id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 maart 2005 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.913 Rolnummer: A. 50500/IX-377 Zaak: Arrest 141913 - - 14/03/2005 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2005-03-23 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-02 08:44 Fiche Arrest nr 141.913 van 14 maart 2005 - Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 141.913 van 14 maart 2005 in de zaak A. 50.500/IX-
- In zake : Dieter CHRISTOPHE, wonende te WONDELGEM, Biezenstraat 15 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Dieter CHRISTOPHE op 3 maart 1993 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van : - de weigering van 10 december 1992 van zijn aanvraag om na zijn opruststelling wegens het bereiken van de leeftijdsgrens, een vrijwillige encadreringsprestatie te verkrijgen - de beslissing van 28 oktober 1992 van de minister van Landsverdediging om met ingang van 1 juli 1993 geen plaatsen vacant te verklaren voor vrijwillige encadreringsprestaties en van - de impliciete weigering van zijn aanvraag van 26 maart 1992 om vrijwillige encadreringsprestaties te vervullen; Gelet op het arrest nr. 42.601 van 19 april 1993 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de eerste twee bestreden beslissingen wordt verworpen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; IX-377-1/6 Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur R. AERTGEERTS; Gelet op de beschikking van 24 juni 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de “laatste memories” van verzoeker; Gelet op de beschikking van 20 januari 2005 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 7 maart 2005; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, die persoonlijk verschijnt, en van majoor militair-administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. AERTGEERTS; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1.
- Overwegende dat verzoeker, kapitein-commandant bij de Belgische strijdkrachten, op 26 maart 1992 een aanvraag ingediend heeft om bij het bereiken van de leeftijdsgrens voor zijn opruststelling -1 juli 1993- een vrijwillige encadreringsprestatie van één jaar te mogen uitvoeren; dat het bestuur die aanvraag voor beslissing naar de minister van Landsverdediging doorgezonden heeft; dat de Generale Staf van de Krijgsmacht met een bericht van 7 augustus 1992 aan de verschillende eenheden medegedeeld heeft dat vanaf 1 juli 1993 “de recrutering van de reserveofficieren, afkomstig uit het beroeps- of aanvullingskader, die in de IX-377-2/6 voorwaarden zijn om een VEP -dit is een vrijwillige encadreringsprestatie- te volbrengen (initiële prestatie of verlenging), opgeschort (wordt)” en dat “de aanvragen, die (...) reeds werden overgemaakt, zonder gevolg (zullen) blijven”; dat verzoeker op 17 september 1992 nogmaals een gemotiveerde aanvraag ingediend heeft om “langer te mogen dienen na leeftijdsgrens”; dat de minister op 28 oktober 1992 besloten heeft geen enkele plaats voor vrijwillige encadreringsprestaties gedurende de periode juli 1993-juni 1994 vacant te verklaren; dat de divisie Personeel op 10 december 1992 de aanvraag van 17 september 1992 van verzoeker geweigerd heeft, met vermelding van het volgende motief: “Een officier met pensioen kan alleen in actieve dienst blijven onder het stelsel van VEP. Vanaf 1 juli 1993 worden door MLV geen VEP meer toegestaan”; dat verzoeker met een koninklijk besluit van 18 januari 1993 op rust gesteld is met ingang van 1 juli 1993; dat hij op 21 juni 1993 met de Belgische Staat een arbeidsovereenkomst voor bedienden heeft gesloten waarbij hij van 1 augustus 1993 tot 30 september 1994 in dienst is genomen als administratief bediende; 1.
- Overwegende dat het systeem van de vrijwillige encadrerings- prestaties, zoals dat ten tijde van de bestreden beslissingen bestond -artikel 31, § 2, van de wet van 21 december 1990 houdende statuut van de kandidaat-militairen van het actief kader-, erin bestaat dat de reservemilitairen voortgekomen uit de beroeps- of aanvullingsmilitairen, in uitzonderlijke omstandigheden en met het oog op de kaderbehoeften van de Krijgsmacht op vredesvoet, de toelating kunnen krijgen te dienen in één van de krijgsmachtdelen voor een periode die de vier jaar niet overschrijdt en die aanvangt op het einde van de dienst als militair van het actief kader; 2.
- Overwegende dat overeenkomstig artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een annulatieberoep slechts ontvankelijk is wanneer de verzoeker blijk geeft van een belang; dat een wezenlijk aspect van dat belang de vraag behelst of de vernietiging van de bestreden beslissing aan de verzoeker een voordeel kan opleveren; dat dit belang niet enkel moet IX-377-3/6 aanwezig zijn op het ogenblik van het indienen van het annulatieberoep, maar dat het moet blijven bestaan tot op het ogenblik van de uitspraak; 2.
- Overwegende dat het initieel belang van verzoeker erin bestond te horen zeggen, enerzijds dat de minister van Landsverdediging ten onrechte besloten had dat er in de periode juli 1993 tot juni 1994 geen betrekkingen op grond van de reglementering inzake de vrijwillige encadreringsprestaties zouden begeven worden en anderzijds dat zijn aanvraag om vanaf 1 juli 1993 vrijwillige encadreringsprestaties te vervullen ten onrechte geweigerd was, hetgeen de verwerende partij zou genoopt hebben de aangelegenheid opnieuw te onderzoeken, waardoor verzoeker uitzicht kreeg op een gunstige beslissing over zijn aanvraag; Overwegende dat verzoeker op 1 juli 1993 op rust gesteld is en dat de periode, waarvoor hij vrijwillige encadreringsprestaties kon verkrijgen, verlopen is; dat zulks de vraag oproept welk voordeel verzoeker thans nog uit een vernietiging kan halen, nu hij niet aantoont dat hij een recht had op vrijwillige encadreringsprestaties waardoor de verwerende partij, na een eventuele vernietiging, dwingend zijn rechtstoestand in zijn voordeel zou moeten herzien; Overwegende dat, dienaangaande ondervraagd, verzoeker in een brief van 15 december 2004 aan de Raad van State mededeelt dat zijn verzoekschrift “bijna twaalf jaar” geleden ingediend is en dat het beledigend is nu nog te informeren naar zijn belang, dat de arbeidsovereenkomst die hij voor de periode van 1 augustus 1993 tot 30 september 1994 met de verwerende partij gesloten heeft, hem minder voordelen heeft verschaft dan hij met een vrijwillige encadreringsprestatie had verkregen -een hogere wedde, een langere loopbaan en een hoger pensioen- en dat hij wenst dat “zijn zaak zelfs na die lange tijd verder (...) bestudeerd, behandeld en beoordeeld wordt” en dat hij “uiteraard nog altijd achter alles (staat) wat (hij) in dit dossier vastgesteld heeft”; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker met die uiteenzetting niet aantoont dat een vernietiging van de bestreden beslissing hem nog een ander voordeel kan IX-377-4/6 opleveren dan de morele genoegdoening verbonden met de vaststelling dat de verwerende partij hem met een onwettige beslissing nadeel berokkend heeft; dat dergelijk voordeel op zich niet als een belang in de zin van artikel 19 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt aangenomen; dat, als hoger gesteld, de verwerende partij in een vernietigingsarrest de rechtsplicht niet zal vinden om retroactief de loopbaan van verzoeker binnen de Krijgsmacht te herstellen; dat, rekening houdend met de wijzigingen die zich hebben voorgedaan in zijn rechtstoestand, die volledig los staan van de hier aan de orde staande problematiek en die tot gevolg hebben dat verzoeker onmogelijk nog vrijwillige encadreringsprestaties kan verkrijgen, het belang van verzoeker teloorgegaan is; dat dergelijk teloorgaan van het belang geen enkel verband vertoont met het tijdsver- loop sinds het indienen van het annulatieberoep;
- Overwegende, wat de kosten betreft, dat het teloorgaan van het belang van verzoeker niet aan zijn toedoen te wijten is; dat het verzoekschrift initieel niet kennelijk onontvankelijk was; dat zulks rechtvaardigt dat de kosten van het onderhavige geding ten laste van de verwerende partij worden gelegd, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-377-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op veertien maart 2000 en vijf, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. J. DE BRABANDERE, kamervoorzitter, L. HELLIN, staatsraad, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. DE BRABANDERE. IX-377-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2005:ARR.141.913 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.