de directieraad op 14 september 2001 in aanmerking genomen heeft, geen rechtsgrond kunnen vormen voor het bestreden besluit, aangezien zij niet teruggaan op de in het profiel vooropgestelde functioneringscriteria, aangezien er voor verzoekster ten aanzien van bepaalde criteria -klantgerichtheid en leidinggeven- geen enkele waardering vermeld is en aangezien de tabel in ieder geval betrekking heeft op “uitspraken” van leden van de directieraad, die niet gedragen worden door precieze gegevens; 4.
  24. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord betoogt dat zij de motiveringsverplichting wel degelijk nageleefd heeft; dat zij, wat de redenen betreft die tot de benoeming van de tussenkomende partij aanleiding hebben gegeven, uiteenzet dat die aanwijzing steunt op haar “jarenlange ervaring in een leidinggevende functie in een operationele dienst” en op haar “ervaring en kunde” om opnieuw in een operationele omgeving te werken; dat zij uiteenzet dat het “kunnen leiding geven” een vooropgestelde vereiste was en dat het bestreden besluit daarmee wel degelijk teruggaat naar de functievereisten die bij de vacantverklaring waren vastgesteld; dat zij de redenen die zijn opgegeven om de aanstelling aan verzoekster te weigeren -goed functioneren in een staffunctie met gelijkwaardige teamleden, geen ervaring in leiding geven in een operationele omgeving en minder feeling om om te gaan met minder gekwalificeerd personeel-, wel degelijk situeert binnen de vooropgestelde functievereisten; 4.
  25. Overwegende dat verzoekster in haar memorie van wederant- woord eerst herhaalt dat de bestreden beslissing de in het profiel vereiste persoonlij- ke bekwaamheden verengt tot het functiecriterium “kunnen leiding geven” en dat het hebben van een jarenlange ervaring als leidinggevende in een operationele omgeving geen selectiecriterium was; dat zij vervolgens kritiek uitbrengt op het advies van de directieraad van 14 september 2001; dat het wezenlijke van haar uiteenzetting erop neerkomt dat er geen “vergelijkende evaluatie van de kandidaten (is gebeurd) met betrekking tot dezelfde elementen ten aanzien van de kennis en de persoonlijke en technische bekwaamheden uit het functieprofiel”, dat het ontbreken van ervaring als leidinggevende geen motief kan vormen om haar minder geschikt IX-3174-14/19 te bevinden, dat haar behoorlijk functioneren in een team met gelijkwaardigen geen grond mag zijn om haar lager te rangschikken dan de tussenkomende partij en dat de geringere feeling om met lager gekwalificeerden om te gaan evenmin een functioneringsvereiste is die overigens door de directieraad op geen enkele wijze concreet gemaakt wordt; 4.
  26. Overwegende dat de tussenkomende partij opmerkt dat het hebben van ervaring als leidinggevende in een operationele omgeving, een relevante indicatie is voor het bezitten van de capaciteiten die in de functievereisten worden uiteengezet en dat de omstandigheid dat het bestreden besluit slechts verwijst naar één advies van de directieraad, verzoekster niet geschaad heeft aangezien zij alle adviezen kende vooraleer zij haar annulatieberoep indiende; 4.
  27. Overwegende dat verzoekster in haar laatste memorie nog uiteenzet dat de verwerende partij de kandidaturen niet zorgvuldig afgewogen heeft; dat zij daarbij de volgende toelichting geeft: de verwerende partij heeft geen rekening gehouden met alle gegevens waarover zij beschikte: er wordt verwezen naar opmerkingen van leden van de directieraad, maar die “summiere” vermelding- en volstaan niet om de voorkeur voor de tussenkomende partij een deugdelijke grondslag te geven: zo heeft zijzelf geen beoordeling gekregen voor de criteria “klantgerichtheid” en “leidinggeven”, de tussenkomende partij kreeg een “?” voor het criterium “teamwerking”, wat wijst op uiteenlopende meningen zonder dat dit verder uitgeklaard wordt -meer nog, er volgen zelfs nog negatieve vermeldingen-, de directieraad verwijst zelf naar haar assessment-center waaruit haar klant- gerichtheid, haar management- en coachingvaardigheden blijkt, de verwijzing naar haar “sterkte op theoretisch vlak” en haar behoorlijk “functioneren als staflid” betreffen positieve punten die haar uiteindelijk, zonder nadere reden, ten nadele aangerekend zijn geworden; de verwerende partij heeft voorts geen rekening gehouden met de in het stambesluit vermelde vereisten noch met de voorgeschreven functioneringscriteria; de bestreden beslissing bevat “totaal andere motieven (...) dan de elementen die de leden van de directieraad op 14 september 2001 hadden aangebracht”, er wordt ook rekening gehouden met functievereisten die IX-3174-15/19 oorspronkelijk niet voorgeschreven waren -ervaring als leidinggevende, het aankunnen van uitdagingen- en er wordt niet uiteengezet waarom de beoordelingen van haar werkzaamheden in het verleden nu plots aangewend kunnen worden om haar minder gunstig te rangschikken -en het lager inschatten van haar mogelijk- heden om met lager gekwalificeerd personeel om te gaan wordt door niets onderbouwd-integendeel stelt de directieraad de “stugge en directieve houding” van de tussenkomende partij in het licht, maar daar wordt in het besluit niet op ingegaan; dat zij daar nu aan toevoegt dat de verwerende partij het gelijkheidsbeginsel geschonden heeft evenals “de vereiste van de openbaarheid van bestuur” en dat zij te dien aanzien een uitvoerige redenering ontwikkelt; 4.6.
  28. Overwegende dat, waar verzoekster in haar laatste memorie de schending aanvoert van het gelijkheidsbeginsel en van de wetgeving betreffende de openbaarheid van bestuur, zij nieuwe middelen formuleert die niet van openbare orde zijn, die zij zou aanvoeren in haar verzoekschrift en die derhalve niet ontvankelijk zijn; 4.6.
  29. Overwegende dat de directieraad op 14 september 2001 en 12 oktober 2001 de kandidaturen voor de mutatie naar de betrekking van dienst- hoofd van de cel materiële hulp onderzocht heeft; dat tijdens de bespreking van 14 september 2001 naar voren gekomen is welke de “belangrijkste functionerings- criteria (vormen) die van belang zijn voor de uit te oefenen functie” en dat in de notulen van die vergadering “summier de opmerkingen vermeld (zijn) die door de leden van de directieraad werden aangehaald”; dat de directieraad dan op 12 oktober 2001 zonder verdere bespreking de kandidaten gerangschikt heeft en de motivering van die rangschikking -sub 1.
  30. geciteerd- heeft aangenomen; 4.6.
  31. Overwegende dat verzoekster de deugdelijkheid betwist van de motieven die aan de benoeming van de tussenkomende partij en aan de weigering van haar eigen aanstelling ten grondslag liggen; dat zij daarvoor in wezen verwijst naar het feit dat de verwerende partij het criterium leiding geven verengd heeft tot het bezit van ervaring in een leidinggevende functie, naar het feit dat de directieraad IX-3174-16/19 een aantal functioneringscriteria op de voorgrond heeft gehaald maar dat hij de waardering ten aanzien van die criteria onderbouwt met niet geconcretiseerde uitlatingen van leden van de directieraad en dat de kandidaten overigens niet echt met elkaar vergeleken zijn ten aanzien van die criteria; dat zij ook stelt dat haar eigen beoordeling niet deugdelijk onderbouwd is, aangezien haar positieve kenmerken haar als negatief worden aangerekend en het bestuur geen reden heeft om te stellen dat zij minder goed dan de tussenkomende partij lijkt te kunnen functioneren in een team met minder hoog opgeleiden; 4.6.
  32. Overwegende dat verzoekster niet betwist dat, zoals in het bestreden besluit vermeld, de tussenkomende partij “een jarenlange ervaring (heeft) in een leidinggevende functie in een operationele dienst” en dat zijzelf die ervaring niet heeft; dat zij ook niet betwist dat, wat de vereisten van leidinggevende capaciteiten betreft, de betrekking waarin de bestreden benoeming gebeurd is, vergelijkbaar is met deze waarin de tussenkomende partij ervaring heeft opgedaan; Overwegende dat verzoekster ten onrechte betoogt dat de verwerende partij met dat motief de vooropgestelde functioneringscriteria miskent; dat immers uit niets blijkt dat de verwerende partij met de verwijzing naar de opgedane ervaring in een leidinggevende functie, een op zich staand criterium -ervaring in het leiding geven- heeft ingevoerd; dat met die vermelding de verwerende partij, zich aansluitend bij het advies van de directieraad, wel bewijst dat de tussenkomende partij de vereiste leidinggevende capaciteiten bezit; dat dan, vanuit dat perspectief, de directieraad vastgesteld heeft dat verzoekster weliswaar voortreffelijk functioneert in haar huidige betrekking, maar dat zij toch niet over dezelfde ervaring beschikt, terwijl zij in vergelijking met de tussenkomende partij ook minder aanleg lijkt te hebben om te functioneren in een disparaat samengesteld team; dat de verwerende partij daarmee aanduidt dat verzoekster niet op dezelfde wijze als de tussenkomende partij, de garantie biedt te kunnen instaan voor de leiding van de cel materiële hulp; IX-3174-17/19 4.6.
  33. Overwegende aldus dat de directieraad de voorkeur voor de tussenkomende partij steunt op de leidinggevende capaciteiten waarvan zij in het verleden reeds het bewijs geleverd heeft en dat hij ook verantwoord heeft waarom verzoekster op dat vlak voor de tussenkomende partij moet onderdoen; dat hij daarmee een pertinent criterium van vergelijking op de voorgrond geplaatst heeft en in functie daarvan de kandidaturen van verzoekster en van de tussenkomende partij vergeleken heeft; dat het besluit dat hij uit die vergelijking gehaald heeft tevens in redelijkheid verantwoord is; dat het bestreden besluit daarin een deugdelijk motief vindt; Overwegende dat verzoekster niet uiteenzet welk functionerings- criterium haar grotere aanspraken op de mutatie verleende; dat zij de directieraad dan ook niet kan verwijten dat hij de kandidaten enkel op het stuk van hun leidinggevende capaciteiten vergeleken heeft en niet ten aanzien van de bemerking- en die op de vergadering van 14 september 2001 naar voren waren gebracht; dat het middel niet gegrond is, BESLUIT: Artikel
  34. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  35. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. IX-3174-18/19 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien maart 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-3174-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.910 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.